Efesiërs 4 : 20 en 21
Doch gij hebt Christus alzó niet geleerd, indien gij maar Hem gehoord hebt en door Hem geleerd zijt, gelijk de waarheid in Jezus is.
Efesiërs 4 : 20 en 21
In de dagen des doods en van het oordeel zal er niet gevraagd worden: Zijt ge rijk geweest of zijt ge arm geweest, hadt ge een scherp verstand of behoordet ge tot de eenvoudigen, kondt ge lezen en schrijven of kondt ge het niet? Maar dan zal het erop aankomen of ge een christen geweest zijt, en of ge werkelijk met lichaam en ziel het eigendom van Jezus Christus uw Heer zijt. Er zullen van ons geen getuigschriften van mensen gevraagd worden, zoals hier menigmaal nodig is, wanneer ge ergens toegang wilt hebben. Maar Jezus Christus zal voor u moeten voortreden bij de Vader en het uitspreken: Dat is mijn eigendom. Die Gij Mij gegeven hebt, niemand zal ze uit mijn hand rukken (Joh. 10 : 28 v.). Dan, wanneer uw leven op het nauwste zal worden doorzocht en uw levensboek blad voor blad openbaar zal worden, dan zal het er niet het meest op aankomen wat uw wederwaardigheden zijn geweest in de levensomstandigheden, of ge veranderd zijt van staat en stand des levens, maar dan zal de meeste aandacht vallen op de inwendige geschiedenis uws harten, en het erop aankomen of ge u hebt afgekeerd van de boze weg, en Jezus Christus hebt lief gekregen in uw hart, met andere woorden: of ge u bekeerd hebt.
Het is met het oog op die belangrijke zaak, dat de apostel zich in onze tekstwoorden tot de gemeente van Efese richt. Hij spreekt daar over het rechte leren van Christus: het afleggen van de oude mens, en het aandoen van de nieuwe mens (vgl. Ef. 4 : 22 vv.). De apostel begint met deze woorden: Doch gij hebt Christus alzó niet geleerd. Het valt ons bij het lezen van deze woorden op, dat hier eigenaardig gesproken wordt van het leren van Christus. En nu willen we toegeven dat, zoals sommigen menen, dit gezegd kan zijn voor leren van of over Christus, maar toch schijnt het ons waarschijnlijker dat Christus hier enigszins in andere zin staat, dan Jezus in het volgende vers. Wanneer ge het in uw kerkboeken hebt nagezien, merkt ge dat in vers 21 staat: gelijk de waarheid in Jezus is. In vers 20 staat: Christus. En nu weten we allen wel dat er in betekenis een onderscheid bestaat tussen de naam Jezus en de naam Christus. Naar de betekenis dier beider namen wordt in onze catechismus gevraagd. Jezus wil zeggen: Zaligmaker. Christus betekent Gezalfde. En nu leest gij in de evangeliën altijd de naam Jezus. Dat is onze Heer en Zaligmaker zoals Hij op aarde rondwandelde en leerde en de kranken genas. Daar leest ge nooit: Christus zei of Christus deed dit, maar altijd Jezus; de Heer die men met de vinger kon aanwijzen. Christus is de titel van de Heer. Als Petrus het uitspreekt, dat: Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods (Mt. 16 : 16), dan spreekt hij daarmee een verborgenheid uit, waarover de Heer zelf zich verblijdt. Christus is de titel van de Heer, waarmee Hij meer na zijn opstanding genoemd wordt. Door die opstanding, zo lezen we in de Handelingen in de rede van Petrus op de pinksterdag, door die opstanding is Jezus krachtiglijk bewezen te zijn de Zoon Gods. Christus, zo wordt meer de opgestane Heer genoemd, vooral in de brieven van de apostel Paulus. Paulus zegt, dat, al heeft hij de Heer naar het vlees gekend, hij Hem nu niet meer kent naar het vlees (2 Kor. 5 : 16). Christus, dat is de Heer, zoals Hij niet meer lijdt onder Pontius Pilatus, maar is opgestaan ten derden dage, is opgevaren ten hemel, zittende ter rechterhand Gods, vanwaar Hij komen zal om te oordelen de levenden en de doden. Christus is degene, met wie de gemeente in de hemelen gezet is (Ef. 2: 6), in wie ze wandelt, en wien ze leeft.
We gevoelen dat er onderscheid is. 'In Jezus leven' zouden we niet kunnen zeggen; wel 'met Jezus leven'. Eéns zullen wij met Jezus leven. 'In Christus zijn' is een van de meest zeggende en heerlijkste uitdrukkingen, waarin het christelijk geloof zich uitspreekt. Het zou een eenvoudig gelovige niet gemakkelijk vallen zich hierover te verklaren, te zeggen wat hij daarmede bedoelt, maar hij gevoelt het des te beter. Christus is niet meer de Jezus, die voor vele eeuwen op aarde rondwandelde, maar het is de Heer der gemeente; ja, de gemeente beweegt zich in Hem en leeft uit Hem op verborgen wijze, zoals de rank leeft uit de wijnstok. Hij is de lucht, waarin de gemeente ademt, de gerechtigheid, waarmee zij bekleed is, de heiligheid, waardoor zij opwast en gesterkt wordt. Hij is met de zijnen naar zijn majesteit, genade en Geest.
Zo is Christus nog wel een persoon, maar niet meer in de zin waarin Jezus dat was, maar in veel wijder zin, zoals de gemeente spreekt van de personen in het goddelijk Wezen: Vader, Zoon en Heilige Geest - waar ze stamelt van wat ze niet meer vatten kan. De gemeente spreekt van Hem in de taal des geloofs en der aanbidding, niet in de taal van het nuchtere weten.
En zo wordt in de brieven van Paulus en in de belijdenisschriften der christelijke kerk van Christus gesproken zo, dat ook zijn invloed daarmede bedoeld wordt. De nieuwe wereld, die door Hem komt; het nieuwe leven, dat Hij brengt; de gerechtigheid en de vrede, die Hij aanbrengt en waarin de gemeente deel krijgt, waarin ze wandelt. En nu wordt dit alles niet afgescheiden van Jezus, maar ge merkt toch: hier wordt gesproken een taal des geloofs. Zo verstaan we ook, wanneer de apostel spreekt van Christus leren. Het wil hier eigenlijk zoveel zeggen als: met al datgene kennis maken, wat in zijn Naam besloten is. De wijsheid van God, rechtvaardigmaking, heiligheid en verlossing. Dat alles is Christus ons geworden, zegt de apostel (1 Kor. 1 : 30). In Hem leeft men op gans andere wijze dan buiten Hem. Het is een nieuw leven, dat men leren moet door de Heilige Geest.
Door dat ene woord 'Christus' begrijpen de gelovigen elkander het best. Dat verstaan ze in het binnenste van hun gemoed. Dat is de sleutel tot al hun ervaringen. Maar nu ontstaat er in sommige van Paulus' gemeenten een gevaar. Men maakt dat 'in Christus zijn' los van het leven. Men scheidt Christus van Jezus. Het uitnemendst christelijke gaat men zien in zeer diepe bespiegelingen, in gemoedsbewegingen, in buitengewone oefeningen. Men maakt Christus los, zo los van de wereld, men maakt Hem zo los van het leven, dat Hij er tenslotte buiten staat. En dan vergeet men te denken aan Jezus, die op aarde rondwandelde en dan maakt men zichzelf een Christus buiten het Evangelie om: een gedachte. En bij de één wordt Christus dan de filosofie, waartegen de apostel waarschuwt, bij de ander de lichamelijke oefening, die tot niets nut is (1 Tim. 4: 8), bij een derde een zich verdiepen in verborgenheden, waarin men het echte vindt. Maar bij deze mensen raakt het christelijk leven het verband met het leven kwijt. Ze denken zich zalig of ze dromen zich zalig of ze vasten zich zalig, maar de heerlijke zaligsprekingen van de bergrede zijn ze vergeten. Zalig.... enzovoort. Ze hebben Jezus Christus uiteengerukt en zich een Christus gemaakt, waaraan Jezus vreemd is: een Christus, die de zonden niet oordeelt, maar boven het leven zweeft, een gedichtsel van het eigen hart. En de schade daarvan blijft niet uit.
Ten dele zullen dergelijke dingen in de gemeente van Efese voorgekomen zijn. Ten dele zal de apostel alleen waarschuwend zijn opgetreden. Maar door al de brieven van de apostel Paulus komen we dat gevaar tegen, waarmede de apostel te strijden heeft. Hij, die Christus niet meer naar het vlees kent, hij, de Christusprediker bij uitnemendheid, die ook zelf de verborgenheden kent van het Koninkrijk der hemelen, die opgetrokken is geweest, zoals hij het noemt, en gezien heeft onuitsprekelijke dingen, welke het geen mens geoorloofd is uit te spreken (2 Kor. 12: 4), hij, die werkelijk geen koude wetsprediker is - en enkel een navolging van Jezus predikt -, maar zijn vleugelen uitslaat in de hemelen, de taal des geloofs spreekt en in Christus leeft, hij heeft het gevaar gezien en weerstaan en heeft geen andere Christus willen prediken dan de gekruiste (1 Kor. 2 : 2).
Daarom zegt hij tot zijn gemeenteleden, nadat hij hen op de zonden heeft gewezen dergenen die hen omringen: Doch gij hebt Christus alzó niet geleerd, indien gij maar Hem gehoord hebt en door Hem geleerd zijt, gelijk de waarheid in Jezus is. In de grondtekst staat eigenlijk: indien gij Hem gehoord hebt en in Hem geleerd zijt, gelijk het waarheid is in Jezus. De apostel wijst hen erop, dat ze niet maar oppervlakkig van Christus gehoord hebben, maar ook in Hem als 't ware gestudeerd hebben. 't Is hier een sterke uitdrukking. Gij kunt het toch zo goed weten, bedoelt de apostel, dat de waarheid of dat het waarheid is in Jezus. We zijn geen kunstig verdichte fabelen nagevolgd, zegt Paulus op een andere plaats. Hij waarschuwt tegen de filosofie als ijdele verleiding. In Jezus is het heerlijk en waarheid. Jezus is opgestaan. Op de Heer, zoals Hij op aarde rondwandelde, wijst hij hen heen.
Doch gij hebt Christus alzó niet geleerd, indien gij maar Hem gehoord hebt en door Hem geleerd zijt, gelijk de waarheid in Jezus is.
Gemeente, de Heer Jezus zegt in de bergrede, dat er een tijd zal komen, dat de waterstromen zullen komen en tegen het huis onzes levens aanlopen, en dat het dan beproefd zal worden of dat huis op de steenrots dan wel op de zandgrond is gebouwd (Mt. 7: 24-27). Wee degene, wiens huis op de zandgrond gebouwd is. Daarvoor komt het erop aan. dat onze kennis van Christus niet ijdel zij. Voorop sta, dat we Christus moeten kennen. Jezus is de stam; met Jezus wandelen, leven.
Er zijn mensen die met de brieven van Paulus niet veel op hebben. Ze dwepen met de bergrede en met andere woorden van de Heer, maar voor de betekenis van zijn bitter lijden en sterven hebben ze geen oog en oor, zijn wonderen kunnen ze niet waarderen, en met de opgestane Heer weten ze geen weg en raad. De Christus der Schriften, van de brieven van Paulus, is hun een vreemde, en ze kennen niet de zoete mystiek, de heerlijke verborgenheden van het leven in Christus, van het geborgen zijn in Hem. Van dit alles weet de apostel Paulus niets. Hij weet niet van een uit de verte meewandelen van de rabbi uit Nazareth, waardoor de wereld niet vernieuwd wordt. Hij predikt geen nieuwe wet, waardoor het Evangelie van Christus krachteloos wordt gemaakt. Hij is niet bevreesd voor Christus' naam en titel, maar zegt het: Wij brengen Christus niet meer naar het vlees (vgl. 2 Kor. 5 : 16). Hij weet te schouwen met het oog van een ziener; hij spreekt de taal des geloofs en niet de voorzichtige taal van de onderzoeker dezer eeuw.
In Christus te zijn, Christus te kennen en de kracht zijner opstanding, dat wil zeggen, gemeente: gerechtvaardigd te worden uit het geloof en niet uit de werken der wet (Gal. 2: 16); dat wil niet zeggen, dat wij 'Vader' zeggen omdat wij eens zelf kinderen waren, maar omdat Christus ons kinderen maakt door ons het Onze Vader in hart en mond te leggen; niet omgekeerd. Christus te belijden en te geloven wil zeggen: zich gedragen te weten en daarin de zaligheid en zekerheid des levens te gevoelen, zich verzoend te weten en daaruit de vrijmoedigheid des gebeds te putten, zich geheiligd te weten en daaruit te putten de kracht tot de strijd tegen de zonde en de afkeer tegen het kwade. Christus te kennen doet de gedachten opheffen tot Hem die in de hemel zit, verwijdt de gedachten tot een kloeke vlucht, en maakt de eenvoudigste van een armzalige zedenmeester tot een vrije en vrome dichter. Christus ontwikkelt het gevoel, geeft warmte van geloofsleven, geeft rust en vrede in het volkerengerucht. Dit alles is bij de apostel en bij een waarachtig Christgelovige, die belijdt dat 'ik met lichaam en ziel niet mijns, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben'.
Maar deze ervaringen zijn ten nauwste met het leven verbonden - en met al zijn ervaringen. We mogen Christus niet van Jezus scheiden, maar, zegt ons formulier bij het Avondmaal, Hij is dezelfde, die voor ons aan 't kruis geleden heeft. Ook dat gevaar is niet denkbeeldig, dat de brieven van Paulus ons de bergrede zouden doen vergeten. Jezus mag na de opstanding niet vergeten worden.
In de Middeneeuwen was de bergrede in ere; in 't algemeen de evangeliën. Men oefende zich in de betrachting van de lijdensgeschiedenis. Stap voor stap ging menigeen in de dagen der week met de Heer mede naar de dood. De geschiedenis van de rijke jongeling bracht menigeen ertoe z'n goederen weg te geven. De geschiedenis van het penningske van de weduwe deed de harten tot liefdadigheid aansteken. De liefde en omgang van de Heer tot de armen bracht menig hart tot een roerende zorg voor de armen en verlatenen. In één woord: de evangeliën hadden invloed.
Luther heeft de kracht van de Christus-naam ontdekt in Paulus' brief aan de Romeinen. De vrijheid der kinderen Gods (vgl. Rom. 8: 21). Het 'niets kan ons scheiden van de liefde van Christus' (vgl. Rom. 8 : 39). De macht die we ontvangen hebben, kinderen Gods genoemd te worden.
Maar zou er nu geen gevaar zijn Christus en Jezus te scheiden, en het Jezus Christus bij de apostel te scheiden? De apostel waarschuwt: Doch gij hebt Christus alzó niet geleerd, indien gij maar Hem gehoord hebt en door Hem geleerd zijt, gelijk de waarheid in Jezus is. De kennis van Christus doet Jezus geen vreemde worden. Wie Christus leert, wandelt met Jezus. Hij wil het voorkomen dat menigmaal de gedachten, wanneer het heil in Christus de zorg des harten is, te los buiten het leven staan. Men heeft dan niets voor zich dan enkele gedachten, en denkt: Hoe zal ik verzekerd worden? Jezus is te veraf, en daarom is Christus ijdel. Christus is niet ijdel, geen spel der gedachten, maar zijn geschiedenis wortelt op de aarde en is een geschiedenis van bloed en tranen. Ze is verlopen tussen de mensen, in de strijd met de boze en de machten der duisternis. Hij heeft de ergernis der wereld geweten. Hij heeft des nachts gebeden in de eenzaamheid. Hij heeft geen hoofdkussen gehad. Hij heeft het verlorene gezocht. In Hem is het waarheid, de Christus-naam, geen ijdele klanken en geen gedachten, geen bespiegeling buiten het leven en de wereld om. Het Woord is vlees geworden (Joh. 1 : 14).
Menigeen tobt daarover: Hoe zal ik verzekerd worden van de vergeving der zonden? En hij vindt geen zekerheid, omdat hij met die vragen te ver buiten het leven gaat, omdat hij Christus te veel van Jezus scheidt. Christus voor zondaren gestorven, dus ook voor mij. Maar deze persoonlijke toeëigening is een levensdaad, staat niet buiten verband met de andere dingen van uw leven. Petrus ontdekt de Heer door zijn omgang met Hem. Christus wenkt u niet buiten het leven, maar staat achter uw leven, in Jezus' gestalte. Elke toeëigening van Christus brengt tegelijk bekering en navolging van Jezus. En elke omgang en wandel met Jezus doet Christus aan, en toeëigenen.
Zo is er misschien als in Paulus' dagen wel hier en daar een christen, die gerust is, dat hij geborgen is in de Heer. Waar een Christus-belijdenis is - en die moet er zijn -, maar waar Jezus het hoofd zou schudden en waar Paulus zou zeggen, dat het Evangelie door Christus onnut is geworden. Waar eigenwilligheid heerst en niets gemerkt wordt of te weinig van het: Zo iemand mijn discipel wil zijn, die verloochend zichzelve, neme zijn kruis op en volge Mij (Mt. 16 : 24). Waar eigenwilligheid de toon aangeeft; waar men met Christus leeft, maar voor zover 't geen moeite kost, geen opoffering.
't Zou een vruchtbaar onderzoek zijn, wanneer ieder eens onderzoekt: Wat doe ik tegen mijn wil en zin? Want soms te horen: Zo ben ik, of: Zo gaat het. Wanneer blijkt dat men er niet op gewezen wil worden. Werkelijk, dan gaat het niet of verkeerd. En 'zo ben ik' wil zeggen: Ik moet mij bekeren, anders geen deel aan Christus.
Mèt de warmte van 't geloofsleven, de gemeenschap met de Opgestane moet verbonden, onlosmakelijk, 't leven met Jezus, Dezelfde. De evangeliën mogen niet op non-activiteit staan, omdat wij <... > zijn. Dat geschiedt menigmaal te veel. Christus moet gestalte krijgen in ons, en die gestalte hier op aarde. Jezus' gestalte, nog op aarde. Verheerlijkt zult ge worden, maar ook wanneer 't u waarheid is. Deze verheerlijking gaat niet buiten 't leven.
Barmhartige Samaritaan, ruim van harte; hongerig en dorstig enzovoort; gaarne herbergende. De brieven van Paulus: twee delen, 't laatste <merkteken> van 't Evangelie. Zaliger te geven dan te ontvangen (Hand. 20 : 35). Zelfverloochening. Doden van eigen wil en zin. Tollenaarsgestalten.
Dan rust het in Christus op goede grondslag. Het is de grond niet der zekerheid, maar 't gaat gelijk op. Niemand gaat aan de maaltijd zonder een schoon kleed te ontvangen. Dan in Christus tegelijk wedergeboren. Men denkt zich niet zalig. Men droomt zich niet zalig. Maar door geloof en leven, in Christus verenigd. Door Jezus Christus.