Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 3 · p. 293–326

Weergave

Kohlbrugge

Festpredigten1

Kohlbrugge verdient ongetwijfeld een plaats onder de kerkelijke klassieken. Ik wijs allereerst op het feit dat er onder de theologen, wier namen de kerk in gedachtenis heeft gehouden, nauwelijks iemand te noemen is die een zo duidelijke invloed heeft gehad op het karakter der prediking van onze tijd als deze predikant van de Nederlands Gereformeerde Gemeente te Elberfeld. Daarmee bedoel ik niet hem gelijk te stellen met of hem te plaatsen boven Augustinus of Calvijn. Kohlbrugge heeft voor de christenheid in het algemeen zeker niet die betekenis gehad welke aan deze figuren toekomt. H heeft niet zo veelzijdig gewerkt; hij heeft voor de westerse christenheid niet regelrecht nieuwe vormen geschapen zoals Calvijn, en is geen universeel denker geweest als Augustinus. Daartegenover staat echter dat zijn prediking zo markant, zo scherp snijdend is, dat in één opzicht, nl. wat betreft de leer van de rechtvaardiging door het geloof alléén, het sola fide, zoals het in een klassieke formule heet, er niemand te noemen is, die zo diep op de gemeente heeft ingewerkt. Hier heeft hij de volle kracht van zijn indrukwekkende persoonlijkheid ingezet. Op dit punt heeft hij het onmiskenbaar gezag, dat de onderwijzing van de Heilige Geest uit de Schriften hem verleende, laten gelden. In deze lijn, die van Paulus naar Augustinus en van deze laatste naar Luther loopt, de leer der vrije genade, staat Kohlbrugge als een heraut van Jezus Christus om een eeuw die in eigen kracht zich een pad door het leven zocht te banen er aan te herinneren dat er voor de zondaar geen weg is naar de eeuwigheid dan door de dood en de opstanding heen. Deze verkondiging heeft hij beschouwd als een hem in het bijzonder door God opgedragen ambt en als dit punt in het geding kwam, wist hij van geen wijken. Zijn eigen leven heeft hij daarvoor op het spel gezet. Lange ambteloze jaren liet hij schijnbaar verloren gaan om maar geen duimbreed te wijken van deze hem gegeven opdracht. Hechte en liefelijke banden zag hij liever verbroken worden dan dat hij in dit opzicht ook maar iets zou toegeven. Daarmee hangt samen dat Kohlbrugges arbeid bijna geheel in de baan der prediking verloopt. Zijn 'oeuvre' bestaat bijkans geheel uit leerredenen. Daarnaast treft men slechts enkele wetenschappelijke verhandelingen aan, die dan ook nog nauw verwant zijn met zijn preken. Zijn grondige kennis der oosterse talen - hij kwam in aanmerking voor een hoogleraarsambt te Leiden - besteedde hij vooral om schatten uit het oorspronkelijke te delven voor zijn toespraken tot de gemeente. De kansel was zijn levenselement en Kohlbrugge mocht - met een variant op een woord van Shakespeare uit Hamlet - zeggen: ik ben niets als ik niet preken kan.

Het is onder dit gezichtspunt dat Kohlbrugge tot de kerkelijke klassieken te rekenen valt. Onder de christelijke predikers is hij een der allereersten en er zullen weinigen zijn, wier preken zo bij voortduring gezocht en gelezen worden. Juist in de bediening des Woords komt zijn bijzondere gave uit. En in deze bediening weer juist in het middelpunt der prediking; daar, waar het hart van het Evangelie klopt en waar de Reformatie aansluiting heeft gezocht aan de diepste gedachten van de apostel Paulus en aan de binnenste cirkels van het troost-ambt van de Heilige Geest. Kohlbrugge heeft daar accenten gevonden die met Luthers machtig talent kunnen wedijveren, ja, het hier en daar overtreffen. Hij heeft gepredikt in het bewustzijn daarmee een reformatorisch werk te doen. Niet alleen in die zin dat hij wenste terug te gaan op de kerkhervormers der zestiende eeuw, maar met de uitgesproken bedoeling, bij de uitlegging van de brief aan de Romeinen, boven hen uit te gaan in begrip van wat de Heilige Geest door dit deel der Heilige Schrift aan de gemeente wilde leren.

Met Kohlbrugge zet zich een kritiek in op de gevestigde gereformeerde (en ook lutherse) vroomheid. Deze kritiek zal later door anderen worden overgenomen en voortgezet, nadat zij tientallen van jaren in kleine kringen is bewaard en gekoesterd gebleven, vaak ook in een misvormde en verwrongen gedaante. De theologie, of liever de verkondiging van Kohlbrugge, verkeerde geruime tijd als een vreemdeling in een wereld, waarin de voorwaarden voor haar begrip en toepassing nog niet aanwezig waren. Zij liep gevaar sektarisch te werken. Een algemene, publieke functie vermocht zij nog niet uit te oefenen. Daartoe sloeg zij nog te weinig naar buiten uit; bleef zij te veel binnen de kerkdeuren gevangen; was zij te uitsluitend gemeentelijk en te zeer enkel zielszorg. De wijze waarop Kohlbrugges naaste volgelingen zich dikwijls terugtrokken van sommige terreinen van kerkelijke en politieke arbeid is daarvan een sprekend bewijs.

Maar aan dit vreemdelingschap van Kohlbrugges ambtelijke werkzaamheid is geleidelijk een einde gekomen; de betekenis van zijn kritiek op de gevestigde kerkelijke vroomheid heeft contacten gekregen met de ontwikkeling van ons denken en bestaan in het algemeen, zodat haar strekking ons duidelijk wordt en haar isolement wordt opgeheven. Dus werkt zij thans niet meer sektarisch, maar gemeentelijk en daardoor ook algemeen, sociaal en politiek. Kohlbrugge was een voorloper van een minder rechtlijnige, meer dialectische wijze van gelovig denken, die thans allerwegen tot openbaring begint te komen en waarvan ook de bekende Deen Kierkegaard een wegbereider is geweest.

De reformatoren hebben een scherp gericht geoefend over de werkheiligheid, die in de roomse kerk de eenvoud des geloofs op zo vreselijke wijze had ondermijnd. Het is Luther geweest die met zijn machtig woord daartegen heeft getoornd. Daarbij ging het bovenal om de vrome handelingen, de uitwendige verrichtingen, waarmee men zich bij God verdienstelijk zoekt te maken. ik denk hier aan de ongehuwde staat, het monnikendom, de zelfkastijding, het vasten en wat dies meer zij. Het zijn die goede werken waarvan onze Heidelbergse catechismus zegt dat zij op menseninzettingen en op ons goeddunken gegrond zijn en niet op de Wet van God.a Nu gaat de kritiek der hervormers op de werkheiligheid ook nog verder. Zij nemen haar, als zij de roomse kerk verlaten hebben, mee tot in de nieuwe kerken, waarin zij de gemeente verzamelen. Ook daar dreigt het gevaar dat het wezen van de Wet Gods niet recht zal worden verstaan en de strijd tegen de goede werken, als grond voor de geloofsverzekerdheid, is er een dagelijkse aangelegenheid. Maar ook dan trekt men meestal hoofdzakelijk te velde tegen de dingen die vergelijkenderwijs toch nog meer aan de buitenkant liggen en denkt men minder aan het gevoels- en denkleven van het geloof. Zo komt het dat, met name in de gereformeerde kerken, de strijd tussen deze beide helften van het geloofsleven niet tot rust komt en er tweeërlei soort nieuwe werkheiligheid ontstaat: de gevoelsheiligheid, die een kenmerk is van de kringen die zich toeleggen op wat zij betitelen met de naam van Nadere Reformatie, en de leerheiligheid, die dikwijls daar gevonden wordt waar men als erfgenamen van de oorspronkelijke Reformatie de orthodoxie voor zich opeist. Deze controverse heeft de gereformeerde kerken lang in beweging gehouden en zij is nog niet geheel tot rust gekomen. Het is de inwendige splitsing van het geloof in een subjectief en een objectief element, die elk voor zich een eigen wet als regel des geloofs opstellen. Het eerste een aantal kenmerken, die het geloofsleven moet vertonen, wil het als echt erkend worden, een zeker gevoelsmethodisme. En het tweede een dergelijk aantal kardinale leerstukken, die vastgehouden moeten worden, wil er sprake kunnen zijn van gegronde hoop op de zaligheid.

Tegen deze 'goede werken' nu, die de gewone gelovige in de roomse kerk zo niet kende, deze meer innerlijke werkheiligheid, is Kohlbrugge opgetreden met het volle gezag van de roeping die hem van Godswege was gegeven. En wel tegen de beide soorten die ik boven beschreef met gelijke kracht. Hij greep daarbij terug op de oorspronkelijke Reformatie, meer bepaald op Luther, die iedere werkheiligheid veroordeelde, ook als zij zich vermomde in de vormen van bevindelijke vroomheid of zuivere orthodoxie.

De kracht nu, waarmee Kohlbrugge zijn verzet tot uiting bracht, deed hem doorstoten tot een punt dat de gereformeerde kerken vooralsnog niet vermochten te beogen. En dat isoleerde hem voorlopig volkomen. Naarmate echter de impasses, waarin deze kerken geraken, groter worden en de wereld daartegenover in haar nood een dringender beroep doet op de kerk, in diezelfde mate komt dat punt meer midden onder ons te liggen en komt de mogelijkheid in het zicht om van daaruit nieuwe lijnen te trekken.

Naarmate de werken des mensen als gronden voor het geloof, uitwendig en inwendig, komen weg te vallen en de waarheid Gods duidelijker als een goddelijke openbaring gezien wordt, blijft er steeds vollediger van de mens alleen de zondaar en de onwetende over. En tevens zal deze afbraak van eigen inwendige heiligheid tot gevolg hebben dat zijn hele bestaan met alle, ook uitwendige delen, zijn hand, zijn voet, zijn armoede en leed, in zijn geloofsverzekerdheid betrokken wordt. De weg des heils zal blijken niet uitsluitend een psychologische te zijn, maar ook een historische baan, waarin alles wat God over ons brengt moet meewerken. De gereformeerde geloofsverzekerdheid gaat uit boven de splitsing in een subjectief en een objectief element; boven de tegenstelling van een methodisme van het gevoel of van het denken; zij zal daar optreden waar de christen zich midden in de zondige werkelijkheid verkoren en geroepen weet tot rechtvaardigheid en heerlijkheid in Christus Jezus.

Dit alles beheersende uitgangspunt is door Kohlbrugges prediking vernieuwd niet alleen, maar met paradoxale donkerheid en helderheid tegelijk naar voren gebracht. En de daarop ingestelde Evangelieverkondiging bezit een innerlijke spanning die kan opwegen tegen de weerstanden waarvan onze tijd is vervuld.

Voor wij een prekenbundel van Kohlbrugge ter hand nemen om hem aan de hand daarvan als kanselredenaar te beluisteren, dienen wij enige aandacht te besteden aan zijn levensgeschiedenis; ook moeten we de tijd waarin hij werkte iets nader bezien. Kohlbrugge was de zoon van een Duitser die in het begin der negentiende eeuw uit Hannover naar ons land overkwam en zich eerst te Edam en later te Amsterdam als zeepzieder vestigde. Het was Hermann Gerhard Kohlbrügge die te Edam in het huwelijk trad met de dochter van een commies bij de rederij, Petronella Teerhuis. Uit dit huwelijk werd een zoon geboren, Hermann Friedrich genaamd. Hij werd gedoopt in de hervormde kerk te Amsterdam. Evenals bij Kierkegaard was de invloed van de vader op het kind overwegend, terwijl daarnaast de omgang met zijn grootmoeder, Anna van der Horst te Edam, zeer diepe indrukken bij hem heeft nagelaten. Zij is het geweest die hem van jongsaf liefde voor de gereformeerde kerk heeft ingeboezemd en van hem een Nederlander maakte. Een oogziekte, die twee jaren duurde, sloot hem op in de huiselijke kring; dit bracht zijn innerlijk leven vroeg tot ontwikkeling. Het verkeer met de ernstige vader in een sombere omgeving deed in zijn geest een sterke fantasie opbloeien; veel herinnert hier aan wat ons bekend is van de omgang tussen Kierkegaard en diens vader bij wandelingen in de huiskamer.

Pas op zijn zestienjarige leeftijd was zijn vader in staat hem te laten studeren. Hij liep de latijnse school af en werd ingeschreven als leerling van het athenaeum te Amsterdam. De oosterse talen hadden zijn voorkeur. Tijdelijk kwam hij onder de sterke bekoring van Latijnse en Griekse klassieken en het scheen dat zijn belangstelling in humanistische richting zou gaan. Maar de dood van zijn vader, tegelijk met het falen van diens zaak, waardoor de familie tot armoede verviel, brachten in hem de indrukken van zijn eerste jeugd weer tot doorbraak. Men kan dit de eerste bekering van Kohlbrugge noemen. Zij droeg een persoonlijk karakter. Later heeft hij nog een opmerkelijke wending in zijn leven doorgemaakt. Deze tweede bekering, die een ambtelijke moet heten, valt in het jaar 1833 te Elberfeld en brengt hem zijn roeping tot de eigen prediking, die hem een plaats geeft onder de kerkelijke klassieken. Ook de eerste hangt echter reeds samen met zijn ambt. Zij vindt plaats onder de invloed van het overlijden van zijn vader, maar meer bepaald naar aanleiding van de voorbereiding voor zijn eerste optreden op de kansel, waarbij hij zou spreken over Romeinen 5 : 1.

Kohlbrugge werd als proponent verbonden aan de Hersteld Lutherse Gemeente, een bolwerk van lutherse orthodoxie. Zijn vader had tot die gemeente behoord. Zijn proponentspreken trokken al dadelijk de aandacht, omdat hier van het begin af geleerd werd dat de christen als goddeloze gerechtvaardigd moet worden. Het grondmotief voor Kohlbrugges Evangelieverkondiging werd al dadelijk aangeslagen. Zulk een toon was op het eind van het eerste kwartaal der negentiende eeuw ook in deze gemeente ongewoon. Kohlbrugge ging reeds toen tegenover de latere lutherse dogmatiek zoveel mogelijk op Luther zelf terug. Men schold hem voor calvinist en gereformeerde.

Een aanklacht die de vurige jonge dominee bij het college van vertegenwoordigers in de gemeente inbracht tegen een veel oudere gevestigde predikant heeft toen geleid tot zeer onverkwikkelijke geschiedenissen en verhoudingen. Ik zal daarover hier niet uitweiden. Dit college, waarvan onze hulpprediker aanvankelijk steun ondervond, liet hem later tegenover de kerkeraad in de steek. Het dorst tegen de tijdgeest in dit enge milieu niet op te tornen. Wat daartoe behoorde, weet men, als men zich ervaringen van Da Costa e.a. en van de Afgescheidenen herinnert. De moeilijkheden leidden er toe dat Kohlbrugge als proponent werd afgezet. Hij onderwierp zich. Onder zeer armoedige omstandigheden - hij kreeg soms in lang geen middagmaal - verhuisde hij naar Utrecht om daar te promoveren. Hij had zijn vader op diens sterfbed beloofd dat hij dit zou doen. Hier woonde hij bij een mandenmaker in de Donkere Gaard en hij leefde daar 'uit de hand des Heren'.b Dr. J. H. F. Kohlbrugge, kleinzoon van onze theoloog, vertelde aan dr. J. van Lonkhuyzen, aan wiens proefschrift ik de bijzonderheden uit Kohlbrugges leven hoofdzakelijk ontleen, dat hij eens geen pen meer had om aan zijn dissertatie te werken. Hij zuchtte tot God en vond aanstonds een nieuwe pen op straat.c Hij promoveerde met lof op een verhandeling over Psalm 45 die hij tegen de opvattingen der faculteit in op Christus en zijn kerk liet slaan.d

Kohlbrugges promotie had voor hemzelf nog een verheugend gevolg. Hij was verloofd met Catharina Louise Engelbert, maar kon van haar voogd geen toestemming krijgen tot een huwelijk. Deze verbood Kohlbrugge zijn huis en zette het meisje op de dag van haar meerderjarigheid op straat, wat ons een indruk geeft van de felheid waartoe de kerkelijke verschillen in die dagen aanleiding gaven. Haar verloofde bracht haar toen bij haar grootmoeder die eveneens tegen het huwelijk was. Op de dag der promotie echter - het was 4 juni 1829 - gaf zij haar toestemming. Kohlbrugge heeft later in een gedenkschrift het gesprek dat op die dag tussen de beide vrouwen gevoerd werd meegedeeld en het is te aardig om het hier niet op te nemen. De grootmoeder vroeg: "Zeg toch, Cato, wat doet Kohlbrugge eigenlijk?" "Wel, hij verdedigt Psalm 45." "Hoe legt hij die Psalm uit?" "Van Christus en zijn bruid." "En willen zij dat niet aannemen?" "Neen, dat willen zij niet voor geldig verklaren, zij willen hem laten zakken." "Wat denkt gij, zou hij er door komen?" "Ja zeker!" "Nu, als hij als doctor terugkeert, dan kunt gij hem gelukwensen en hem zeggen, dat gij moogt trouwen, want als hij Christus en zijn bruid zo verdedigt en zich hunner niet schaamt, dan schaam ik mij zijner ook niet."e

Op 30juli 1829 vond het huwelijk plaats.

Hiermee is de eerste periode van Kohlbrugges leven afgesloten. Men kan haar de Amsterdamse noemen. Tevens is zijn lutherse tijd daarmee beëindigd. Want onder zijn studie, zo schrijft hij zelf, was hem de waarheid der gereformeerde belijdenis duidelijk geworden.f Wij hebben reeds eerder gezien dat hij in zijn preken als proponent reeds zoveel mogelijk de gereforneerde zijde had gekozen, in aansluiting aan de oorspronkelijke reformatorische opvattingen bij Luther. Thans snijdt hij het tafellaken tussen zich en de lutherse kerk geheel door en vraagt hij te Utrecht, waar hij na zijn huwelijk een eigen woning betrok, als lidmaat der hervormde kerk te mogen worden aangenomen.

Deze aanvrage is uitgangspunt geworden van een lijdensgeschiedenis, die Kohlbrugge zelf beschreven heeft in een publikatie, getiteld Het lidmaatschap bij de Hervormde Gemeente hier te lande mij willekeurig belet. Wij zullen hier niet ingaan op de vele verwikkelingen waartoe deze aanvrage leidde. De moeilijkheden duurden van februari 1830 tot november 1832. Zij maken deel uit van de in vele opzichten weinig fraaie geschiedenis der onverdraagzaamheid van het Nederlandse liberalisme. De ervaringen die Kohlbrugge hier opdeed, deelde hij met een groep mannen en vrouwen, wier geestelijk leven men gewoonlijk aanduidt met de naam: het Réveil. Ik noem hier slechts Da Costa, Groen van Prinsterer, Willem de Clercq, Capadose. De vurige Isaäc da Costa, een afstammeling van Portugese Joden, was in deze tijd het middelpunt. Een leerling of vriend van Da Costa te zijn werd in grote kringen in den lande beschouwd als een blaam, waaraan men zich niet gaarne blootstelde. Men schold deze kring de nachtschool, omdat men zich tegenover de heersende verlichte denkbeelden beriep op oude waarheden, die de Schrift leerde en die door de kerk steeds waren beleden.

In deze kringen was Kohlbrugge reeds geen onbekende, toen hij luthers hulpprediker was te Amsterdam. Men kerkte bij hem. Ten huize van Da Costa ontmoette hij ook Willem de Clercq, op wie hij in latere jaren in steeds toenemende mate invloed zou uitoefenen. De Clercq, de bekende dichter-improvisator, had een zeer gevoelige, tot melancholie neigende natuur en de omgang met de met geestelijke volmacht optredende prediker der vrije genade heeft in zijn leven menige angstige crisis gebracht. Het door Allard Pierson uitgegeven uittreksel van De Clercqs Dagboek geeft daarvan overvloedig bewijs. De 'tale Kanaäns', met haar oudtestamentische, aan de profeten ontleende krachttermen en troetelnamen, deed de fijnbesnaarde literator aanvankelijk wel vreemd aan,g maar hij boog zich toch telkens weer voor de diep-indringende kennis die Kohlbrugge van het menselijk hart bleek te bezitten. Omgekeerd heeft deze door de omgang met de in de Nederlandse historie en literatuur zeer belezen vrienden uit de school van Bilderdijk een grote liefde voor ons vaderland opgevat. Dit versterkte de invloed die zijn grootmoeder te Edam, Anna van der Horst, op hem had uitgeoefend. Door deze kringen werden talrijke 'oefeningen' gehouden, stichtelijke bijeenkomsten, waarbij Kohlbrugge soms voorging. Het kenmerkte deze tijd dat in zulke bijeenkomsten door het publiek en ook wel door de overheid met geweld werd ingegrepen. Het was aan de vooravond van de Afscheiding van 1834. Wij zagen reeds hoe aan Kohlbrugge het lidmaatschap der hervormde kerk niet werd gegund. Diens brochure daarover gaf in de vriendenkring aanleiding tot verschil van gevoelen. Enerzijds kwam zijn persoon daardoor meer dan ooit in het middelpunt te staan, doch anderzijds vreesde men dat een gemeenschappelijke actie in dezen tot een kerkelijke breuk zou kunnen leiden. Da Costa was aanvankelijk zeer geneigd iets te ondernemen, doch de meeste vrienden bleven behoedzaam en deze omstandigheid werd voor de dichter aanleiding Kohlbrugge voor afscheiding te waarschuwen. Zulk een gereserveerde houding vond bij deze laatste geen gereed onthaal en hij liet dit in een hooghartige brief aan Da Costa geducht merken, waardoor deze eveneens tot grotere terughoudendheid werd genoopt. Hier begint de verwijdering tussen Kohlbrugge en de vrienden van het Réveil; het conflict tussen de man die zichzelf als een van God gezondene beschouwt, en de kerkelijke orthodoxie, waarover ik in het begin van dit artikel gesproken heb.

Het is volkomen begrijpelijk dat Kohlbrugge verbitterd was over de houding van zijn Amsterdamse vrienden. Hij had het opgenomen voor de oude waarheid tegen het nieuwe licht. Hij had daarvoor zijn recht om te prediken zich zien ontnemen in de lutherse kerk. En thans was hem, die zich als prediker heel bijzonder geroepen voelde en wiens hele levenswerk in preken zou bestaan; de man wiens kanselwerk honderd jaar later in de gereformeerde wereld nog meer gezocht zou zijn dan toen het voor het eerst door hem werd voorgedragen, - deze man werd nu zelfs de toegang tot het lidmaatschap van een hervormde kerk ontzegd. En nu liep de Nederlandse orthodoxie niet te hoop, maar hield zich min of meer schuil en bepaalde zich tot persoonlijke sympathiebetuigingen.

Daartegenover staat dat men deze houding der vrienden moet zien in het licht van de komende dingen. Het jaar dat volgt op Kohlbrugges geschrift over zijn aanvrage om het lidmaatschap is dat van de Afscheiding. En daartegenover heeft zelfs Kohlbrugge zich met de vrienden mee na enige aarzeling afzijdig gehouden. Er zou voor de volmachtsprediker geen plaats geweest zijn in deze gesepareerde kerk, zoals de geschiedenis trouwens honderd jaar later bewezen heeft. Zijn kritiek op de gereformeerde orthodoxie zou niet verdragen zijn. Het doortrekken van zijn achterafzetting van de 'goede werken' tot op de leerheiligheid zou de algemene afkeuring hebben verwekt. Kohlbrugge heeft dit zelf gevoeld, toen hij weigerde met de Afscheiding in 1834 mee te gaan. En de vrienden te Amsterdam en elders, die uit vrees voor afscheiding minder warm liepen dan hij wenste, hebben hem daardoor een onbewuste hulde gebracht; in ieder geval hebben zij meegewerkt om de plaats, die Kohlbrugge nodig had voor zijn zending en getuigenis, voor hem open te houden. Want deze prediker had een volkskerk nodig waarin zijn stem ver genoeg droeg om op de naakte werkelijkheid van het leven te stoten. Dat geluid wilde de schare bereiken, die de Wet niet weet, en die, op de zool van het leven, niet weet van de deugd der leerheiligheid.

De waarheid van deze stelling wordt in Kohlbrugges leven gecamoufleerd en verduidelijkt beide door het feit dat de omstandigheden hem dwongen, evenals Calvijn te Genève, een soort vluchtelingengemeente te bedienen. In dezelfde richting wijst ook het feit dat zijn volgelingen in de volkskerk een halve eeuw lang, wat ik zou willen noemen, een schuilkerk hebben gevormd. In deze dingen ligt een bevestiging van wat ik daareven zei. Kohlbrugge had een kansel nodig vanwaar hij zich tot de wereld kon richten en degenen die zijn woorden als zuiver goud bewaarden, wachtten op de dag waarop dit mogelijk zou blijken.

Maar keren wij terug tot de woning van de ambteloze, afgezette proponent te Utrecht. Hij is nog eenzamer geworden. Op 12 februari 1833 stierf de huisvrouw. Zij liet haar man twee zonen na.

De nood, die deze ervaring voor Kohlbrugge meebracht, gepaard met de vijandschap die hij van hoog en laag te verduren had, deden hem besluiten een buitenlandse reis te maken, mede tot herstel van zijn geschokte gezondheid. Men vreesde dat de tering, die zijn vrouw ten grave had gesleept, ook zijn gestel zou slopen. Zo kwam hij, betrekkelijk toevallig, maar ongetwijfeld door goddelijke leiding, naar Elberfeld, de plaats waar hij zijn levenswerk zou vervullen.

Toch was het Gods tijd nog niet. Het was toen de zomer van het jaar 1833. En het zal nog tot 9 mei 1848 duren, voor Kohlbrugge in de toch nog afgescheidene Nederlands Gereformeerde Gemeente te Elberfeld door handoplegging van ouderlingen als dienaar des Woords wordt ingezegend. Het is een wonderbare weg die deze prediker moest gaan. Er zullen nog twaalf lange Utrechtse jaren moeten verlopen, voor hij zijn levenswens zal verkrijgen en een eigen kansel tot zijn beschikking zal hebben. En ook dan zal er nog geen collega zijn die hem tot zijn dienstwerk inleidt. Men zal overal naar zo iemand zoeken, Kohlbrugge zelf ook, in de staatskerk, aan het hof, in Zwitserland, Engeland, Schotland, maar hij zal nergens te vinden zijn. En dan zal een eenvoudige ouderling het formulier lezen.

Thans in 1833 is het nog zover niet. Kohlbrugge moet eerst ook nog van de kansels der Duitse gereformeerde kerken worden geweerd en twaalf ambteloze jaren in een moeilijke verhouding tot de Hollandse orthodoxie leven. Maar onder dat alles zal hij op bijzondere wijze in zijn buitengewoon ambtsbewustzijn bevestigd worden. Laten wij zien hoe dat in zijn werk ging.

Het Wuppertal vormde in de Duitse gereformeerde kerk betrekkelijk een oase. Hier was in tegenstelling met vele andere streken nog innig christendom onder de bevolking overgebleven. Toen Kohlbrugge hier in de zomer van 1833 aankwam, kreeg hij dadelijk gelegenheid om te preken. Hij kwam op goede voet te staan met de Elberfeldse predikanten. Zijn prediking trok veel mensen. Het is toen geweest dat er een merkwaardige gebeurtenis in zijn leven plaatsgreep. Kohlbrugge heeft zelf in een brief medegedeeld hoe hij, wat hij noemt, openbaring van God en van Christus zich zag vermenigvuldigen en zich in de nacht herhalen. De eerste maal met de woorden van Romeinen 7 : 14; de tweede keer met Jesaja 55. De eerste keer werd hem Gods gerechtigheid geopenbaard; de tweede maal zijn eigen ongerechtigheid.h

Deze ervaring kan men vergelijken met de roeping van een profeet. Zulke belevenissen komen ook voor bij buitengewone figuren op ander gebied. Een der grondleggers van de nieuwe mathematische natuurwetenschap, Descartes, vertelt in een klein geschrift dat hij Olympica noemde, van een droom waarin hem, nadat hij een hele winter in diepe afzondering zich met zijn vak had bezig gehouden, een der hoofdbeginselen van zijn studie werd geopenbaard.i Wat Kohlbrugge in 1833 te Elberfeld wedervoer, had voor zijn prediking een even beslissende betekenis. Dit merkwaardige gebeuren hield wel degelijk verband met wat er aan vooraf ging. Het vond plaats nadat hij van zijn eerste prediking af reeds op buitengewone wijze tegen zijn hele omgeving in de nadruk gelegd had op het absoluut karakter van Gods genade, zodat het de zondaar is die door God gerechtvaardigd wordt, zonder dat deze ook maar iets bezit wat zijnerzijds een grond kan zijn voor die goddelijke genade. Deze leer der vrije genade was de oorzaak geweest van al zijn moeilijkheden; van zijn afzetting als proponent; de sabotage van zijn lidmaatschap der hervormde kerk; de verwijdering tussen hem en de Nederlandse orthodoxie; de haat die het liberalisme van het begin der negentiende eeuw hem toedroeg; de scheldwoorden en ergere dingen die hem op straat werden nageworpen; van zijn ambteloosheid en misschien ook mede van de dood van zijn vrouw. En nu komt te Elberfeld, terwijl hij in de ruimte komt, terwijl de harten voor hem opengaan en de kansels hem worden afgestaan, de kennelijke bekrachtiging van zijn roeping. Zij is zo sterk en zo klaar dat het hem voorkomt alsof hij haar voor het eerst hoorde en zij geeft hem een nog veel dieper inzicht in de te prediken waarheid, die zijn eigen geloofsoefening nog eens weer opnieuw tot verwerpelijke werkheiligheid stempelt. "Ik zag een Lam ter rechterhand der Heerlijkheid", zo schreef hij aan een Hollandse vriend, "en daar heb ik afstand gedaan van de wet, van alle heiligheid, van al mijn weten van goed en kwaad, van mijn wedergeboren, bekeerd, vroom zijn, van mijn God kennen, God beschouwen, van alle Godsvrucht, van alles wat vlees heeft en geeft en werkt - en nu is mijn enig heil in de hoogte en in de diepte: met ons God."j Dit beloofde Kohlbrugge aan allen die het horen wilden te zullen verkondigen. En hij deed het. Hij preekte te Elberfeld met zoveel kracht dat hij er een bloedspuwing van kreeg. Maar Kohlbrugge bleef in zijn element en preekte door. En als door een wonder gaf dit preken hem zijn krachten terug.

De boodschap die hij had te brengen, heeft de Elberfeldse gastprediker neergelegd in een historische leerrede, waarop hij later telkens terugkomt en die hij met al het gezag, waarover hij kan beschikken, aan zijn tijdgenoten oplegt.k De tekstwoorden luiden als volgt: "Want wij weten, dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde" (Rom. 7 : 14). Kohlbrugges grote ontdekking was dat er achter het woord 'vleselijk' een komma stond. Paulus en alle gelovigen met hem bleven, omdat zij vleselijk waren, tegenover de Wet van God, die geestelijk is, staan. Zij konden met de Wet niets aanvangen. Kohlbrugge waagde de uitspraak dat die Wet hem een lijk geworden was. Men moest ophouden met eigen werk, want goddelozen en niet-heiligen werden door God gerechtvaardigd.

Deze gedachten zal hij ongeveer tien jaar later in een overdenking van Mattheüs 1,l waar de afstamming van Jezus naar het vlees ons is medegedeeld, in de gestalten van de wonderbare oudtestamentische bijbelheiligen, zoals Rebekka, Tamar en Rachab, uitbeelden. Men moet om Kohlbrugge te kunnen waarderen en beoordelen dit geweldige geschrift kennen. Het bleef tot zijn dood toe zijn eigen geliefkoosde lectuur. Het bevat een psychologie des geloofs die uitgaat boven wat wij gewoonlijk zielkunde noemen en herinnert sterk aan sommige van de beste bladzijden uit Kierkegaards Angst. Kohlbrugge heeft daar getoond welk een plastisch denker hij kon zijn en hoe hij zijn taal wist te kneden.

Deze machtige prediking die te Elberfeld steeds grote toeloop vond, wekte echter ook daar spoedig tegenspraak. Toch wenste men hem voor de Duitse gereformeerde kerken te behouden en was werkzaam om hem tot de bediening toegelaten te krijgen. De zaak had echter geen voortgang, omdat Kohlbrugge door een heftige aanval op een collega de gemoederen min of meer tegen zich innam. Volgens anderen, omdat de Pruisische regering hem weerde. Hij keerde naar Nederland terug.

Zijn gastheren te Elberfeld waren hem reeds vooruit gegaan en hadden weinig instemming gevonden. Vooral Da Costa maakte zich in een brief aan Kohlbrugge tot tolk van de ontevredenheid. Hij meende dat deze het derde stuk van de Heidelbergse catechismus verwaarloosde en zo ook het werk van de Heilige Geest in de gelovigen. Deze briefwisseling en de gesprekken die bij andere Amsterdamse vrienden gehouden werden, leidden steeds meer tot een breuk, die Kohlbrugges positie in de orthodoxie hoe langer hoe eenzamer maakte. Hij beriep zich vooral op sommige kernachtige uitspraken van Luther en op zijn eigen roeping en zending. Zijn preek over Romeinen 7 : 14 moest waarheid worden. Met name tegenover Da Costa, wiens brief hij beantwoordde, sprak hij zeer uit de hoogte.m Kohlbrugge zag in vele vrienden van het Réveil theologische dilettanten en inderdaad was de theologische bezinning niet de sterkste zijde van deze beweging. De scheiding berustte echter niet op een misverstand, maar hierop dat in Kohlbrugges prediking motieven aanwezig waren die nog niet konden aanslaan bij de toenmalige gesteldheid van het kerkelijk bewustzijn. De felheid en betrekkelijke eenzijdigheid van deze Evangelieverkondiging is behalve uit Kohlbrugges aanleg en aard en uit zijn levenservaring en isolement, die op hun beurt weer een gevolg waren van zijn prediking, vooral hieruit te verklaren dat hij een wereld nodig had waarop de hardheid van zijn paradoxen kon stoten. Wanneer hij later in Elberfeld meer dan vijfentwintig jaar lang een eigen gemeente zal hebben, wordt zijn prediking meer harmonisch, zijn houding meer pastoraal, zijn beoordeling zachter, zijn wetsbeschouwing iets positiever. Maar toch slechts zeer ten dele. Elberfeld heeft hem ook in die vijfentwintig jaren niet tot haar gevangene kunnen maken. Heimelijk smeulde in zijn ziel het onuitblusbare verlangen naar een volkskerk, waarin zijn woord als een hamer op de steenrotsen zou kunnen beuken. Dit verlangen komt tot uiting in sommige inconsequenties in Kohlbrugges leven, die wij anders als een niet geheel zuiver utilisme zouden moeten doodverven. Ik denk aan zijn overgang van de lutherse naar de hervormde kerk; aan zijn weifelen tegenover de Afscheiding; aan het feit dat hij in 1846 te Elberfeld toch een afgescheiden gemeente constitueerde. Ook hieraan dat hij zich, voor hij tot stichting daarvan overging, tot lid van de Evangelisch Gereformeerde Kerk te Elberfeld liet aannemen en daarmee het recht van een afgescheidene feitelijk ontkende. Ook aan de kennelijke vreugde waarmee hij bij gelegenheid in de grotere kerken in Duitsland en ten onzent als prediker optrad; daar voelde Kohlbrugge zich op zijn plaats en in zijn ware element.

In 1834 was in ons land niets van dit alles mogelijk. Hij was op vriendenkringen aangewezen en zijn geweld had in deze 'oefeningen' geen ruimte en geen materiaal. De confessionele leerstelligheid was hem te evenwichtig en, het hoge woord moet eruit, te burgerlijk. Zijn woord zocht om zielen in nood, om mensen in ellende. Voor de hoogheid van zulke zielen boog zich zijn trotse geest en dan werd zijn hardheid tot barmhartigheid. Ik wil, ter illustratie van dit laatste, hier een passage afschrijven uit een preek die voorkomt in de bundel die ik mij voorgenomen heb in dit artikel uitvoeriger te behandelen. Het is aan het slot van een paaspreek, dat Kohlbrugge het volgende vertelt:

"Voor vijftien jaren kwam tot mij een koningin; zij woonde hier in het dal, in een zeer armoedige woning. Ach, zij was zo doodkrank, zo versaagd, zo vervuld met hardnekkig ongeloof, dat ons hart daarover brak. Had zij, in plaats van een ledig graf, het lichaam des Heren kunnen vinden, het dode lichaam, zij had nog geloofd dat Jezus zou bestaan; maar dewijl zij niets zag dan zonden en wederom zonden, niets dan dood en ondergang, zo meende zij ook, dat Jezus hier of daar door de duivel in een kuil bedolven was. Ik, die zo dikwijls ook in dat gasthuis krank had gelegen, dacht: die goede, onnozele vrouw! waarom zoekt zij toch de Levende bij de doden? Jezus is immers opgestaan, zij heeft immers haar zonden en nood niet meer, zij heeft immers louter vrijheid en gerechtigheid; en spoedig wordt zij naar huis gehaald; wat zal zij dan grote ogen opzetten en zeggen: ik onverstandige en trage van harte, dat ik zulks niet heb geloofd! Welke raad zou ik haar geven? 'Een verslagen geest, wie zal die opheffen?' (Spr. 18 : 14). Zij had spijze in een doek gewikkeld. "Vrouw, wat hebt gij daar in die doek?" vroeg ik. Zij zei het mij. Toen hernam ik: "Dat kan ik niet zien!" en zodra ik dit gezegd had: "Ik kan het niet zien", verdween zij in één oogwenk. Na enige dagen kwam zij weder: "De Here is opgestaan!" Ik: "Hoe weet gij dat?" Hierop antwoordde zij: "Door uw woord: 'Ik kan het niet zien', werd ik bestraft, verschrikt; - ik heb gekermd, geschreid, niet afgelaten en hier is nu zijn profetisch woord: Hij is opgestaan! - Jezus leeft en met Hem leef ik ook!"n

Er is veel bijbel in dit verhaal, niet alleen naar de letter, naar de stijl ook, maar bovenal naar de geest. Daarin is de eenvoud van het Evangelie en de zaligspreking van de armen van geest. Het moet in 1833 te Elberfeld geweest zijn dat hij deze gesprekken hield. Hij was toen nog ambteloos, maar hier blijkt dat hij van Godswege het ambt om zielen te leiden reeds ontvangen had, de macht om met een enkel woord in de geheimste schuilhoeken van het hart binnen te dringen en de olie des Geestes te gieten over de wonden der ziel; vonken aan te blazen die onder de as gloeiden. Deze Elia is tegelijk een Eliza.

Dit is Kohlbrugges ambt gebleven, toen hij in 1834 naar Nederland terugkeerde en nog eens twaalf ambteloze jaren, schijnbaar in nietsdoen, te Utrecht moest doorbrengen. Steeds meer vervreemd van zijn Hollandse vrienden oefent hij het ambt van zielszorgen uit door middel van zijn omvangrijke briefwisseling, die de tegenhanger vormt van zijn preken. Kohlbrugge toont daarin de eigenschappen van een biechtvader en herinnert daarmee sterk aan sommige figuren uit de kring van Port-Royal: Saint-Cyran, Singlin, De Sacy,2 die eveneens predikers der absolute genade waren en een wondere kennis hadden van het menselijk hart. Enkelen, wier geweten door Kohlbrugge werd geleid, moeten hier even worden genoemd: de beide De Clercqs, Willem en Stephen; Westendorp, een zwager van Willem; Twent en Van Heumen.3

De verhouding tot Willem de Clercq is ons in vele bijzonderheden bekend uit diens door Allard Pierson uitgegeven Dagboek, waarbij Van Lonkhuyzen in zijn dissertatie nog een en ander gevoegd heeft uit de onuitgegeven gedeelten en uit het archief der familie. De Clercq was een in handels- en andere kringen te Amsterdam vooraanstaand man. Hij was secretaris van de Nederlandse Handelmaatschappij. Hij gaf in de Nederlandsche Stemmen zijn Beschouwingen; door zijn algemene belezenheid en zijn historisch en psychologisch inzicht was hij hiervoor de aangewezen persoon. Er is een treffend contrast tussen de harde, steeds op hetzelfde aambeeld slaande prediker Kohlbrugge en de gevoelige, veelzijdige dichter-zakenman. De Clercq wordt beurtelings afgestoten en aangetrokken door de absolute, doorstotende oordelen van Kohlbrugge. Deze kan zich niet vinden in zulke wereldbeschouwende uiteenzettingen; evenmin trouwens als hij dat kan in de antirevolutionaire beginselen van Groen van Prinsterer. Hij zag ook geen heil in het bekende Adres aan de synode van de zeven Haagse heren, omdat hij het verschil met hun tegenstanders alleen kon ontdekken in 'aangenomen vormen van leerstellige bepalingen'.o In een brief aan Stephen de Clercq somt Kohlbrugge ironisch de punten op die op de rij af in een orthodoxe preek voorkomen. Eerst iets over de Wet, dan over de zonde, vervolgens komt Christus en daarbij iets over de verkiezing en dan is men wel in Hem volmaakt, maar dan komt er nog wat achteraan over de Heilige Geest, waarmee wij dan zelf wat goed doen.p Kohlbrugge was overtuigd dat het eigenlijke denken en doen van een mens daarbij door het Woord Gods niet voldoende geraakt werd en dat er haarden van zonden met rust werden gelaten, zodat ook het geloof in Christus niet tot volledige overgave kon komen. Toen De Clercq met Kohlbrugge in aanraking kwam, had hij natuurlijk moeite met deze kritiek die op alle uitingen van het Réveil werd geoefend. Wij hebben reeds opgemerkt dat daarvoor in die dagen publiekelijk eigenlijk nog geen plaats was en dat Kohlbrugge daardoor zijn werkzaamheid hoofdzakelijk tot persoonlijke zielszorg beperkt zag. Het merkwaardige van het geval bij Willem de Clercq is nu dat wij bij hem getuigen zijn van het ontstaan van zulk een verhouding. Zijn Dagboek laat ons zien dat hij steeds meer bereid is het Woord, zoals Kohlbrugge dat brengt, door zijn beschouwende levenshouding te laten heenbreken om de achtergronden van zijn bestaan te raken.

Dit gaat weliswaar niet voetstoots. Soms vraagt hij: "Is dit Gods Woord of des satans? Is Kohlbrugge een profeet of een razende?'q Er was reden voor zulke vragen. Want deze zielszorger had in zulke gevallen een hardhandige methode, die bij de Amsterdamse patriciër telkens de behoefte deed ontstaan de persoon en het woord van Kohlbrugge te onderscheiden. Toch scheidde hij die beide niet. Hij noemt hem soms wel hoogmoedig, maar ziet toch ook duidelijk waarin het geheim van zijn invloed gelegen is. De Clercq schreef in 1842 toen hij, twee jaren voor zijn dood, reeds sterk onder Kohlbrugges invloed stond: "Hij heeft de kunst van ... stilzitten, maar heeft juist daardoor een sterke magnetische kracht."r Dit is een van de diepe woorden, zoals er meer bij De Clercq te vinden zijn. Pierson vergelijkt hem ergens met Pascal - en het bewijst dat ook hij de ambteloosheid van deze prediker aanvoelde als samengedrukte kracht die verhinderd was op breder veld te werken. Het geweld, dat zijn leiding der zielen kenmerkte, was mede het gevolg van de omstandigheid dat zijn prediking nog bijna een eeuw moest wachten voordat zij haar eigen gehoor vond.

Vele tere zielen hebben daaronder geleden: in het bijzonder die van Willem de Clercq. Des te meer eert het deze fijne geest dat hij in onderscheiding van de meesten uit de kringen van het Réveil de prediking van Kohlbrugge herkende in haar eigen orde. Eveneens in 1842 tekent hij aan, na lezing van extracten uit Kohlbrugge: "Waarlijk, er is een diepte bij hem, die ik nergens vond",s en later: "Dat is het treffende van de waarheid, zoals hij die stelt, dat zij niet nagemaakt kan worden, dat men er in moet zijn om die te kennen of te erkennen. Daarom werpen wij haar telkens ook weder met kracht terug. Wij gevoelen zo: de ziel wil er niet aan in een positie van telkens en altoos schuldig te zijn."t Ik zie in dit citaat een bewijs daarvoor dat bij De Clercq de tegenstelling van subjectivisme en objectivisme, die in die tijd de orthodoxie beheerste en nog lang beheersen zal, reeds als foutief is herkend. Kohlbrugge is noch het een, noch het andere. Het is de hoofdfout van de dissertatie van Van Lonkhuyzen dat hij de prediking van Kohlbrugge tussen die beide polen laat oscilleren. Deze neemt echter zijn standpunt daar, waar subject en object elkaar gevonden hebben. Men moet er in zijn, zoals De Clercq het noemt, om de waarheid, zoals Kohlbrugge die stelt, te kennen.

Willem de Clercq bleef, hoewel hij steeds meer onder de invloed van de Utrechtse theoloog kwam, tot zijn dood in 1844 onzeker. Zijn broer Stephen echter had zich geheel aan Kohlbrugges leiding toevertrouwd. Een rijke collectie brieven geeft daarvan getuigenis. In zulke gevallen kan de biechtvader vol tederheid zijn ofschoon hij ook de roede niet spaart. Tussen de beide gezinnen bestond een zeer innige verhouding. Zulk een leerling en vriend was ook de Delftse onderwijzer Van Heumen. Ook hiervan getuigen een groot aantal brieven over een tijdvak van zevenendertig jaren.

Kohlbrugges verblijf te Utrecht eindigde in 1846. De jaren 1834 tot 1846 werden volkomen ambteloos doorgebracht. Persoonlijk genoot hij van een gelukkig huiselijk leven. Hij was in 1834 hertrouwd met baronesse Van Verschuer uit Nijmegen. Publiceren deed hij in deze tijd heel weinig. Hij las en schreef brieven. Het is een merkwaardige periode in het leven van een man die men tot de kerkelijke klassieken kan rekenen. Wij herinneren ons echter De Clercqs fijne opmerking dat deze kunst van stilzitten hem een sterke magnetische kracht gaf.

De directe aanleiding tot het afbreken van zijn verblijf te Utrecht was het feit dat een benoeming tot hoogleraar in de oosterse talen te Leiden hem ontging. Wel prijkte zijn naam op de voordracht, doch men wilde hem niet. Zijn gezondheid leed daaronder.

Weer zocht Kohlbrugge herstel over onze oostergrenzen. En weer werd hij daar geprikkeld tot levendige activiteit. Hij logeert te Godesberg, catechiseert en publiceert. Maar hij wordt onweerstaanbaar naar Elberfeld getrokken. Met enkele vrienden daar woonachtig, de Von der Heydts,4 zal hij beproeven de gereformeerde kerk te bevrijden van de Agenda, een door de koning van Pruisen voorgeschreven liturgie, die in 1835 in het Rijnland was ingevoerd. Men kan deze kerkelijke geschiedenissen en de pogingen die Kohlbrugge ondernam om de kerk in het Wupperdal vrij te maken bij Van Lonkhuyzen uitvoerig beschreven vinden en het zou ons te ver voeren er hier een resumé van te geven. Ik herhaal hier alleen, wat ik reeds eerder heb aangestipt in ander verband, dat Kohlbrugge, terwijl hij de leiding had van een kleine groep afgescheiden malcontenten, toch lid werd van de kerk onder de Agenda, tot ontsteltenis van de zijnen. Vooraf had hij met de kerkeraad van de officiële gemeente bevredigende besprekingen gehad over zijn opvattingen inzake de leer. De bezwaarden zagen daarin natuurlijk een soort verraad aan hun standpunt. Kohlbrugge had echter in stilte naar Berlijn geschreven om dispensatie van de Agenda te verkrijgen voor Elberfeld. Dit werd geweigerd en toch preekte en catechiseerde hij door onder de afgescheiden groep, die snel toenam. Als lid der gemeente onder de Agenda werd hij, zoals te verwachten was, gewezen op het onrechtmatige daarvan. Kohlbrugge heeft zich daaraan niet gestoord en vroeg thans met de bezwaarden om des gewetens wille verlof tot het stichten van een eigen gemeente, waarin hij daarna door handoplegging van ouderlingen werd ingezegend. Het was de Nederlands Gereformeerde Gemeente te Elberfeld, die hij van april 1847 tot zijn dood in 1875 heeft gediend.

Kohlbrugges kerkelijke politiek bij deze gelegenheid is niet fraai te noemen. Zij vertoont de inconsequenties en ook onoprechtheden, het schikken van de middelen naar het doel, die op andere plaatsen en in andere tijden eveneens bij kerkelijke verzetsbewegingen zijn op te merken geweest.

Kohlbrugge staat dan eindelijk in het ambt, zij het in een, tot op zekere hoogte, zelf geschapen ambt. Hij, die de Afscheiding in Nederland had veroordeeld, is nu toch predikant in een afgescheiden gemeente. Hij heeft het stilzitten eraan gegeven en gaat zelf tot kerkformatie over. Hoe moeten wij daarover oordelen?

Kohlbrugge had, zoals wij telkens gelegenheid hadden op te merken, zeer bijzondere gaven en een buitengewone roeping. Deze roeping is gebleken van historische aard te zijn. Hij was bestemd met zijn prediking internationaal te werken. Na zijn dood nog veel meer dan bij zijn leven. Ook zou de theologie mede door zijn invloed ingrijpende veranderingen te zien geven, een halve eeuw na zijn dood. Dit alles zou betekenis verkrijgen ook voor het toekomstige politieke en sociale leven en voor het cultuurleven in het algemeen.

Deze merkwaardige man was door de factoren die het denken en doen van zijn tijdgenoten bepaalden, alsmede door karaktertrekken en gewoonten die met zijn roeping en gaven samenhingen, van alle openbare ambten uitgesloten. En onder dit kruis had hij het 'perfer et obdura' (houd vol en wees lijdzaam) tot lijfspreuk gekozen. Zijn beste jaren, zeventien in getal, offerde hij op dit altaar.

Zullen wij dit alles bij een beschouwing van Kohlbrugges instituering der Vrije Gemeente te Elberfeld buiten beschouwing laten? De gewone weg tot het predikambt is de roeping voor de gemeente en mitsdien, zoals ons bevestigingsformulier het zegt, van Godswege. Er zijn echter ook buitengewone wegen. Amos ontkende dat hij een profeet was of een profetenzoon. Hij had zijn ambt onmiddellijk van God ontvangen, toen Deze hem riep van achter de kudde (Am. 7 : 14 v.). Indien Kohlbrugges prediking en ook zijn zielszorg in brieven iets bewijst, dan zeker ook dit, dat hij een zo sterk bewustzijn van een onmiddellijke roeping bezat dat zijn intiemste vrienden daartegen vaak in opstand kwamen en hem van hardheid en heerszucht beschuldigden. Toch bleef hij sterk hechten aan de roeping door de gemeente; want toen hij ten langen leste een kleine, in een dal verscholen groep mensen vond die hem als hun voorganger begeerden en hij aan de pastorale arbeid onder hen de vorm van een kerkelijke gemeente had helpen geven, toen zocht hij nog overal, te lande en overzee, om de gewone inzegening te verkrijgen, zonder daarin echter te slagen. Zullen wij niet moeten aannemen dat het in dit bijzondere geval Gods wil was dat er een eind kwam aan Kohlbrugges ambteloosheid? En is het niet duidelijk dat de magnetische kracht die zich door zijn stilzitten, zoals De Clercq dat aanvoelde, in hem had verzameld, hem zou hebben verteerd en zijn roeping zou hebben teniet gemaakt, als hij tot het einde toe geheel passief was gebleven?

Wanneer men de omvang van Kohlbrugges gemeente vergelijkt met de parochie die thans door zijn leerwijze wordt bestreken, dan moet men de Nederlands Gereformeerde Gemeente te Elberfeld een bescheiden plekje noemen voor zijn ambtelijke werkzaamheid. Er sloten zich in 1845 zesendertig bezwaarden bij Kohlbrugge aan. Dit getal wies spoedig tot vierhonderd aan. Na 25 jaren telde de gemeente ruim 1300 zielen. Deze getallen zijn niet hoog te noemen. En toch was deze prediker juist op zijn plaats als voorganger in grote stadskerken. Toen hij van 1856 af toegang kreeg tot de kansels in ons land en daar dikwijls optrad, was een preek van Kohlbrugge een evenement. Zo was het in 1863 te Utrecht, de stad van zijn stilzitten. In 1871, enige jaren voor zijn dood, nodigde Kuyper hem voor een beurt te Amsterdam. Hij sprak op een avond in de Zuiderkerk, vlak in de buurt van de hersteld lutherse kerk, waar men hem bijna een halve eeuw geleden als proponent had afgezet. Kohlbrugge rekende op een 200 à 400 mensen. Maar reeds vóór de middagdienst kwamen de hoorders om te blijven zitten tot 's avonds, en toen de gastprediker de kansel beklom, zag hij zich omringd door een schare van drieduizend mensen. Wanneer nu deze domprediker in 1845 te Elberfeld met enkele tientallen leden begon, was dat zeker niet te vroeg en niet te veel. Wij vragen ons eerder af: hoe kon het zo lang duren, voordat hij een eigen arbeidsterrein vond? Het wordt alleen verstaanbaar als wij er op letten dat men toen in de veertiger jaren van de negentiende eeuw leefde en niet in die van de twintigste. Kohlbrugge was voorloper en zijn gehoor moest nog geboren worden. Maar juist daarom is het onhistorisch en ook onbijbels om op kleine inconsequenties en enige politieke trekjes teveel nadruk te leggen.

Toen Kohlbrugge eenmaal gevestigd predikant was, nam zijn invloed naar vele zijden al spoedig toe. Hij had vermogende vrienden in de gebroeders Von der Heydt en ook koning Friedrich Wilhelm IV5 was hem zeer goed gezind. Hij preekte soms in een der domkerken van de landskerk. Door zijn schoonzoon, dr. Böhl6 kreeg hij aanraking met de Boheemse en Moravische gereformeerden. De Elberfeldse Vrije Gemeente werd een soort moederkerk voor gelovigen allerwegen die het stempel op hun geestelijk leven van Kohlbrugge ontvingen. Nederlandse families, waarvan wij sommnige reeds bij name kennen, kwamen naar Elberfeld om hun kinderen te laten dopen en hun huwelijk te laten inzegenen. Toen op 7 juni 1871 het 25-jarig bestaan der gemeente werd gevierd, bij welke gelegenheid de domprediker Zahn7⚑ de feestrede hield, bleek hoe Kohlbrugge een parochie had die zich over verschillende landen uitstrekte.

Sommige trekken in Kohlbrugges persoonlijkheid, die ons ook reeds bekend zijn uit wat wij over zijn zielszorg en gewetensleiding vernamen, zijn tederheid en trouw, zijn door zijn ambtsvervulling te Elberfeld tot verdere ontplooiing gekomen. Uit wat bekend is van zijn herderlijk werk blijkt dat de harde kanten van zijn karakter allengs werden verzacht, nu hij mensen om zich heen vond die tot hem in een geordende verhouding stonden. Zijn roeping kon zich nu ook in persoonlijke omgang dagelijks betonen en zij behoefde niet meer op ongeregelde tijden als het ware stootsgewijze een uitweg te zoeken.

Belangrijker echter dan dit persoonlijke is dat Kohlbrugge nu een eigen kansel had vanwaar hij iedere zondag meermalen het Evangelie bracht. Hiermee schiep hij zich het orgaan waardoor hij ook op het nageslacht kon inwerken. Reeds sedert 1833 verschenen er te Elberfeld en elders preken van hem in druk. Daar waren er onder, die niet zijn uitgesproken, maar voor zijn Hollandse vrienden geschreven. De meeste echter zijn leerredenen, voor zijn gemeente gehouden. Op die wijze is een aantal publikaties ontstaan die vele predikanten, ook leken, rekenen tot hun kostbaarst bezit. Helaas zijn de meeste van deze geschriften nog slechts antiquarisch verkrijgbaar. Het Furche-Verlag wilde een herdruk verzorgen, maar de oorlog verhinderde dat dit moedige plan werd uitgevoerd.

Wij gaan nu een van deze bundels meer in het bijzonder bespreken. De keuze viel op de Feeststoffen, een boekdeel, dat in 1878 voor het eerst te Utrecht verscheen en in 1893 te Amsterdam werd herdrukt. Het is een vertaling van een Duitse bundel met de overeenkomstige titel Festpredigten. Het boek bevat vijf kerst- en zeven paaspreken; drie hemelvaarts- en zeven pinksterpreken. De kerstpreken zijn, behalve de laatste die van 1852 dateert, alle uit 1847; de paaspreken dateren uit 1847-1849; de hemelvaartspreken uit 1850-1854 en de pinksterpreken met uitzondering van de derde eveneens uit 1850-1854.

Wij hebben hier dus toespraken voor ons die stammen uit de eerste jaren van Kohlbrugges optreden te Elberfeld. Dit heeft zijn voordelen. De preken zijn niet zo sterk geladen of gespannen als bijv. de gastpreken over Rom. 7 : 14 uit 1833, toen deze reformator de opdracht tot zijn zending pas had ontvangen en toen hij als ambteloos man van een geboden gelegenheid gebruik moest maken om zijn doel zo snel en zo juist mogelijk te raken. In de jaren omstreeks 1850 echter is hij de pastor die een kudde heeft te weiden en hij heeft de tijd. Hij zal hopelijk de volgende zondag de kansel weer enige malen bestijgen. Alles behoeft niet opeens gezegd. Wij hebben hier dus een proeve voor ons van de wijze waarop Kohlbrugge in de kracht van zijn leven en in de rustige bediening van zijn ambt het Evangelie verkondigde. En dat wel op de hoogtijden van het kerkelijk jaar. Ook dit heeft iets voor. Daardoor wordt immers het doek met Kohlbrugges verven over de volle breedte van het jaar uitgespannen en wij zullen de lijnen van de tekening beter kunnen uiteenhouden.

Eerst dus over Kohlbrugges kerstpreken. De eerste gaat over het Evangelie naar Lukas 2 : 1-5. De prediker groet de gemeente met de jubelzang uit Jesaja 9 : 5, die hij aan de triumferende kerk in de mond legt: een Kind is ⚑ons geboren, een Zoon is ons gegeven! Een simpele tweeregelige strofe komt er dadelijk achteraan:

"Was ons dat Kindeken niet geboren,
Dan waren wij al te zamen verloren."

Dat is geheel de trant van Kohlbrugge, een vermenging van het verhevene, profetische met het populaire. Hij doet vaak aan Luther denken, in wiens geschriften hij zich altijd weer verdiepte.

Na de groet wordt aan de hand van het Oude Testament alles opgesomd waartoe Jezus in de wereld zou komen en deze opsomming eindigt met de uitroep: 'Daar is Hij', welke belijdenis Maria het eerst had kunnen afleggen.

Na de inleiding wordt de tekst gelezen. De prediker volgt het verhaal op de voet. Hij wijst erop dat dit gebeurde en plaatsgreep in de tijd van Johannes de Doper, wiens naam de tijd der genade aanduidde en toen geschiedde er iets heel gewoons op een heel gewone wijze. Er staat niet bij dat God het zo beschikte, maar het gebeurde zonder meer. Aan de gaven Gods moesten wij maar zien, welk een God wij hebben. Welnu, toen dat dan geschiedde, toen het edict van de keizer uitging, schreef ook God een gebod uit:

"God sprak tot zijn geliefde Zoon:
't Is tijd om Ons te erbarmen!
Ga daarom heen mijns harten kroon,
En wees het heil der armen!"

De duivel wilde de armen nu ook huid en vlees afnemen en daarom maakte God er een gebed van om de armen ook wat af te nemen, maar wat? Zonde, dood, vloek, ellende en verdoemenis, het hele vleeszijn, want dat ging God nu alles op zijn geliefde Zoon werpen! Maar meer nog was het een gebod om te geven, namelijk: de onschuld, gerechtigheid en heiligheid. Het gebod luidde dus in de hemel heel anders dan op aarde. Toen ieder het heil verwachtte van keizer Augustus, die echter niets deed dan nemen, kwam God er in het verborgen bij, Hij die nooit iets anders gedaan heeft dan geven, en gaf zijn Zoon. En dat doet God op zo'n verborgen wijze dat al wat de hel onderneemt, ter ere van God en ten goede van zijn Kerk moet uitlopen.u

Dit spel van hemel en hel, van nemen en geven ten opzichte van de armen is wel een zeer levendige, diepe beschouwing van de eerste regels van het Kerstevangelie. Dan schildert de prediker ons verder hoe de armen allen gaan naar een hier ongeschreven plaats, maar dat God hun voorgaat om hen zijn penning te laten vinden. Terwijl de rijkscommissaris hen opschrijft in zijn schattingsboek, schrijft God hun namen in het boek des levens. Daarom moeten wij ons er niet over verwonderen als onze zaken door elkaar geworpen worden, maar wij moeten getroost onze weg gaan.v

En Jozef ging ook op. Hij is er als 't ware op toe. Kohlbrugge gaat een poosje spelen met dat 'ook'. En onze Heiland gaat ook op, maar heel in het verborgen, verborgen onder het moederhart. Zijn naam wordt zelfs niet genoemd. Abel offerde ook, lezen wij in Genesis 4. Jezus ging ook op.w Heimelijk is het Godsrijk al op mars, terwijl de macht van een aards koninkrijk alles voor het zeggen schijnt te hebben.

Kohlbrugge merkt nog op hoe God wil dat wij de over ons gestelde machten en ordeningen in ere houden, ook wanneer zij drukkend zijn, want dat zelfs Hij, in zijn Zoon, de minste is en zich aan zulk een macht en ordinantie onderwerpt.x 'Befehl ist Befehl.' De lutherse opvatting van de verhouding tussen kerk en overheid straalt hier even door. Het was 1847 en Kohlbrugge was conservatief. In de gereformeerde belijdenis zit meer verzet. Luther liet ze gescheiden naast elkaar bestaan, het verborgen Godsrijk der prediking en het openbare van deze wereld. Kohlbrugges verspreide volgelingen hebben later dit politiek-lijdelijke, de lutherse houding, vaak overgenomen. In onze tijd is de profetische lijn in Kohlbrugge, de gereformeerde actieve houding, weer doorgebroken. Hedendaagse volgelingen van hem kritiseren de lijdelijkheid van vroegere kohlbruggiaanse kringen. Dit is verschil in eeuw. De armen van Kohlbrugge zijn vooral de armen van geest. Deze kerstpreek geeft overigens een machtig geluid. Dat in het verborgen opgaande Godsrijk, dat alle aardse macht te schande zal maken, arm als de mieren, eenvoudig en oprecht als de duiven, listig als de slangen, dat al de omleidingen van Satan teniet zal doen, het is een geweldige en paradoxale prediking, die voor 1848 geen halt maakt, ook al zit Kohlbrugge in dat jaar met koning Friedrich Wilhelm IV en Daniel von der Heydt aan de feestdis, na de onderdrukking van de revolutie te Elberfeld.

De tweede kerstpreek, die op dezelfde dag 's avonds gehouden werd, gaat over de eigenlijke geboorte naar aanleiding van de verzen 6 en 7 van Lukas 2. De homilie gaat dus verder. Weer begint Kohlbrugge met er op te wijzen dat schijnbaar alles toevallig gebeurt en dat God in het verborgen werkt. Zijn werk is ingeschakeld in het wereldgebeuren. God heeft zich zo in het vlees geopenbaard dat er voor onze ogen niets bijzonders aan te zien was, tot troost van de armen en ellendigen. Er behoeft niets bijzonders te gebeuren. Gods heerlijkheid moet door alles heen. Want wij moeten om der zonde wil door alles heen en nu heeft onze Heiland vóór zijn geboorte reeds die weg gekozen. Zo komt het dat wij nu niet meer aan tijd en toeval zijn overgeleverd, maar dat tijd en toeval en alle dingen ons moeten dienen. Wij moeten maar aan Gods woord blijven hangen, dan zal dat wel spoedig blijken. Wij weten nu dat Jezus in Bethlehem geboren moest worden, maar dat weten wij niet als alles in ons leven ondersteboven gaat; dan denken wij niet: zo moest het komen. Wij denken dan: hoe kan God het toelaten? Maar, roept Kohlbrugge: God laat het niet toe, maar laat het juist zo komen. Hartelijk troostend zegt de prediker hoe wij niet moeten denken dat God dat doet om onze oude zonden. Zo moeten wij Christus vinden, want Hij is midden in deze nood geboren. Zijn naam is Wonderlijk. Maria had niets, geen vroedvrouw, geen baker, geen luiermand en geen kindergoed - zij wond hem in doeken; zij moest zichzelf helpen; het kindeke ook nog helpen. En - daar ligt een Koning in de kribbe! Die kribbe is er nog; want waar wil men, vraagt Kohlbrugge, der waarheid Christi haar woning laten? Maar ieder zie naar zijn Koning in de kribbe! Hij ligt niet meer in doeken, maar verhoogd boven alle hemelen leeft Hij en treedt voor ons in.y

Reeds heb ik medegedeeld dat Kohlbrugge ergens in een brief een beetje een loopje neemt met de orthodoxe preken, die hij wel eens gehoord had. Zij waren hem te leerstellig; te veel een door een ringetje gehaalde leer,z zoals hij het noemde. Welnu, men kan niet zeggen dat deze preek leerstellig is. Zij is ook niet psychologisch. Zij houdt zich niet bezig met de manier waarop men het objectieve en het subjectieve bij elkaar zal moeten brengen. Zij is allerminst methodistisch. Het is een realistische preek. Zij vraagt geloof in het woord Gods, midden in de werkelijkheid, tussen tijd en toeval. Zij wil het oor scherpen voor wat niet gezien wordt en van Godswege gepredikt wordt.

Deze prediking bezit een progressieve strekking, ook al is zij nog in een conservatief kader gekneld. Zij is niet aan een systeem, maar aan de historie georiënteerd.

De derde kerstpreek gaat uit van het herdersmotief. Weer wordt de armoede naar voren gebracht, maar hier krijgt deze armoede telkens weer een geestelijk cachet. De herders zijn zulke armen. Jezus is in armoede geboren; Hij heeft zich ook eerst aan de armen geopenbaard, Arm en eerlijk is een achtbare stand voor God. En wij zijn allen doodarm. Want wij kunnen toch niets mee in het graf nemen. Als wij eerlijk zijn, moeten wij allen bekennen, dat wij arme, arme mensen zijn. En een even duistere nacht omringt ons als toen de herders. Wie zal die nacht in een heldere vrededag veranderen? Omdat Hij in onze nacht geboren werd, kan de hemel het niet nalaten aan de armen en ellendigen de blijde boodschap te brengen. Plotseling omschijnt hen een licht. En als onze Heiland, toen Hij in de harde kribbe lag, zulk een heerlijkheid aan genade bezat om de herders te omschijnen, heeft Hij die nog veel meer, nadat Hij nu heeft overwonnen - Hij die voor ons in een kribbe lag, opdat wij in vrede zouden inslapen, om te ontwaken in de schoot van de hemelse Vader. Maar wij vergeten voortdurend dat wij arm zijn, dat wij vlees zijn; dat Jezus in vlees gekomen is, dat wij niets zijn en Hij alles is. Wij menen te moeten omkomen met wat alleen onze troost is; de reden daarvan is, dat wij op onszelf en op ons doen zien en niet kunnen geloven. Wat der Wet onmogelijk was, heeft God echter gedaan, toen Hij zijn Zoon zond in gelijkheid van vlees, van zonde. Ook de doeken, waarin Jezus gewonden was, prediken dat Hij onze lichamelijke en geestelijke armoede, onze toestand, waarin wij onder het vee gezonken zijn (een vergelijking die uit de Nederlandse geloofsbelijdenis in haar eerste jaren is verwijderd), op zich heeft willen nemen.a

Uitwendige en inwendige armoede lopen hier heel duidelijk door elkaar en de eerste wordt telkens tot de andere herleid. Deze armoede wordt nader bepaald als 'in vlees' zijn. Kohlbrugge laat het lidwoord gaarne weg om er nog meer een eigenschap van te maken, zodat het gelijkluidend wordt met zijn grote ontdekking van 1833: ik ben vleselijk. Anders zou men het kunnen verzachten tot: ik ben mens; iets, waar op zichzelf geen kwaad in steekt. Dat Jezus 'in vlees' gekomen is, moet dadelijk een stralend Evangelie zijn voor armen en ellendigen, een realistisch Evangelie. Kohlbrugge wil niet dat er te veel redenering bij te pas zal komen, zoals: Jezus is mens geworden, nu ja, dat is in de eerste plaats een eer voor ons; daarmee heeft God de mens verheven; dat is de incarnatie, waardoor God zichtbaar wordt voor mensen, en die incarnatie werkt nu dóór in de kerk en zo wordt het Woord ook zichtbaar in de sacramenten en de sacramenten delen weer iets goddelijks mee aan de hele eredienst, aan de schalen waar het brood op wordt gelegd, en de bekers waarin de wijn gegoten wordt, en aan de collecteschaal en aan het orgel, allemaal sacramentalia; en buiten de kerk aan de cultuur, etc. Zulk een incarnatieleer heeft Kohlbrugge niet en hij wil er ook niets van weten. Van zulk een sacramentele heiligheidsleer gruwt hij. Hij wil ook niet dat het een leerstellige reeks van kapitale leerstukken zal worden, zoals wij reeds zagen, toen wij het Adres van de Haagse heren memoreerden. Men moet niet zo'n lange weg nodig hebben om bij de troost van het Evangelie te komen als: Jezus Christus is mens geworden. Nu ja, dat was Hij misschien ook geworden als Adam niet gevallen was, maar in elk geval is dat een treffende gebeurtenis, indrukwekkender nog dan toen Adam geschapen werd, nu moest Hij een zwaar werk volbrengen en dat heeft Hij gedaan. Hij heeft ons verlost en wij nemen dat nu aan; dan komt er nog een derde stuk bij; nadat wij gerechtvaardigd zijn, worden wij ook nog geheiligd en komen hiermee weer in een andere verhouding tot Jezus. Er is dan drieërlei verhouding tot Hem. Eerst die van zondaren, dan van gerechtvaardigden en eindelijk die van de in heiligheid toenemenden. De eerste en de laatste toestand verlopen in de tijd, de middelste niet. Dit wordt uitgedrukt in de woorden van gezang 171 (N.B.):

"Een zondaar, een verlost', o Heer, ⚑en nu geen zondaar meer."

Dit zijn de punten die Kohlbrugge ironisch opsomde in die brief aan Stephen de Clercq, waaruit ik hiervoor reeds aanhaalde. Van zulk een systematische leer der zaligheid is hij geen beminnaar. Daarom zegt hij liever dat Christus 'in vlees' gekomen is dan 'in het vlees'. Wij moeten dadelijk weten waar het Evangelie heen wil. Wij kunnen, zegt Kohlbrugge in zijn overdenking over Mattheüs 1, Christus nooit diep genoeg in het vlees trekken. Vlees, dat is onze zonde, onze ellende, onze dood. Wij moeten dadelijk weten dat Christus daarin gekomen is. Kohlbrugge wil niet zulke omwegen maken dat Hij eerst mens geworden is en toen eerst het een en dan het ander met het vlees deed. Hij was er dadelijk helemaal in. Zijn werk gaat van de geboorte af op deze realiteit in. Ook de mens is vleselijk en blijft vleselijk; hij is zondaar en blijft zondaar. En deze twee, Christus en het vlees, Christus en de zondaar, blijven op elkaar betrokken van het begin tot het einde. Het is een zalige en zaligmakende verhouding en geen proces met drie stadiën. Het is van het begin af tot het eind troost en een andere goddelijke kracht dan deze troost is er niet volgens het Evangelie. Deze genade is absoluut en de heiliging is ook absoluut, evengoed als de rechtvaardiging. In het geloof is er geen realiteit die aan Christus onttrokken blijft en waarmee wij zelf werkzaam blijven. Daarom slaat dit Evangelie door alle objectivisme en subjectivisme, door alle geloofspsychologie, door alle levensprocessen heen; door alle leersystemen en alle kapitale leerstukken tot op de bodem der werkelijkheid, de meest dagelijkse en ellendigste werkelijkheid. De Wet is geestelijk en wij zijn vleselijk en die twee kunnen nooit bij elkaar komen, als Christus niet in dit element des vlezes komt om daarin te wonen, het te heiligen en te verheerlijken.

In dit element des vlezes is ook elke onderscheiding van vlees en geest in de mens opgeheven. Christus is niet alleen voor de inwendige, maar ook voor de uitwendige mens gekomen. Evengoed voor de arme, als voor de armen van geest. Het Evangelie is evengoed sociaal als persoonlijk, evengoed politiek als kerkelijk, al heeft Kohlbrugge deze consequenties nog weinig getrokken. Het Evangelie krult niet op tot een persoonlijk heiligingsproces of een kerkelijk leersysteem. Het gaat regelrecht in het vlees, de naakte, laatste werkelijkheid van het leven. De boodschap van Jezus' geboorte is het eerst tot de herders gekomen. Maar dat betekent geen pastorale. Het is pastoraal: predikt het Evangelie aan alle creaturen.

Ik heb drie kerstpreken uit onze bundel besproken. Ik moet de beide laatste laten rusten om tot het zevental paaspreken over te gaan. Zij staan in fis, zoals de kerstpreken in mol. De eerste gaat over Mattheüs 28 : 1. Wij horen hoe Gods macht komt opdagen. God houdt trouw en waarheid en geeft mij te geloven, als ik ook niet geloof. Het is een juichende inleiding waarmee de prediker begint. Met Christus zijn wij, toen Hij begraven werd, met al wat wij zijn, met alle werken des vlezes, met al onze leden, der aarde gelijk gemaakt geworden. Onze schuld, onze zonde, onze straf werd begraven in het graf van Christus, mitsgaders al onze zorgen en al onze noden. Het vlees is vergaan, het heeft niets meer te vertellen. En nochtans, ook dit ons vlees, in Hem is het opgestaan. Wij hebben daarbij niet te vragen naar hetgeen wij gewaar worden, maar naar hetgeen Gods Woord zegt, daar moeten wij ons op verlaten.b Dit is de andere zijde van het Evangelie. Het is al dadelijk even realistisch als het Kerstevangelie. Bij de behandeling van de tekst wijst Kohlbrugge er op dat het 'hoe' van de Opstanding voor ons verborgen is gebleven, evenals het 'wanneer'.c Verder merken wij op dat hij wel gewoon is woord voor woord zijn tekst te bespreken, maar dat hij hem eigenlijk niet historisch behandelt. Hij maakt er geen verhaal van, met opsieringen, maar laat het Woord blijven, waarmee hij afsteekt naar de diepte. Zo wanneer hij over de woorden: "Laat na de Sabbat, als het begon te lichten". aldus spreekt: "Laat na de Sabbatten was het voorzeker! Veertig eeuwen hadden reikhalzend naar deze dag des Heren uitgezien. Maar de Sabbatten, die zij hadden te vieren, behaagden hun niet. De eeuwige Sabbat, de ruste Gods, komt nochtans. Het was laat, maar juist Gods tijd. Sedert de zondeval is het ons en onze vaders onmogelijk geweest Gode ook maar één ware Sabbat te houden. Want wij en onze vaders gingen met werken om; daarbij konden wij echter geen rust vinden. Ons gehele bestaan bestond uit werkdagen en er kwamen geen rustdagen. Toen was onze gezindheid vleselijk; want het moest alles overeenkomstig de Geest der genade ingericht zijn en daarvan hadden wij zo weinig begrip. Zo werden wij verkocht onder de zonde. Maar nu is de goedertierenheid van onze Zaligmaker verschenen en heeft Hij ons zalig gemaakt naar zijn barmhartigheid."d

Men ziet het, toch steeds de grote, geweldige waarheid uit de preek over Romeinen 7 : 14 uit 1833 te Elberfeld. In deze feestpreken ligt zij echter niet meer zo paradoxaal en piramidaal opgestapeld, maar pastoraal en liefelijk verspreid over de dagen.

Kohlbrugges realisme blijft zichzelf gelijk. Luister maar hoe de prediker zijn thema uitwerkt: "In zijn dood heeft Hij de oude Adam, die niets van het licht en van de rust wilde weten, en derhalve ook niet tot rust komen kon, laten sterven. Hij heeft de oude Adam, die de Geest niet had, met al zijn werken, zijn denken en willen, met al zijn begeerten, met huid, vlees en alle beenderen, met hart, hoofd en verstand, zoals wij leven en zijn, met Zich in het graf genomen en heeft hem aldaar begraven; Hij heeft ook in dit graf de oude Adam laten liggen, zodat hij nooit weder kan opstaan. Hijzelf is echter uit Adams dood weder opgestaan en nadat Hij in zijn dood alles weder in het recht gebracht heeft, wat in de hemel, op de aarde en onder de aarde is, is Hij, de Here, uit het graf gekomen met een nieuwe mens. En in deze Zondag zijn al onze levensdagen ingesloten, zijn wij wedergeboren en nieuw geschapen, een nieuwe mens in Hem, zoals wij leven en zijn, met huid, vlees en alle beenderen, hart, hoofd en verstand, handen, voeten en alle leden. Op deze eeuwige dag volgt geen nacht meer."e

Hier is geen scheiding tussen vlees en geest in de mens. Hier staat Gods Geest tegenover het zondige vlees en wekt het op. En deze opwekking gaat door tot alles wat in hemel of op aarde is.

Ik merkte op dat Kohlbrugge de tekst niet historisch maakt, maar hem laat spreken. Dat blijkt ook heel duidelijk uit de wijze waarop hij hier de vraag behandelt: wie zal ons de steen van de deur des grafs afwentelen? Hij zegt wel te weten dat men dat onnadenkend kan lezen, zodat wij er hoogstens aan denken bij de een of andere moeilijkheid, waarvoor wij komen te staan. Maar neen, deze vraag staat in een Evangelie, dat ons duizendmaal gepredikt moet worden. Wij moeten leren verstaan, dat wij het dagelijks evenzo maken, dat wij altijd vol onverstand zijn. Maria Magdalena tenminste had toch ook moeten weten dat Gods zaak niet in de dood kan blijven liggen. En dan volgt er weer een rijmpje:

"Al ligt de waarheid in het graf, ⚑al wat haar drukt, moet van haar af!"f

Als de vrouwen waren alle profeten en ook Abraham, de vader der gelovigen. Deze wist van de opstanding, zegt Kohlbrugge, maar toen hij naar koning Abimelech moest, was hij het weer vergeten. En Izak, die zelf uit de dood was opgestaan, deed het zijn vader precies na. Zo willen de vrouwen Jezus altijd in het graf laten blijven, willen Hem zalven en alsdan hun eigen weg gaan. En dat blijft zo totdat God zelf ingrijpt en iets nieuws schept.g De tweede paaspreek over Joh. 20 : 1-18 sluit zich dadelijk bij de vorige aan, maar is in tijdsorde daarvan gescheiden door een periode van tweejaren. Zij is van paasmaandag 9 april 1849 en werd gehouden in de zeer bewogen tijd rondom 1848, waarvan Fritz Reuter8 zo meesterlijk verteld heeft in zijn Ut mine Stromtid. Een tijdpreek in uitwendige zin is het niet. Alleen als men op de datum let, kan men menen hier en daar aanduidingen te vinden. In mei 1849 werd Elberfeld door opstandelingen bezet. De burgemeester heeft zich bij die gelegenheid, nadat zijn huis verwoest was, verborgen in de preekstoel van Kohlbrugge. De opstandelingen behielden de stad tot Hemelvaartsdag. Aan de vooravond van deze gebeurtenissen is dan deze preek gehouden.

Kohlbrugge zet in zijn voorafspraak weer Gods werk en ons werk tegenover elkaar. Ach, dat een mens toch eens wilde ophouden zelf het roer, zelf het schip van zijn zaligheid te sturen. Maar neen, iets te willen zijn en te betekenen, dat is het vlees eigen. Hier deugd, daar deugd; hier werk, daar werk; hier wat heiligheid en Godegelijkheid, daar wat heiligheid en Godegelijkheid; en als het er om gaat, baat het niet, al heeft men zich ook nog zo lang op paapse wijze met werken afgetobd. De Here echter breekt bij de zijnen alles af, roer en mast, en juist dan gaat het goed; in deze beeldende taal wordt de tekst ingeleid.h Dan komt de homilie.

Het graf is open en ledig. Waar mag Jezus zijn? Drie beproefde getuigen zullen het ons zeggen.

Maria Magdalena heeft veel ervaren; welk een vuur en welk een liefde. Maar een vrouw is toch ook altijd vol onverstand, zij overdrijft steeds: dan is zij in de hemel, dan ligt zij in de afgrond. De prediker wil tot een bezadigde, verstandige man gaan die in ijver bij Maria niet achterstaat en die zijn verdorvenheid evengoed kent als Maria de hare. Het is Petrus. Maar wat loopt hij langzaam. Johannes, met zijn hemels verstand, stuift hem voorbij. Hij gaat niet eens in het graf. Daar komt Petrus gelukkig toch en dan ook Johannes. Zij geloven tenslotte, wat Maria gelooft: Hij is gestolen. Zij zoeken niet eens, zoals Eliza om Elia. En wij hebben de bijbel dikwijls gelezen; maar dat wij in zodanig een toestand zouden kunnen komen, daaraan hebben wij nimmer gedacht. En daarom, zegt Kohlbrugge dan plotseling op de man af, daarom weten wij waarlijk niet één spreuk, die bijzonder voor ons zou zijn. Weer die wending van historie tot Woord. Wij vieren Pasen als een voorbije geschiedenis en weten natuurlijk dat Jezus is opgestaan. En daarom is er geen woordeke in het Evangelie voor ons. Men meent hier Kierkegaard te lezen die ons duidelijk wil maken dat iedere discipel tijdgenoot van Jezus moet zijn.i

Maria ziet tenslotte twee engelen, maar wat geeft dat haar? De plaats van Jezus is leeg. -Daar ligt niets meer. De engelen zeggen: Vrouw! Wat weent gij? Zouden de engelen Hem hebben laten stelen? Wat maakt de droefheid ons toch onverstandig. Wie weet - misschien staat de Here levend achter ons.j

Gelooft gij waarlijk, zo vraagt de prediker, dat het ledige graf u juist een bewijs is van zijn Opstanding? En wat helpt het ons, als wij niet weten: Hij is ook voor mij opgestaan! De gehele zondige mens ging in het graf, het gehele walgelijke zondige aas, met zijn arglistig, ja dodelijk hart. Ook ging het graf in het graf. Dat alles nam Jezus met zich mee in het graf! En nu, waarom willen wij dan een dode Jezus hebben? Waarom wenen wij, omdat wij niet vinden wat wij zoeken?k

Kohlbrugge maakt hier als hij van een 'walgelijk aas' spreekt gebruik van de forse symboliek die ook de profeten soms aanwenden als zij spreken van etterbuilen en dergelijke. Men kan echter niet zeggen dat hij zijn kracht zocht in zulke termen zoals een bepaalde categorie van predikers dat wel eens heeft gedaan en nog doet. Zijn taal is over het algemeen gekuist, ook als hij zijn geluid laat aanzwellen.

Waarom willen wij een dode Jezus hebben? Maria heeft Hem gevonden. Jezus heeft zich aan haar nog eerder geopenbaard dan aan Johannes. Eerst de ellendigsten en de armsten. Zo werd in een hof de naar de wet der werken heilige Eva, in de nabijheid van de boom des levens, in overtreding gevonden; de naar de wet der werken ellendige, arme en verloren Maria Magdalena vindt in een hof, in de nabijheid van het ledige graf, de Here Jezus. Roept juichende met mij, zo besluit Kohlbrugge zijn paaspreek: Gij Here Jezus zijt het alléén! Zo is het naar de wet des Vaders! Amen.l

Kohlbrugge was een begenadigd prediker, diep belezen in de Schriften en in de vaders. Hij beweegt zich daarin als een schatmeester in zijn schathuis. Midden in de revolutie, die tronen deed wankelen of vallen, bediende hij het Woord en stond hij trouw op zijn post als een schildwacht der eeuwigheid.

Er volgen nu in onze bundel twee preken over de Emmaüsgangers, waarin het lange verhaal op de voet wordt gevolgd, zoals Kohlbrugge trouwens meestal doet. Ze zijn minder geschikt voor een bespreking en daarom kies ik hier nog een andere, niet uit de evangeliën, maar uit de brieven. Zij gaat over Rom. 6 : 7-12, over het afgestorven zijn van de zonde, en dateert van 30 april 1848.

Kohlbrugge zegt in zijn voorafspraak dat het niet genoeg is te weten dat Jezus opgestaan is. De kennis maakt opgeblazen. Alleen wie het te doen is om een zalige opstanding zal daartoe geraken. Voor hem is het bier alles een leven des doods-, hij kan niet aardsgezind zijn; hij verwacht zijn Heiland. Kohlbrugge verklaart dat het zijn bediening is de gemeente zulks voor te houden. Er zijn er in de gemeente die zich voor een schaap houden en evenwel in hun hart een bok zijn. De wandel moet echter in de hemelen zijn; men moet zichzelf verloochenen; ook het goddeloze doen en drijven der wereld verzaken.m

Dit is dan ook een toon uit Kohlbrugges preken. Zijn prediking, dat de Wet hem een lijk was; de scherpe paradoxen van zijn opstandingsleer; dat wij alleen in Christus geheiligd worden en door het geloof alléén, konden als bij Paulus aanleiding geven tot misbruik. Er is op dit punt in ons land een scherpe en onverkwikkelijke strijd gevoerd tussen enkele volgelingen van Kohlbrugge en andere gereformeerden. In 1859 werd de prediker van Elberfeld tot erelid benoemd van de Vereeniging van Vrienden der Waarheid in Zuid-Holland. Daartegen kwam een Amsterdamse vereniging op in een Open brief. Kohlbrugge reageerde daarop met de scherpte van een oud zeer, met Nederlandse dogmatische felheid.9

Een onaangename polemiek was het gevolg waarin zich elementen mengden die de zaak van Kohlbrugge hebben geschaad. Een opvatting werd hier voorgedragen waarbij dat, wat Kohlbrugge in zijn preken als ziener naar voren bracht, in een banale theorie werd omgezet en waarbij zijn profetische toorn in een burgerlijke scheldpartij werd nageaapt. Wat Da Costa voor Kohlbrugge in 1833 vreesde, begon zich hier te vertonen. Men noemt het antinomianisme, dwz. uitschakeling van de Wet uit het christelijk leven. Dat dit niet de consequentie was van Kohlbrugges prediking bewijst wel het best de geest in de kohlbruggiaanse kringen, die half buiten de gemeenten stonden en toch er in werkten, zonder opzet, als een ferment. In de preek, die ons thans bezighoudt, zien wij dat Kohlbrugge in zijn pastorale praktijk en in zijn prediking wel weet dat schaap en bok in één hok zijn. Zijn Elberfeldse werkzaamheid is tenslotte dan ook verdonkerd door een schaduw, die samenhing met de gemeentelijke tuchtoefening ten opzichte van een lid van de familie Von der Heydt.4 Kohlbrugge bleef onverzettelijk en dit veroorzaakte een scheuring. Tegen het eind van zijn werkzaamheid is hij voorzichtiger in deze dingen.

De profeet leert van de pastor. Zijn prediking heeft, voor zover zij bestemd was om oecumenisch te werken, ook een andere functie dan haar in de plaatselijke gemeenten toekomt. En de betekenis van de kohlbruggiaanse kringen is weer een andere geweest dan de invloed die hij internationaal uitoefende.

In zijn preek over Rom. 6: 7-12 schijnt Kohlbrugge met deze dingen te worstelen. Hij wijst er op dat het Paulus is en in het algemeen degene, die leert, welke het meest te worstelen heeft met die vraag: zullen wij dan in de zonde blijven (Rom. 6 : 1)? Die het goede zaad niet opnemen, kennen ook wel de geloofsgerechtigheid. Maar, zegt Kohlbrugge, zij wringen zich er onder uit om in de zonde te blijven. Dit is zeer tekenend gezegd.n

Voor degene, die gelooft, blijft het echter geheel geloofszaak; wie het gelooft, die heeft het, zegt Kohlbrugge met Luther. Wie Gods Woord hoger houdt dan al zijn twijfelingen.o De dood heeft de Here Christus willen vangen met des duivels list, zegt hij verder, een oudchristelijke voorstelling overnemende, daarentegen heeft Christus de dood gevangen met goddelijke list. Nu zal de dood ons niet bemachtigen.p Want voor de zonde zijn wij lijken. Christus en wij zijn voor God één lichaam. Ook al ziet men het tegenstrijdig om zich heen, dit geloof bewijst zich toch aan het einde machtiger dan al het tegenstrijdige.

Maar dan moet de mond-christen, zo vervolgt hij, die onder het masker van het geloof en van het daarvoor-houden allerlei onrecht als water kan indrinken, ook weten, dat deze troost van het Evangelie hem niet geldt. Want, zo vervolgt deze werkelijkheidsprediker, de apostel drijft hier niet een leer die zowat in de hersenen zwemt - het is een uitdrukking van Calvijn -, maar zij heeft hart, zij heeft ziel, heeft lichaam, heeft vlees en been, zodat het iets waarachtigs is, en veel, veel wezenlijker dan menigeen denkt. Waar het waarachtige daarvoor-houden is, drijft alleen de Geest, zodat wij rust noch duur hebben, tenzij wij voor God en mensen een goed geweten hebben door de opstanding van Jezus Christus. Let wel, het blijft Paasevangelie, zoals Kohlbrugge preekt.q

Wij nemen afscheid van de paaspreken en slaan de hemelvaartspreken over; niet omdat zij van minder betekenis zijn, maar omdat het bestek van dit artikel het niet toelaat ook deze te bespreken. Tenslotte wijden wij nog onze aandacht aan de pinksterpreken. Een parafrase van Handelingen 2: 1-42 laat ik rusten. Zij volgt de tekst woord voor woord. Onder een tweede preek van 20 mei 1850 over Joh. 14 : 16 en 17 zou men eerst de indruk kunnen krijgen dat er, na de verkondiging van Christus' wezen en werk, bij Kohlbrugge voor een behandeling van de persoon en het werk van de Heilige Geest geen plaats meer is en dat deze hem dus niet wil gelukken. Dat het eigenlijk een doublet zou zijn van een paaspreek in verband met Kohlbrugges opvattingen over de heiligmaking. Zo zegt hij hier dat deze Trooster de Geest der Waarheid is. En deze waarheid bestaat dan hierin, dat er een waarachtige heiligmaking opkwam waardoor al de spinnewebben van een gehuichelde heiligmaking met de bezemen des Woords weggevaagd en al haar giftige spinnen op de vlucht gejaagd of gedood werden.r Maar iets later maakt hij de onderscheiding dat Christus te doen heeft met arme zondaren en de Heilige Geest alleen met bekommerden, aangevochtenen, ongeleerden en treurenden, die wenen omdat de duivel hen aanklaagt of omdat de wereld hen slacht en opeet, alsof zij brood at.

Hier is dan toch de Heilige Geest in betrekking gebracht tot zondaren, die in een ander stadium verkeren. Heel treffend wordt van deze Geest gezegd dat Hij een gegeven Geest is. Alleen daartoe is Hij bereid, zich aan de zielen der verlosten te laten geven.s Hoe die Geest werkt en tot het hart spreekt, heeft Kohlbrugge op buitengewoon treffende wijze gezegd in een predikatie over Joh. 14 : 26, over het indachtig-maken. Zij werd gehouden op Pinksteren 1863. Wij prediken, zegt hij, het geloof in wat Jezus gezegd heeft, nl. dat Hij waar zijn Evangelie vernomen wordt, ook nu nog de Trooster zendt. Nadat hij enkele eigenschappen van die Geest heeft verkondigd, wijst hij er ten laatste op, dat deze een hoge Gast is. En deze Gast brengt een andere Gast mee, nl. Christus in ons; en deze Gast nog een hoge Gast: de Vader. Deze Gast-Geest heeft reeds allerlei voor ons gedaan, terwijl wij nog niet waren: in de Raad Gods, bij de Vleeswording, bij Jezus' doop, bij de prediking aan de armen, bij de Opstanding. Verder door de inspiratie der Heilige Schrift, de stichting der gemeenten. En nu wil Hij onze Leraar en Trooster zijn. Hij maakt woning in ons met het Woord. Soms blaast hij in het hart het licht uit, zodat het een donker hol gelijk is. Maar dan houdt hij ons Gods woord voor en doet ons iets van Gods genade zien. Hij brengt de mens nader tot God en de Here Jezus, maar als een goddeloze en houdt hem de gerechtigheid van Christus voor. Hij verspreidt dan licht en maakt dat op eenmaal de schellen van de ogen vallen! Hij verrast ons met een enkele spreuk of met een enkel woordje, bijv. met het woordje 'genade' of het woordje 'nochtans'. Zo leert hij de blinde lezen, zegt Kohlbrugge, en ik denk daarbij aan de komma in Rom. 7 : 14 achter het woord 'vleselijk'. Zo maakt hij, gaat de prediker verder, vrolijke belijders, zodat melaatsen bekennen dat zij nochtans rein zijn.

En gelijk nu de Geest brandende harten maakt, zo maakt hij ook vurige bidders. Waar de Geest in het hart is, daar drijft Hij, gelijk het vuur de vlammen, de zuchten opwaarts naar de hemel. Dit maakt de versaagden sterker dan God, de diepbedroefden machtiger dan de Here Jezus, als Hij hen met de hondekens gelijkstelt; zodat God wel zegenen, de Here Jezus wel helpen moet.

Vernemen wij, gaat Kohlbrugge verder, welk een liefelijke zielevriend Hij is; geen schepsel kan een mens zo troosten. Dat kan alleen de Heilige Geest en dan is Hij gelijk een verkoelend windje in de brandende zomerhitte! Zodanig een is Hij: in de hitte der droefenis, in het vuur der aanvechting, in de angsten des doods. Kohlbrugge behandelt dan achtereenvolgens deze drie toestanden. En hij doet dat door een indrukwekkende aaneenrijging, zonder commentaar, van bijbelwoorden uit het Oude en Nieuwe Testament, die in de gedrukte preek vijf gehele bladzijden in beslag neemt en die uit de mond van deze sterke en gezalfde prediker een diepe indruk moet hebben gemaakt. Hij besluit zijn pinksterrede met de uitroep: loof de Here, mijn ziel! en vergeet geen van zijn weldaden! Amen.t

De drie laatste preken van onze bundel brengen dan verder de liefelijke aard der vertroostingen van de Geest tot uitdrukking. De eerste handelt over Psalm 45 : 1-5. Over die Psalm schreef Kohlbrugge zijn proefschrift en daarmee won hij zijn bruid. Hoe moet daarna de inhoud voor hem nog meer zijn gaan leven, want ook de psalmist spreekt hier van bruid en bruidegom. Deze preek is een hooggestemd lied, waarin de aanbidding door een diepe tederheid wordt begeleid en doordrongen. Zij begint met de opwekking: "Volk des Heren! Wij mogen niet zo stil, zo zwijgend, zo stom daarheen gaan! Welaan! De Geest gaf ons een psalm. Laat ons die de Here zingen en spelen in ons leven en in onze harten, totdat wij aangedaan worden met kracht uit de hoogte, totdat ook aan ons gezien worden de Pinkstervlammen, die in het binnenste lichten."u De prediker wijst er dan op dat boven de Psalm de kinderen van Korach als voorzangers genoemd worden. Van deze, zo vervolgt hij, is niet veel goeds te zeggen. Zij waren de overgeblevenen van een oproerig ras dat levend door de aarde verslonden werd (Num. 16). Maar alleen deze zijn goede voorzangers en zullen het steeds blijven, zij die volstrekt geen roem hebben. Zo zijn zij dan voorzangers naar de regelmaat des geloofs die niet anders weten dan dat zij een overblijfsel zijn dat door genade behouden is; die geen andere bedekking hebben dan barmhartigheid; ook geen leven in zichzelf hebben tegen de ijselijke dood die in hun leden is.

Het instrument, dat zij hanteren, heet Schóschannim, d.i. een roos (lutherse vertaling); daarop spelen zij:

"Al word ik zevenmaal vertreden,
God richt mij op in majesteit!

Ik ben zijn roos, de roos van Saron, ⚑en bloei met eeuw'ge heerlijkheid."v

En dan trekt zich de preek steeds dieper terug in het binnenste heiligdom der Gemeente, waarin de Heilige Geest woont, en vermeit zich in wat het geloofsoog daar schouwt. De rede verliest zich in mystieke innigheid.

Dit is nog meer het geval in de voorlaatste overdenking over Hooglied 1 : 1-5, waarin de vertroosting des Geestes geheel in mystische taal wordt vertolkt.

De laatste preek uit de bundel draagt tot titel De sprake Kanaäns. Kohlbrugge nodigt de gemeente uit zich voor deze keer te veroorloven het genot te hebben om zich te onderhouden in een taal, die de wereld niet verstaat en die toch zo vertrouwelijk en gemoedelijk, zo welluidend is en opwekkend: de spraak van Kanaän (Jesaja 19 : 18). De onderwijzer in deze taal is de Heilige Geest.w In een boekje heeft Kohlbrugge dit gegeven breedvoeriger uitgewerkt.x De preek (in het boekje) bestaat uit vragen en antwoorden. Het is een catechismus der liefde tussen Christus en zijn Bruid, de Kerk, in de symbolische taal der profetie en van het Hooglied. De laatste vraag en antwoord luiden: "Maar hoe komt gij die stad in, die zo hoog ligt? Antw.: Op engelenwagens! Hij zelf zet mij daarop - en dan geen tranen meer!"y

Kohlbrugge besluit: het spreken evenwel (van die taal) maakt niet zalig, zo het hart er niet bij is. Schibboleth alleen komt over de stroom. Daar heet het: Voorwaarts! Haast u om uws levens wil. Amen.

Kohlbrugge zelf ging over de stroom op de morgen van vrijdag 5 maart 1875.

Bibliografie

Kohlbrugge zelf heeft in zijn brochure Het lidmaatschap bij de hervormde gemeente hier te lande mij willekeurig belet verslag gegeven van zijn conflict met de Nederlandse Hervormde Kerk. Het boekje, in 1833 te Amsterdam uitgegeven, bevat tevens bijzonderheden uit zijn vroegere leven. Deze autobiografie kan worden aangevuld door mededelingen in Zur Feier des fünfundzwanzigjährigen Bestehens unsers Vereins (Elberfeld 1889), een feestrede in 1871 gehouden; en verder uit zijn brieven.

Kohlbrugges leerlingen hebben met grote piëteit zijn nagedachtenis verzorgd. Een der oudste en trouwste, J. Wichelhaus, gaf enkele bijzonderheden uit Kohlbrugges leven in een 'Vorbericht' voor Zwanzig Predigten im Jahre 1846 gehalten (Elberfeld 1884 2). Uitvoeriger is de Lebensskizze von Dr. H. F. Kohlbrugge, opgezet door Wichelhaus en voltooid door Ed. Böhl (Elberfeld 1884). Adolf Zahn gaf Aus dem Leben eines reformierten Pastors (Barmen 1881) en Der Grossvater (Stuttgart 1881), terwijl Kohlbrugges schoonzoon, Ed. Böhl, Brieven van dr. H.F. Kohlbragge verzorgde (Utrecht 1877). Daarnaast verschenen nog andere bundels brieven. Aan de Vrije Universiteit te Amsterdam promoveerde J. van Lonkhuyzen op een proefschrift Hermann Friedrich Kohlbrügge en zijn prediking, in de lijst van zijn tijd (Wageningen 1905). Van jongere datum is het werk van H. Klugkist Hesse, Hermann Friedrich Kohlbrugge (Wuppertal-Barmen 1935).

Over Kohlbrugge en de Afscheiding schreef J. C. S. Locher (Amsterdam 1934). E. Gewin plaatste in het Tijdschrift voor armenzorg (1917) een artikel onder de titel De bakermat van het Elberfeldse stelsel, waarin hij de dienst der barmhartigheid volgens de praktijk van Kohlbrugge beschreef. Zelf heb ik in 1925 op de Nederlandsche Hervormde Predikanten-vergadering te Utrecht gesproken over De betekenis van Kohlbrugge voor de theologie van onze tijd. Dit referaat werd opgenomen in Stemmen voor Waarheid en Vrede van datzelfde jaar en is later met andere opstellen herdrukt in Geestelijke perspectieven (Amsterdam 1930, 19392. Zie dit deel p. 507-526).

Nadat ik het opstel over de Feeststoffen reeds had ingezonden, werd mijn aandacht gevestigd op een werkje van J. H. Grolle, De boodschap van Kohlbrügge nu! (Wageningen 1946). Het verblijdt mij dat ik achteraf nog de gelegenheid heb naar dit boekje te verwijzen. Het laat duidelijk zien hoe Kohlbrugge door een meer existentiële geloofshouding het voorzichtige evenwicht der orthodoxie verstoort. Ook toont het aan hoe deze reformatie eigenlijk pas nu, honderd jaar na de stichting van Elberfeld, volledig actueel wordt.

Tenslotte zij hier nog gewezen op het Kohlbrugge-archief in de Bibliotheek der Rijksuniversiteit te Utrecht, in 1930 gesticht. Voor dit Archief werd door dr. H. F. Kohlbrugge, kleinzoon van de Elberfelder, in 1940 een klein geschrift opgesteld over Dr. H. F. Kohlbrugge en zijn Archief in de Universiteitsbibliotheek. Bovendien verscheen vanwege het Archief een Geschriften; Register van de Bijbelverklaringen door Kohlbrugge (Utrecht 1932; nieuwe, vermeerderde uitgave 1941), waarin alle bijbelteksten die Kohlbrugge behandeld heeft, zijn opgenomen met verwijzingen naar het Archief.

Voetnoten

  1. a

    HC.vraag en antwoord 91.↩

  2. b

    J. van Lonkhuyzen, Hermann Friedrich Kohlbrügge en zijn prediking, in de lijst van zijn tijd, Wageningen 1905, p. 96.↩

  3. c

    A -w., p. 96, noot 4.↩

  4. d

    De titel van zijn dissertatie luidde Specimen philologico-theologicum inaugurele, exhibens commentarium in Psalmum quadragesimum quantum, Amsterdam 1829.↩

  5. e

    Cit. naar Van Lonkhuyzen, Kohlbrügge, p. 106. De dialoog is afkomstig uit Zur Feier des fünfundzwanzigjährigen Bestehens unsers Vereins. Festgabe des Vorstandes der Gesellschaft 'Vereinigung', Elberfeld 1889, p. 7.↩

  6. f

    A.w., p. 108 vv,↩

  7. g

    Willem de Clercq naar zijn dagboek door A. Pierson met medewerking van De Clercqs jongste kleindochter, dl. 2, Haarlem 18893 p. 66.↩

  8. h

    Brief aan J. Drost, geschreven te Utrecht op 12 maart 1844. Van Lonkhuyzen, Kohlbrügge, p. 157. Volledige tekst van de brief bij Van Lonkhuyzen in bijlage B, p. 16-21 (cit. op p. 18).↩

  9. i

    A.-T, dl. 10, p. 179-188.↩

  10. j

    - Van Lonkhuyzen, Kohlbrügge, p. 158; bijlage B, p. 18.↩

  11. k

    Preek over Rom. 7 : 14. Verschenen o.a. in Zwei Gastpredigten über Röm. 7: 14 und Ps. 65 : 5, Elberfeld 1833. De Ned. vertaling verscheen onder de hoofdtitel Ellende en verlossing, Amsterdam 1834, en werd weer opgenomen in de onder noot m vermelde uitgave.↩

  12. l

    Betrachtung über das erste Kapitel des Evangeliums nach Matthäus, Elberfeld 1844.↩

  13. m

    Hoogst belangrijke briefwisseling tusschen Dr. H. F. Kohlbrugge en een van de meest beroemde zijner tijdgenooten over de leer der heiligmaking, naar aanleiding van en vermeerderd met eene leerrede van Dr. Kohlbrugge over Rom. 7 : 14, Utrecht 1880, Amsterdam 18923. Deze uitgave bevat Da Costa's brief aan Kohlbrugge, diens antwoord en de onder noot k vermelde preek.↩

  14. n

    Feeststoffen. Leerredenen, Utrecht 1878, z.p. 19423, p. 128 v.↩

  15. o

    Cit. naar Van Lonkhuyzen, Kohlbrügge, p.219. Uit een brief van K. aan Van Heumen van mei 1843.↩

  16. p

    Cit. naar a.w., p.247. De brief is van 25 november 1840.↩

  17. q

    Cit. naar a.w., p. 231. Uit het niet door Pierson (zie p. 299, noot g) uitgegeven gedeelte van De Clercqs Dagboek.↩

  18. r

    A.w., p. 244. Uit het onuitgegeven deel van De Clercqs Dagboek, juni 1842.↩

  19. s

    Ibid. Dagboek, maart 1842.↩

  20. t

    Ibid. Dagboek, mei 1842.↩

  21. u

    Feeststoffen. z.p. 1942, p.11-14.↩

  22. v

    A.w., p. 18 v.↩

  23. w

    A.w., p. 20.↩

  24. x

    A.w., p. 24.↩

  25. y

    A.w., p. 26-37.↩

  26. z

    Cit. naar Van Lonkhuyzen, Kohlbrugge, p. 247. Uit een brief van K. aan Stephen de Clercq van 25 november 1840.↩

  27. a

    Feeststoffen, p, 40-53.↩

  28. b

    A.w., p. 80 vv.↩

  29. c

    A.w., p. 84.↩

  30. d

    A.w., p. 85 vv.↩

  31. e

    A.w., p. 89 v.↩

  32. f

    A.w., p. 90 v.↩

  33. g

    A.w., p. 92 v.↩

  34. h

    A.w., p. 9 8.↩

  35. i

    Zie VW., dl. 1, p. 79 v.↩

  36. j

    Feeststoffen, p. 99-102.↩

  37. k

    A.w., p. 104 v.↩

  38. l

    A.w., p. 111 v.↩

  39. m

    A.w., p. 163 v.↩

  40. n

    A.w., p. 168 v.↩

  41. o

    A.w., p. 171,↩

  42. p

    A.w., p. 174 v.↩

  43. q

    A.w., p. 177 vv. De uitdrukking van Calvijn in Inst. I, 5, 9.↩

  44. r

    A.w., p. 284.↩

  45. s

    A.w., p. 286 v.↩

  46. t

    A.w.,p.292-310↩

  47. u

    p. 323.↩

  48. v

    A.w., p. 325 v.↩

  49. w

    A.w., p. 352 v.↩

  50. x

    De taal Kanaäns. Een gesprek tusschen twee reizigers naar de eeuwigheid. Voor het volk, Amsterdam 1884.↩

  51. y

    Feeststoffen, p. 369.↩

Eindnoten

  1. 1

    N. publiceerde Kohlbrugge. Festpredigten in Kerkelijke klassieken. Inleidende beschouwingen over geschriften van oude en nieuwe kerkvaders verzameld door dr. J. Haantjes en dr. A. van der Hoeven, Wageningen 1949, p. 347-382.↩

  2. 2

    Voor Saint-Cyran zie dl. 1, p. 230, noot 32. Voor Antoine Singlin dl. 1, p. 238, noot 2. De Sacy (1613-1648), ps. van Louis Isaac Lemaistre, was een jansenistisch theoloog.↩

  3. 3

    Voor Willem de Clercq zie dl. 1, p. 88-101. Stephen de Clercq (1805-1866), de broer van Willem de Clercq, was evenals deze lid van de firma S.P. de Clercq en handelde in graan. Hij was getrouwd met C. J. S. Boissevain (1811-1873), de zuster van C. C. Boissevain (1799-1879), die getrouwd was met Willem de Clercq. M. Westendorp (1796-1863), lid van de firma Westendorp en Co. in effecten te Amsterdam, was getrouwd met 'Mimi' (Maria) de Clercq (1797-1838), de zuster van Stephen en Willem de Clercq.

    A.J. Twent van Roosenburg (1799-1866) behoorde tot de Haagse Réveilkring. In 1833 probeerde hij tevergeefs onder de vrienden van het Réveil een actie ten gunste van Kohlbrugge te organiseren, nadat de Hervormde Kerk hem het lidmaatschap geweigerd had.

    H. van Heumen was onderwijzer te Delft.↩

  4. 4

    Daniël (1802-1874) en Karl (1806-1881) von der Heydt, bankiers te Elberfeld, stamden uit een bekende en aanzienlijke familie aldaar. De beide broers sloten zich in 1845 bij Kohlbrugge aan en stichtten met hem in 1847 de Nederlands Gereformeerde Gemeente, waarin vooral Daniël een belangrijke rol speelde. Karl verliet in 1856 de gemeente na een conflict tussen zijn zoon en Kohlbrugge, waarbij bij gevolgd werd door vele andere aanzienlijke gemeenteleden. Een derde broer was August von der Heydt (1801-1874), die bekend werd als Pruisisch politicus.↩

  5. 5

    Frederik Willem IV (1795-1861), van 1840-1861 koning van Pruisen, stond sterk onder invloed van het christelijk-antirevolutionaire denken. Na enige concessies in 1848 koos hij al spoedig weer partij tegen de nationaal-liberale beweging.↩

  6. 6

    Ed. Böhl (1836-1903), Duits gereformeerd theoloog, vanaf 1864 hoogleraar te Wenen, was gehuwd met Anna (1836-1873), de enige dochter van Kohlbrugge. B. was een trouw aanhanger van de theologische ideeën van Kohlbrugge, die hij o.a. verdedigde tegenover A. Kuyper (vgl. dl. 2, p. 99).↩

  7. 7

    A. Zahn (1834-1900), Duits gereformeerd theoloog, domprediker te Halle (1860), predikant te Elberfeld (1876) en Stuttgart (1881). Z., die behoorde tot de kring rond Kohlbrugge, wierp zich op als fervent verdediger van het calvinistische erfgoed, o.a. tegen de moderne bijbelkritiek.↩

  8. 8

    F. Reuter (1810-1874), Duits schrijver, die als een der eersten literair gebruik ging maken van de omgangstaal, het Nederduits. Zijn bekendste werken zijn de historische roman Ut de Franzosentid (1860) en het autobiografische Ut mine Stromtid (1863/64). Vgl. dl. 8, p. 100, noot 14.↩

  9. 9

    Het hoofdbestuur van de Vereeniging van Vrienden der Waarheid in Zuid-Holland benoemde Kohlbrugge in 1859 tot erelid van de vereniging. Daartegen richtte zich het bestuur van de Vereeniging tot handhaving en verdediging van de leer en de rechten der Nederduitsch Hervormde Kerk te Amsterdam, o.a. omdat K.s opvattingen op het punt van de heiligmaking in strijd zouden zijn met de gereformeerde leer. Zie Van Lonkhuyzen, Kohlbrügge, p. 318 vv.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet onder Weergave de correcties aan om de verbeterde OCR-fouten en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Newman en de historieInhoudHet christendom in zijn eenheid met de cultuur →