1 Koningen 19: 9-18
Ons tekstverhaal volgt op Elia op de Karmel. Na het hoogtepunt onder heel Israël komt de terugslag. Izebel zoekt zijn ziel, wil hem doden. Dan verlangt de profeet met God te spreken. Als Mozes wil hij Hem zien, en zijn stem horen. Hij wil de heilige berg bezoeken, waar God de wet gaf. Hij wil in de heilige spelonk staan, waar Mozes stond naar de beschrijving van Exodus 33. Hij maakt zich op en gaat op weg, in de kracht van een wonder-spijze, die een engel hem toebereidt. Veertig dagen en veertig nachten gaat hij in de kracht van die spijze.
Dan kwam hij aldaar, en zie, het Woord des Heren geschiedde tot hem, en zeide tot hem: Wat maakt gij hier, Elia (vs. 9)? Dat wil zeggen: Waarom blijft gij niet op uw plaats en in uw werk? God had hem toch niet geroepen? Dan komt Elia's klacht. Hij heeft zeer geijverd voor de Here. De kinderen Israëls hebben Gods verbond verlaten, zijn altaren afgebroken, zijn profeten gedood. Hij is maar alleen over en nu zoeken ze ook zijn leven te nemen (vs. 10). Alleen als gelovige. En hij heeft niets meer te doen dan te sterven.
Dan verhoort God zijn gebed, en hij mag voor de spelonk staan, als Mozes, en wachten tot God voorbijgaat. Dan zal God hem leren, dat hij niet alleen is met zijn geloof, en dat zijn werk niet mislukt is, maar een stuk is van het grote werk Gods, waaraan ook anderen meewerken.
Ik vestig nu de aandacht bijzonder op Elia's klacht, dat hij alleen is overgebleven. En op Gods toezegging dat er zevenduizend zijn overgebleven, wier knieën zich niet gebogen hebben voor Baäl, en wier mond hem niet gekust heeft (vs. 18). Er is al dadelijk een groot verschil tussen het een en het ander. Elia spreekt alsof het zijn persoonlijke zaak is. Hij heeft zeer geijverd voor God, want de kinderen Israëls hebben Gods verbond verlaten, altaren verwoest, profeten gedood. En nu is hij tenslotte alleen overgebleven. De zaak Gods is niet zozeer mislukt, maar zij is Elia mislukt. En nu heeft hij het verdriet ervan. Maar God zegt: Ik heb in Israël doen overblijven zevenduizend. Bij die zevenduizend is Elia ook. God heeft hem ook laten overblijven. En Elia denkt: Ik ben overgebleven. Dat is een groot verschil. Alleen overblijven is verlies, nederlaag. Als God iemand laat overblijven, dat is winst, overwinning. Alleen overblijven is eenzaamheid. Door God overblijven is gemeenschap. Als iemand zijn gasten laat vertrekken en er één laat achterblijven, dan heeft hij daarmee een bedoeling.
Zulk een werk is het geloof. Het is niet het prakkizeren van een mens alleen, maar het is een denken van God over ons, door de Heilige Geest, waardoor onze eenzaamheid wordt opgeheven, onze twijfel ophoudt, onze vrees verdwijnt. Alleen zijn in het geloof is niet alleen zijn. Geloven kan niemand voor ons doen. In zoverre moeten wij het zelf doen. Wij moeten het alleen doen. Maar het is geen bedenksel van ons. Als wij geloven, dan is dat een werk Gods. Dan komt God met zijn waarheid naar ons toe.
Als God iemand laat overblijven of geloven, dat is als wanneer gij bij iemand binnengaat, en de deur achter u dicht. Dan zijt gij niet meer bij uzelf; een andere wereld gaat voor u open. Gij zijt bij God. En Hij laat u zijn waarheid kennen. Geloven wordt daarom veel te vaak als een persoonlijke moeilijkheid beschouwd. Geloven is zaken doen met God. Als God Elia laat overblijven, dan heeft Hij wat voor hem te doen. Dat blijkt ook uit ons tekstverhaal. In het geloof houdt de twijfel op. Het is resoluut zijn. Als gij Gods belofte aanneemt, dan hebt Gij wat God belooft. Dan zijt gij in Gods huis, en zult er eeuwig blijven. Dan zijt gij Gods medearbeider. Dan doet gij Gods werk. Dan zijt gij zijn kind.
Het tweede is: dat God nog zevenduizend laat overblijven. Geloven kan men niet alleen doen. Dat weet iedereen. Gelovigen zijn altijd in kerken. Maar dat is de zichtbare kerk. Het is ook waar voor de onzichtbare. Elia kent die zevenduizend niet. Maar God werkt zo, dat er nooit één gelovige alleen is. Wanneer wij een stap doen in Gods waarheid, dan zien wij niet, maar wij weten dat wij dat niet alleen doen. God, die ons doet overblijven, laat nooit alleen overblijven.
Deze gemeenschap des geloofs behoort tot de verborgenheden van Gods koninkrijk. De dingen, die wij geloven, zijn als de vloed aan het strand. Staat de een in 't water, de ander ook, uren verder langs het strand. Die zevenduizend van Elia zijn een verborgenheid des geloofs. Ook al zou men niets van de kerk zien, dan zou de gelovige toch weten dat zij er is.
Het overblijfsel - de rest. Gods kinderen hebben altijd iets van een rest, een overschot. Zo geheel in de wereld passen, doen zij niet. De wereld gaat voorbij, en zij blijven er over. Alleen overblijven. Daaruit ontstaat de nieuwe schepping. De kerk op aarde en in de hemel. Een schare, die niemand tellen kan (Op. 7 : 9). De gemeenschap der heiligen.