Handelingen 3 : 1-9
Waarom, zo heeft iemand zich misschien wel eens afgevraagd, waarom heeft God de wereld niet zo geleid en bestuurd, dat ziekte en krankheid daarin niet voorkomen? Waarom moet in het lichaam zoveel geleden worden? Hier is het een langzaam heenzinken in de dood, na lang lijden, dan weer is het een plotselinge en onverwachte aanval van de kwalen en ongesteldheden. Waarom, zo zou men kunnen vragen, moet juist het mensdom aan zovele en veelsoortige ziekten onderworpen zijn?
En het antwoord zal verschillend zijn, naarmate men meer aan de oppervlakte blijft, of meer tot het hart der kwestie ingaat. In onze tijd zal men zeggen dat alles het gevolg is van verbazend kleine wezens, die zich in het menselijk organisme ontwikkelen en het verstoren. Ge hebt in deze dagen in de dagbladen kunnen lezen, hoe in de hoofdstad van Duitsland een jeugdig geneesheer, bezig met het onderzoek naar de zo gevreesde pestziekte, door onvoorzichtigheid werd besmet en het slachtoffer werd van zijn zucht tot weten. Bijna alle bekende ziekten hebben hun eigen bacil, zoals men dat noemt, en de wetenschap houdt zich bezig deze te vinden en te bestuderen. In sommige kringen krijgt het leven hierdoor iets angstigs, daar men telkens bevreesd is, met deze kleine, onzichtbare vijand in aanraking te zullen komen. Op de vraag 'vanwaar de ziekte?' zal dus het antwoord luiden: door de ziektekiemen waarmede men besmet werd.
Maar er is ook een ander antwoord. Toen koning David, oud-Israëls koning, eens gezondigd had, gaf God hem te kiezen tussen drie plagen. Hij zou vluchten voor de vijanden drie maanden lang, of er zou zeven jaren honger zijn, of drie dagen pestziekte woeden. En David antwoordde: Mij is zeer bange: laat ons toch in de hand des Heren vallen, want zijn barmhartigheden zijn vele, maar laat mij in de hand van mensen niet vallen (2 Sam. 24: 13 v.). David beschouwt dus de pestziekte als een vallen in de hand Gods, als een geslagen worden door de hand Gods.
Nu hebben deze beide antwoorden ieder hun recht. Het eerste, dat de ziekte het gevolg is van een ziektekiem, mag niet met een vroom gebaar worden afgewezen, en evenmin mag het antwoord, dat ons uit Davids antwoord tegenkomt, met een minachtend schouderophalen worden beantwoord. Maar als er gekozen moest worden tussen het één en het ander, als we één van beiden als onze levensbeschouwing moesten nemen, dan zou het laatste, het woord van David, verre te verkiezen zijn. Dat alleen geeft vastheid en zekerheid aan het leven, te weten dat men in alles de hand Gods heeft te zien. Wie op schepselen ziet, op welk schepsel dan ook, van de kleine bacil af, die slechts voor het sterke vergrootglas zichtbaar is, tot aan het hoogste aardse wezen, de mens toe, diens rust en vrede is voorgoed verloren. Die is afhankelijk van al de wisselingen van het aardse, en wordt door hoop, maar meest door vrees, her- en derwaarts gedreven. Met name in krankheden is dit een grote troost, dat men niet bij de tweede oorzaken behoeft te blijven staan, maar in de eerste plaats de hand Gods heeft te erkennen en te eren.
In het u voorgelezen gedeelte van Handelingen 3 zien we zulk een kranke aan één der tempelpoorten zitten. Hij zit daar waarschijnlijk al jaren lang. Kreupel wordt hij genoemd, maar waarschijnlijk zal dit hier menen dat hij het gebruik zijner beide voeten moest missen, hetzij door lamheid of anderszins, omdat er ook volgt dat men hem dagelijks aan de poort neerzette. Zichzelf bewegen kon hij dus geheel en al niet. Nooit had hij het gebruik zijner voeten gekend; hij was kreupel van zijn geboorte af aan. Aan geen ongelukkig toeval, aan geen noodlottige gebeurtenis kon hij dus zijn krankheid toeschrijven. Zoals hij daar zat was hij uit de hand van zijn Schepper voortgekomen, beroofd van het gebruik zijner voeten. Hij stond dus met deze zaak vlak tegenover zijn God. Als hij iemand zou willen verwijten dat hij zo bezocht was, zou hij het God moeten verwijten, die hem zo had doen geboren worden. Alle klacht daarover zou direct aan God geklaagd moeten zijn. Er bestond geen aanleiding en gevaar dat zijn gedachten bij de overdenking van zijn droevig lot bij tweede oorzaken zouden blijven stilstaan. Hij kon niet denken: Was dit of dat ongeval niet gebeurd, dan zou ik ook, evenals die anderen, vrij op mijn voeten rondwandelen. Neen, in zijn gedachten kon het niet anders zijn dan zo, dat God hem dit had toebeschikt.
Hij zit dus dagelijks aan één der poorten van de schone tempel, die Herodes had doen bouwen. Aan de voet dier geweldige steenmassa's, die de tempel samenstelden, lag hij temeer. Wat was voor het oog der menigte die voorbijstroomde die arme kreupele, vergeleken bij de grote tempel waarin hun God woonde? Wat was voor oud-Israël het leven van een enkel mens, vergeleken bij de tempel Gods? Des Heren tempel, des Heren tempel, hadden ze reeds in Jeremia's dagen geroepen, des Heren tempel is deze (Jer. 7 : 4). En reeds die oude profeet had gewaarschuwd tegen het gevaar op de tempel te bouwen, indien niet het eigen hart een tempel Gods werd. En nog in Jezus' dagen gold het bij de schriftgeleerden en Farizeeën, dat wie zei: Het is korban, dat is een gave, dat is: het vervalt aan de tempel, dat was beter dan zijn ouders daarvan te onderhouden (vgl. Mk. 7: 11 v.). Wat was het leven van een enkel mens, vergeleken bij de tempel waarin Jehova woonde? Wat had deze arme kreupele voor waarde, vergeleken bij die grote tempel van Herodes voor de voorbijgangers?
Maar zo dacht God zelf niet. Hij woont liever in het hart van een mens, dan in een stenen gebouw, en achtte deze arme kreupele hoger dan alle schone stenen des tempels. Dit mag een troost zijn voor ieder mens. Hoe klein, hoe pover, hoe zwak, hoe onaanzienlijk gevoelt hij zich soms tegenover de natuur, tegenover de geweldige krachten die daarin werken, en toch mag hij erop rekenen dat boven dit alles hijzelf het voorwerp van de zorg Gods is. We zullen zien hoe de kreupele aan de Schone Poort dit was.
Daar gaan langs hem henen mensen van allerlei slag en gading. Daar komen de priesters in staatsiegewaden, daar komen de wetgeleerden, daar komen ook de tollenaars, en allen gaan langs de kreupele heen en geven misschien iets tot zijn onderhoud. Maar niemand kan hem helpen. Zij kunnen iets doen tot verlichting van zijn ellende, door hem een aalmoes te geven. Maar genezen kan hem niemand.
De kreupele, zoals hij daar aan de Schone Poort des tempels gezeten is, is een beeld van de mens, zolang Gods Geest hem niet heeft aangeraakt. Ook hij is gezeten tegen een schone achtergrond. In de schone schepping Gods leeft hij. Heerlijk bloeit om hem heen de natuur. Schoon welft boven hem als een grote koepel het blauwe hemelgewelf. Het is hem in sommige ogenblikken of hij zich in een grote tempel bevindt, waarin God overal is en nergens. Niets is gespaard om de tempel zo schoon mogelijk te hebben. God heeft zich niet karig betoond in zijn schepping. Er is rijkdom, weelde, overdaad.
Maar het kan de mens schijnen alsof hij zich daarin niet geheel en al thuis bevindt, alsof hij hierbij niet geheel en al past. Hij kan zich gevoelen als een kreupele, die tegen deze schone tempel gelegen, ellendig en krank is. Wat kan hij zich tegenover dit alles klein en nietig gevoelen. Hoe kan hij zich bezoedeld gevoelen tegenover het reine blauw van het hemelgewelf. Dat komt, hij is schuldig voor God, en zondig voor zijn aangezicht. Hij is kreupel aan zijn voeten, van zijn geboorte af aan. Hij ligt mede onder de vloek, die het mensdom heeft getroffen. En zolang God hem niet heeft genezen, zal hij van aalmoezen moeten leven, van brokstukken die hem worden toegeworpen, maar die hem niet beter maken. Zolang de grote Heelmeester hem niet heeft opgezocht, moet hij van allerlei leven, blijft zijn toestand onwaardig, en zal hij blijven een arme kreupele, gezeten tegen een schone tempel.
Want wat is alles wat de mens kan krijgen, zolang hij zich niet door God laat genezen, anders dan een ellendige aalmoes? Wat is voor een hart dat niet eerder bevredigd kan zijn dan door de gemeenschap met een heilige God, alles wat de wereld hem kan geven buiten God om, anders dan ellendige brokstukken? Wat is de kreupele in de poort, vergeleken met de priester aan het altaar? En zo ook: wat is de mens in zonde, vergeleken met de reine priester der schepping, waarvoor God hem bestemd heeft?
Het eerste wat hij dus nodig heeft, is te komen tot de kennis zijner ellende. Hij moet eerst inzien dat deze toestand niet aan Gods wil beantwoordt. Zolang hij er vrede mee houdt, zal bij kreupel blijven. En zoals de kreupele zich te ongelukkiger gevoeld zal hebben, naarmate hij in schoner omgeving lag, zal ook voor de zondaar Gods natuur kunnen medewerken om hem van zijn onwaardigheid te overtuigen, om hem tot het inzicht te doen komen dat er een wanklank door de schepping gaat juist door zijn eigen toestand, dat er geen overeenstemming is tussen de schone harmonie der natuur en de verscheurdheid en gedeeldheid van zijn gemoed. Natuur en Schriftuur, het is het dubbele boek, naar de uitdrukking onzer vaderen, waarin God als met leesbare vinger heeft geschreven. Maar mag de hand Gods in de natuur leesbaar zijn, bovenal blijft zijn wil voor ieder duidelijk in de Schriften, die wijs kunnen maken tot zaligheid (2 Tim. 3: 15). Daarin wordt zijn kwaal aangewezen, dat hij onrein is van de voetzolen tot het hoofd (vgl. Jes. 1 : 6). Hij zal moeten vernieuwd worden door Gods Geest; die alleen zal hem kunnen helpen.
Ook voor de kreupele aan de Schone Poort komt redding van de Geest Gods. Onder de vele tempelgangers bevinden zich ook een paar eenvoudige mannen, van wie hij zeker geen grote aalmoes verwacht zal hebben. Het waren geen rijk geklede priesters, die in grote staatsie tempelwaarts gingen, en grote aalmoezen konden geven. Het waren ook geen stemmige schriftgeleerden, die het volk milddadigheid inprentten. Het waren een paar gewone mannen, wier uiterlijk niets buitengewoons te zien zal hebben gegeven. Wij die de geschiedenis kennen, wij weten wie ze zijn. Het zijn Petrus en Johannes, die mede opgingen naar de tempel.
Ons blijkt hier dat de apostelen, nadat ze de uitstorting van de Heilige Geest hebben ontvangen, zich volstrekt niet van hun volksgenoten hebben afgescheiden. Integendeel, zij gaan nog geregeld mede op naar de tempel. De kreupele vraagt ook hun, evenals anderen, om een aalmoes. Maar wat zullen ze geven? Ze hebben niets om mee te delen. Dat is niet hun bedeling, bezig te zijn in de schatten der aarde; hun is door Jezus Christus de uitdeling der geestelijke goederen toevertrouwd. Zij hebben naar het woord van de Heiland geen goud noch zilver in hun gordels (Mt. 10 : 9). Maar ze hebben wat beters. Zij hebben de Geest Gods ontvangen, en in de kracht van die Geest kunnen ze veel doen.
De kreupele vraagt hun een aalmoes. Hij denkt er niet aan te vragen om genezing van zijn krankheid. Dat is hij reeds gewoon, dat hij daar aan de Schone Poort moet zitten, met lamheid geslagen. Dat is hem een tweede natuur geworden. Waar hij zich thans alleen nog mee bezig houdt, dat is dat verzamelen van aalmoezen, en als hij er veel heeft gekregen, dat noemt hij een goede dag. Doordat hij nooit het rechte gebruik zijner voeten heeft gekend, denkt hij er niet meer aan om te willen lopen zoals die anderen, maar is zijn enig doel aalmoezen verzamelen.
De mens kan, doordat hij gewoon is aan een leven buiten God, zijn hoge roeping vergeten, en dat goed noemen wanneer hij veel gekregen heeft van hetgeen een magere vergoeding moet heten van zijn werkelijk erfdeel. Hij kan door het erfdeel in de hemelen te vergeten, heel blij zijn met wat hem van elders in de schoot geworpen wordt. Dan bidt hij niet meer om de Heilige Geest, maar hij vraagt alleen wat hem begeerlijk voorkomt.
Als de kreupele de apostelen om een aalmoes vraagt, zien ze sterk op hem, lezen we (vs. 4). Dit zal de kreupele getroffen hebben. Hij was gewoon een aalmoes te ontvangen, maar de meeste van zijn weldoeners zijn hem waarschijnlijk voorbijgelopen zonder veel op hem te letten. Ze zullen hem een kleinigheid gegeven hebben en daarmee uit. Verder zullen ze misschien blij zijn geweest van hem af te zijn. Hoe anders de apostelen. Zilver of geld hebben ze niet. Een kleinigheid om hem tevreden te stellen is niet in hun bezit. Maar ze doen meer dan die anderen. De man die daar zit trekt hun aandacht. Zij schenken hun volle attentie aan hem. Zij hebben een oog niet alleen voor de hand die hij smekend ophoudt, maar ook voor de verlamde voet die hem daar hulpeloos doet ternederzitten. Ze hebben een oog niet alleen voor de behoefte die hijzelf uitspreekt, maar ook voor de grotere behoefte waaraan hijzelf bijna niet meer denkt. Juist dat vragen om een aalmoes maakt hun deernis gaande, en ze wensen hem zo te zien, dat dit vragen overbodig wordt. En ze zien sterk op hem! Hoe moet dit deze man hebben getroffen, dat hijzelf eens het voorwerp van belangstelling wordt. Hoe moet hem reeds deze belangstelling goed hebben gedaan, die niet als die anderen met een aalmoes zich van hem afmaakt, maar de scherpste opmerkzaamheid aan zijn persoon wijdt.
En Petrus gebiedt hem ook hen aan te zien. Zijn aangezicht, door moedeloosheid gedrukt, moet hij van de aarde oprichten en hij moet hen eens in de ogen zien, en er de belangstelling uit lezen die zij voor hem koesteren. Er moet aanraking, verbinding allereerst komen tussen hen en tussen de kreupele, ze moeten eerst elkander aanzien en begrijpen. Maar de verdoving bij de kreupele is te sterk, de gewoonte van aalmoezen te ontvangen is te vast, hij heeft geen ontvankelijk hart meer voor een belangstellende blik, door verwaarlozing is zijn hart hard geworden. Hij kan niet geloven dat het om hemzelve te doen is. Hij hield de ogen op hen, zo lezen we, verwachtende dat hij iets zou ontvangen (vs. 5).
Zo wordt het menselijk hart, wanneer het verwaarloosd wordt. Het wordt schuw en schrikachtig en trekt zich terug. Het gelooft tenslotte niet meer in de mensheid, in de liefde, in God. Het wanhoopt aan alles wat het zou moeten hopen. Het verliest alles wat het zou moeten behouden. En dit gevaar bestaat voor ieder mens: dat de levensgang het hart dof maakt en ongevoelig, wantrouwend en achterdochtig; dat het tenslotte niet meer gelooft in de almachtige liefde Gods, en niet meer hoopt op een eeuwig zalig leven, en dat het zich tevreden geeft als maar enigszins het lot dragelijk wordt gehouden, door wat het bijwijlen nog voor goeds in de schoot wordt geworpen.
Om dit te voorkomen buigt God zich neder tot de mens op allerlei wijze. Hier is het in de apostelen Petrus en Johannes. Maar Hij doet het op allerlei wijze en in allerlei vormen en zegt: Zie gij Mij eens aan, en lees gij eens in mijn oog, en zie of Ik u verwaarloos, en of Ik aan u voorbijga. God maakt zich niet af van de mens met hem een aalmoes te geven; Hij geeft zichzelve, Hij deelt zijn ganse wezen aan hem mede, en wil daardoor hem voor verdoving en verstomping behoeden.
Maar het duurt soms lang, of het is soms onmogelijk, dat de mens dit gelooft. Hij houdt weer onwillekeurig zijn hand op voor een aalmoes, een bete voor zijn nooddruft, en zou misschien maar liever hebben dat God aan hem voorbijging, en hem in zijn doffe rust liet. Dan kon hij voortdommelen in de oude sleur en behoefde niet op zijn treurige toestand te zien en behoefde niet herinnerd te worden aan zijn hopeloos bestaan.
Maar met deze toestand wil God allerminst vrede hebben. Hij haat dit stelsel van aalmoezen op geestelijk gebied. Hij wil verbreken die toestand van tevredenheid met een onwaardig bestaan, omdat de kern daarvan is ongeloof aan de almacht van zijn liefde. Hij wil niet eerder rusten voor het hart ontsloten is voor de werking van zijn Geest, voor het hart Hem heeft toegelaten daarin te wonen. Daartoe moet allereerst het oog op Hem gericht worden. Het moet afgekeerd worden van de aarde en moet zijn aangezicht zoeken. En dan gaan deze twee hand in hand, het geloof in de liefde Gods tot zondaren, en het besef van eigen gezonken toestand. Deze twee zijn onafscheidelijk verbonden. Alleen wie een oog heeft voor Gods vergevende liefde kan recht zich bewust worden van eigen onwaardigheid en ongeloof daartegenover. Alleen wie Gods oog op zich gevestigd ziet zal zich herinneren wat zijn werkelijke toestand is. Tegenover de heiligheid dier liefde komt de zwartheid van de ondank te sterker uit. Tegenover het vasthouden van zijn trouw wordt te helderder eigen afdwaling gezien. Maar ook omgekeerd is het besef van eigen gezonken toestand de voorwaarde voor het geloof in God. Wie het zelf meent te kunnen stellen, zal Hem niet nodig hebben. Wie zelfgenoegzaam is, meent Hem te kunnen missen. Maar wie Hem nodig heeft, wordt juist getroffen op het sterkst door zijn opzoekende liefde. Die treft het te meer dat God hem niet met een aalmoes, een bete, een brok afscheept, maar hem gans en al wil hebben; dat God geen vrede heeft met zijn gezonken toestand, maar juist hem daaruit wil opheffen.
Zo vallen ze samen: de blik der liefde van God op de zondaar, en de blik des geloofs van de zondaar op God. Zo gaan ze samen: het opzoeken en het zich laten vinden, het geven en het vertrouwen.
Zo was het bij Petrus en Johannes en de kreupele. Want wat was het, dat deze mannen van die anderen onderscheidde? Ze waren vervuld met de Heilige Geest, met de liefde Gods, en waren daardoor met barmhartigheid vervuld jegens alle ellendigen. Als de kreupele hen blijft aanzien, zegt Petrus: Zilver of goud heb ik niet, maar hetgeen ik heb, dat geef ik u: in de naam van Jezus Christus de Nazarener, sta op en wandel. En hem grijpende bij de rechterhand, richtte hij hem op en terstond werden zijn voeten en enkelen vast (vs. 6 v.). Boven verwachting ontvangt hier de kreupele: een aalmoes heeft hij verwacht en persoonlijke mededeling ontvangt hij. Want wat is deze genezing anders dan een uitgaan van de kracht Gods door de persoon van Petrus? Medelijden, zelfmededeling wordt vereist, en door deze twee gaat de kracht Gods uit.
Zilver of goud heb ik niet, zegt Petrus, maar wat ik heb, dat geef ik u. Hoe zijn rijkdom en armoede hier verbonden. Geld heb ik niet, maar ik geef u de kracht Gods. Goud en zilver heb ik niet, maar ik geef u mijzelve! Petrus heeft niets en hij heeft tegelijk alles. Er is niets, wat hij het zijne kan noemen en toch beschikt hij over de ganse rijkdom der wereld. Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde, had Jezus gezegd bij zijn heengaan (Mt. 28 : 18), en ziet: wij zien Petrus hier putten uit de onuitputtelijke volheid, en zonder karigheid geven wat hij geven kan. De Geest, door Jezus Christus gezonden van de Vader, gaat zijn overwinningstocht over de aardbodem beginnen, gaat tot kreupelen en geraakten, tot bedroefden en beproefden. Want dat is toch het allereerste kenmerk van de Geest van Jezus Christus: dat Hij opricht wat gebogen ligt, dat Hij geneest wat gebroken is, dat Hij heelt wat krank is. Daaruit worden allereerst de geesten kenbaar of zij uit God zijn, of ze wat hulp en redding nodig heeft zoeken en tot het nederige zich nederbuigen.
In naam van Jezus Christus de Nazarener. In Hem had God zich geopenbaard zoals nooit tevoren. In Hem had Hij zijn ganse liefdewerk getoond. Daarin had Hij zichzelve gegeven aan de wereld. In zijn naam moet het ook zijn dat alle band wordt verbroken, die de mens kluistert. In zijn naam ligt over zonde en dood het vonnis uitgesproken. In zijn naam zal, zoals de profeet zegt, de kreupele springen als een hert, en de tong des stommen juichen, de ogen der blinden geopend worden, en der doven oren geopend worden (Jes. 35 : 5 v.). Dit alles zal in zijn naam geschieden, omdat in Hem de verlossende werkzaamheid Gods op 't hoogste is geopenbaard. Met Hem is een nieuwe orde van dingen op aarde ontstaan, een nieuwe staat van zaken geboren. In Hem is de ganse schepping van de banden des doods verlost.
In zijn naam wordt ook deze kreupele genezen. Petrus is zo zeker van de uitwerking van zijn woord, dat hij reeds de hand reikt om hem op te richten. Hij wacht niet eerst om te zien of zijn woord wel het gewenste gevolg zal hebben. Neen, tegelijk als hij het zegt: In de naam van Jezus Christus de Nazarener, sta op en wandel, steekt hij ook de hand uit om hem op te richten. Daar stond dan de kreupele op zijn voeten, zoals ieder ander mens. En opspringende, stond en wandelde hij en ging met hen in de tempel, wandelende en springende en lovende God (vs. 8). Boven zijn begeren had God hem gedaan. Een aalmoes had hij van Petrus gevraagd. De gezondheid heeft God hem gegeven.
En nog altijd blijft God dezelfde. Hoeveel wordt er niet gebeden om allerlei, wat we het best kunnen vergelijken met de aalmoes die deze kreupele wilde hebben. Hoe wordt in verstomping en gewoonte de ware bede dikwijls vergeten en nagelaten, de bede om de Heilige Geest, om vernieuwing des harten. Maar dan ziet God wel dat iets anders nodig is, dat achter dat gebed een gehele wereld van behoeften verborgen ligt, die niet uitgesproken zijn, en dan is het eerste en nodigste wat Hij doen wil: de wereld van behoeften aan de mens kenbaar te maken, en er hem op wijzen dat hij wederom geboren moet worden, zoals Jezus tot Nicodemus zei, die tot Hem kwam: Tenzij iemand wederom geboren worde, hij kan het koninkrijk Gods niet zien (Joh. 3 : 3). Maar God doet meer. Hij maakt niet alleen bekend met de behoeften des levens. Hij vervult die ook. En dat onderscheidt de werking Gods van alle menselijke hulp. God kan ook verlossen, als Hij op de behoeften gewezen heeft. En Hij steekt zijn hand tot de mens uit en zegt: Sta op en wandel. En dan heeft de mens niet anders te doen dan die hand aan te grijpen en zich te laten oprichten.
'Maar moet de mens daaraan dan medewerken?' zal dan iemand zeggen. Doet God niet alles in het werk der bekering? Wat dunkt u: zou ook de kreupele, toen Petrus hem de hand toestak, zich lang bedacht hebben of hij wel mee mocht werken aan zijn genezing? Of zal hij hem met vreugde hebben gevat en opgesprongen zijn? Op deze wijze kunnen de schoonste waarheden gebruikt worden om eigen onwil mede te dekken. Zo kan de almacht Gods dienen om aan die almacht in het mensenhart een perk te zetten. Zo gebruikt de boze de dogmatiek der christelijke kerk om er die kerk zelve mee te bestrijden.
God is het dus die de kennis der zonde wekt, maar die ook opricht. Van de kreupele wordt ons gezegd dat hij opsprong, stond en wandelde, en met hen in de tempel ging, wandelende en springende en lovende God. En dat zal van elke verlossing die God werkt het natuurlijk gevolg zijn. Op elke genezing Gods moet volgen een opgaan om Hem te loven. Wie door God is verlost zal dan ook de dank zijns harten moeten betalen. En dat zal ook van alle waarachtige verlossing het natuurlijk gevolg zijn. Hoe zou niet wie van aalmoezen geleefd heeft van zijn geboorte af, de dag zegenen waarop hij tot vrij en zelfstandig wezen is geworden? Hoe zou niet wie het oog Gods op zich gevestigd heeft gezien tot zijn behoud, daarover ten hoogste verblijd zijn? Alle werk Gods is uit God en moet ook uitlopen op de verheerlijking Gods. De schepping niet alleen, ook de herschepping moet tot lof en prijs van God zijn. Uit zijn gemeente moeten de hoogste loftonen tot zijn eer worden gehoord.
Hebben wij, mijne hoorders, reeds reden, evenals de kreupele in de Schone Poort, God te loven? Is ons reeds het wonder Gods geschied, dat ons reden geeft die lof in onze mond te nemen? Hebben wij reeds het hoofd omhooggewend om Gods aangezicht te zien en in zijn oog te lezen dat Hij het goede voor ons wil? Zo niet, dan zijn we nog als de kreupele die in de poort van aalmoezen moest leven. En dan geeft het ons niet of de omgeving schoon is; wijzelve zijn dan ellendig.
Maar zo we door de kracht Gods aanvankelijk zijn opgericht, dan is er ook reden om met blijdschap en vreugde onze weg te gaan en God te loven in zijn tempel.