O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Handelingen 3 : 1-9Idsegahuizen-Piaam (1903-1910)Efesiërs 4 : 20 en 21 →

Verzamelde Werken, deel 7 · Idsegahuizen-Piaam (1903-1910) · p. 70–78

Efesiërs 2 : 19-22

Zo zijt gij dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods, gebouwd op het fundament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste hoeksteen, op welke het gehele gebouw, bekwamelijk samengevoegd zijnde, opwast tot een heilige tempel in de Here, op welke ook gij medegebouwd wordt tot een woonstede Gods in de Geest.

Efesiërs 2 : 19-22

De brief waaruit onze tekstwoorden genomen zijn, werd door de apostel gericht aan mensen, die uit de dienst der afgoden door de prediking des Evangelies getrokken waren in het licht van de kennis Gods; de kennis van de levende God, die in Christus zijn aangezicht duidelijk aan zondaren heeft te zien gegeven. Tot goed verstand van onze brief is het nodig dat we erop letten, dat het christenen waren, uit de heidenen gewonnen, waaraan de apostel zijn woord richt. Immers, een woord als dat we lezen in het eerste van de verzen die het onderwerp van onze overdenking uitmaken: 'Zo zijt gij dan niet meer vreemdelingen en bijwoners', begrijpen we slechts als we weten dat het tot bekeerde heidenen is gericht. En daarom willen we dadelijk een misverstand afsnijden. Waar we op deze morgen dit woord gekozen hebben, waar een drietal in het openbaar voor de gemeente belijdenis des geloofs wenst te doen, daar zou in verband met onze tekstwoorden de gedachte kunnen zijn, alsof nu diegenen, die deze belijdenis nog niet in het midden der gemeente hebben neergelegd, beschouwd zouden moeten worden als vreemdelingen en bijwoners. En daarom wijzen we dadelijk op de omstandigheid, dat de Efese-brief gericht is aan een gemeente uit de heidenen verzameld.

Immers, daar bestaat een groot onderscheid tussen een christelijke gemeente en een gemeente uit de heidenen. Een christelijke gemeente is in haar geheel een gedoopte gemeente. In zulk een gedoopte gemeente zijn van Gods zijde geen vreemdelingen en bijwoners, maar zijn allen in Christus geheiligd, zoals ons doopformulier het zo schoon uitdrukt. En er bestaat alleen maar de ontzettende mogelijkheid om een vreemdeling en een bijwoner te worden, wanneer het eerstgeboorterecht waarin men gesteld is, moedwillig verworpen wordt. Dan wordt ook, en in nog veel erger zin, waar wat Paulus zei van de heidenen, dat ze vervreemd waren van het burgerschap Israëls, en vreemdelingen van de verbonden der belofte, geen hoop hebbende en zonder God in de wereld (Ef. 2: 12). In veel erger mate, want Jezus heeft het gezegd, dat wie de weg geweten en die niet gevolgd zal hebben, met meerdere slagen geslagen zal worden, dan die de weg niet geweten hebben (vgl. Lk. 12 : 47 v.).

Zolang echter deze verwerping niet plaatsheeft, is het niet: vreemdelingen en bijwoners, maar: medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods. Maar wie een burger is en een huisgenoot, wie dat burgerschap niet verwerpt, en zijn kindschap niet licht acht en verkoopt voor een schotel linzenmoes, de dienst der wereld, die zal ook de machten in die staat des heils, het gezag in het gezin erkennen; die zal Christus erkennen als de Koning van zijn hart. En nu is ook de belijdenis des geloofs in het midden der gemeente niets anders dan deze erkentenis: Ik dank U, o God, dat Gij mij gesteld hebt reeds van mijn geboorte af aan tot een medeburger der heiligen en een huisgenoot Gods. Ik dank U, dat Gij mij in Christus geheiligd hebt en dat de Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes reeds op mijn kinderlijk voorhoofd werd gelegd. En nu aanvaard ik ook met bewustheid en met geloof die staat des kindschaps, waarin Gij mij gesteld hebt. Ik erken Jezus Christus als het Hoofd der gemeente, waarvan ik een lidmaat ben. En ik onderwerp mij ook vrijwillig en bewust aan zijn leiding en regering.

Ge ziet, zo wordt men door de belijdenis des geloofs geen lid der gemeente, zoals men wel eens spreekt van nieuwe leden, en zoals men soms meent nergens aan te behoren voor die tijd, maar het is slechts de gelovige erkenning van wat we in Christus hebben. Het is de persoonlijke aanvaarding van de regelen en de erfenis des huizes, waarin men geboren werd. Die erfenis, dat zijn al de beloften Gods, die in Christus ja en amen zijn en waarin begrepen is de opheffing van het leven uit de banden des doods en der zonde, en de verheerlijking met Christus; zoals het kortelijk is samengevat in de belijdenis van Vader, Zoon en Heilige Geest. Die regels, het is de vrijheid der kinderen Gods, dat wil zeggen: de gehoorzaamheid des geloofs, het verzaken der zonden en het streven naar heiligmaking.

Toch heeft ook dat tekstwoord: 'Zo zijt gij dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods', nog een andere zijde. Het is waar dat ieder christen gezet is tot een medeburger en een huisgenoot. Maar juist die daad Gods is een daad der verzoening en verlichting. God was in Christus de wereld met zichzelve verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende (2 Kor. 5 : 19). En juist dat wijst op een toestand van vervreemding en vijandschap, waaraan ieder deel heeft. En wie dus aanvaardt door het geloof wat God hem schenkt, die erkent daarmede dat hij getrokken wordt daardoor uit de duisternis tot Gods wonderbaar licht (vgl. 1 Petr. 2: 9). Juist wanneer het licht des Evangelies in het hart valt, wordt meer en meer openbaar welk een duisternis daar woont van nature. En zo zal ook in deze zin van elk christen gelden: Zo zijt gij dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods. Ja, we kunnen zeggen dat hoe meer door het geloof de verzekerdheid rijpt, dat men een kind Gods door genade is, hoe meer ook de vrijmoedigheid des geloofs toeneemt. Ook zal ingezien worden dat dat kindschap niet is een kindschap van nature, maar een tweede scheppingsdaad Gods, een verlossing uit de toestand van vreemdelingschap en bijwoning. Eén slechts was de Zoon van nature: Jezus Christus.

We worden dan door de apostel erbij bepaald hoe goed het is om in dit huis te wonen, op welke vaste grond het staat, tot welk een heerlijk doel het opwast. Medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods. Te behoren tot de christelijke kerk, dat staan in een groot gezelschap. De Schrift spreekt van een schare, die niemand tellen kan (Op. 7 : 9). Daartoe behoren al degenen, die vroeger in Christus geloofd hebben: een Paulus en Johannes, de gezanten van Christus, al die Godsgetuigen, die hun leven lieten voor Christus. Daartoe behoren de bekende geloofshelden, een Augustinus, een Luther en Calvijn en zovele anderen. Maar daartoe behoort ook die grote schare, wier namen niemand meer weet, van degenen die in Christus ontslapen zijn. In één woord: al de heiligen, dat wil zeggen: al diegenen die door het geloof van God ontvangen hebben ware gerechtigheid en heiligheid, die zich hebben laten bekleden met datgene, wat ze zelf misten; die in de gemeenschap der liefde en des geloofs met Christus verbonden zijn geworden, zodat God hen als één plant met Hem wilde beschouwen (vgl. Rom. 6 : 5), en hen heiligen noemen.

Maar wanneer we spreken van heiligen, al weten we dat die titel toekomt aan allen, dan gaan onze gedachten onwillekeurig terug naar diegenen, die we bijbelheiligen noemen: een Abraham en Mozes en zovele anderen, en in het Nieuwe Testament de apostelen. Wanneer ge in een bergland u bevindt tegen dat de zon opgaat, dan ziet ge de toppen der bergen heerlijk verlicht. Straks baadt wel alles in het zonlicht, maar dieper treft u die belichting der toppen als alles nog donker is. En zo staan ook die heiligen des bijbels daar voor onze ogen, ons tot een schouwspel. Welnu, daarop wijst thans de apostel, en wij kunnen bij die rij, die de apostel bedoelt, nog vele anderen voegen. Daarop wijst hij en zegt: Met deze mannen zijt gij nu burgers van een stad, een koninkrijk. Met hen hebt ge dezelfde burgerrechten. Gij hebt gezien hun heerlijke rechten en hun wandel. Welnu, ge zijt opgenomen in hun gemeenschap.

Medeburgers der heiligen. Het is nodig en nuttig dit te weten. Er is een hoogheid des harten, die de voorbode is van de val. Maar er is evenzeer een kleinheid van moed, die de voorbereiding is van toekomstige val. Adel verplicht, ook en bovenal in het geestelijk leven. En bovenal staan deze heiligen ons getekend als vrienden, gunstgenoten Gods. En toch waren het mensen van gelijke beweging als wij. En toch, welk een vertrouwelijke omgang was daar tussen hen en hun God; welk een krachtig geloof daardoor. Welk een machtige arbeid is door hen volbracht, waarvan de tijden nu nog getuigenis afleggen. De bewijzen van hun werk liggen nog om ons heen: de Joden, het zaad van Abrahams geloof, door Mozes op Gods bevel van de andere volken afgezonderd, en verder de christelijke kerk, het getuigenis van de arbeid der apostelen. Medeburgers van deze heilige mannen te zijn, dat is wat ons door de apostel wordt verzekerd, zo we waarachtige, levende leden der christelijke kerk zijn.

En waarom zou dan wel de apostel zulke hoge dingen aan de gemeente van Efese schrijven? Was het niet beter hen maar wat klein te houden; hun niet al te hoge namen en titels te geven? Medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods! De Heilige Schrift is in twee dingen niet karig: karig niet, waar het geldt de zondige wereld te gispen en haar de titels en namen op te drukken die ze verdient, maar karig evenmin, waar het geldt de heerlijkheid te prijzen van de nieuwe dingen die in Christus zijn. Lees er deze ganse Efese-brief eens op na, waarin de heerlijkheid der gemeente van Christus beschreven wordt. En nu mag de gemeente zichzelve niet lager stellen dan God haar stelt. Dat is even schadelijk als de hoogmoed.

En zo ook wordt hier erop gewezen dat de gelovigen zijn medeburgers der heiligen. Dat kan hun moed verhogen en stalen. Wat die grote mannen verkregen hebben, dat hebben ze verkregen door het geloof. Datzelfde recht om in het geloof alles van God te begeren, bezit ieder christen, ook de eenvoudigste. Wat hen van deze heiligen scheidt, is niet een onderscheid in stand, maar in mate van kracht. En zo worden ook allen heiligen genoemd. Zo deze mannen vrij hebben gestaan, ook zij zijn vrij. Zo zij hebben overwonnen, ook zij zullen overwinnen. Zo op hun hoofd het licht der eeuwigheid schijnt, ook op hun hoofd schijnt dat licht. Zo zij een geopende toegang hadden en een vertrouwelijke omgang met God, ook hun staat die open.

Want, zegt de apostel, wij zijn huisgenoten Gods, kinderen Gods. Ziet eens welk een heerlijke tegenstelling dat vormt met dat andere: zonder Christus, vervreemd van het burgerschap, vreemdelingen van de verbonden der belofte, geen hoop hebbende, en zonder God in de wereld.

Huisgenoten Gods: welk een heerlijke titel. God is de Vader des huizes. Tot Hem moet, maar ook mag men met kinderlijke vreze opzien. Ge staat niet als een vreemde tegenover God, maar als een huisgenoot. We behoeven wel niet op te merken, dat waar de apostel hier dit beeld gebruikt, de vertrouwelijkheid nog geen gemeenzaamheid insluit. Daarom voegt ook Christus bij het 'Onze Vader' het woord 'die in de hemelen zijt', opdat we van zijn hemelse majesteit niet aardselijk zouden denken. Maar de zaak zelve bestaat daarom niet te minder. Welk een bron van kracht en troost ligt daarin opgesloten. Waar we in het huis Gods, in zijn gemeente verkeren, daar moeten we dan verkeren niet in knechtelijke vreze, maar als in een gezin. We staan tegenover God niet als een Rechter, maar als een Vader. En in dat geloof mag verwacht worden, dat er niets ontbreken zal. Het is deze gemeenschap als een goddelijke huishouding, die het aanzien van alle dingen verandert.

Daarvan spreekt de apostel Paulus: Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onze Heer Jezus Christus; door welke wij ook de toeleiding hebben door het geloof tot deze genade, in welke wij staan, en roemen in de hope der heerlijkheid Gods. En niet alleenlijk dit, maar wij roemen ook in de verdrukkingen, wetende dat de verdrukking lijdzaamheid werkt, en de lijdzaamheid bevinding, en de bevinding hoop. En de hoop beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door de Heilige Geest, die ons gegeven is (Rom. 5 : 1-5). Dat wil het zeggen huisgenoten Gods te zijn. Wie vervreemd is van de beloften, hoe zou die kunnen roemen in de verdrukking en hoe zou dan de verdrukking lijdzaamheid kunnen werken? Maar wie staat in de huisorde Gods, die weet dat aldus de orde des huizes is, dat alle dingen zullen moeten medewerken ten goede voor degenen, die naar het voornemen Gods geroepen zijn (Rom. 8: 28). Op de bodem van zijn hart kan rust zijn, die door alle omstandigheden des levens niet geschokt kan worden, maar die alles kan doorstaan.

Om ons te versterken in dat vertrouwen, daartoe is ook het Heilig Avondmaal gegeven tot een zegel des geloofs. Want het blijft waar wat Christus zei: Niemand komt tot de Vader dan door Mij (Joh. 14: 6). Niemand mag lichtvaardig, mag met lichte tred en luchtig hart de kring der heiligen Gods naderen, of in het huis Gods verkeren als een huisgenoot Gods. Die weg naar het medeburgerschap der heiligen gaat onder het kruis door, en het leven met God is onder het teken des kruises. Het is het leven der verzoening en der dankbaarheid, en niet een leven van eigengerechtigheid, hoge aanspraken. Het is vrede bij God door onze Here Jezus Christus, de gekruisigde. Maar juist daaraan herinneren de tekenen des Avondmaals. Ze verbinden de hoogste zekerheid met de diepste ootmoed. Want even zeker als daar de Vader in de hemel is, die om Christus' wille ook onze Vader wil zijn, even zeker is het ook door Christus in de weg des lijdens, dat deze zekerheid mogelijk is gemaakt. En daarom is ook het sacrament een poort, waardoor men slechts met gebogen hoofd kan henengaan.

Nadat we hebben gezien hoe goed het is in het huis Gods te zijn, en geen vreemdeling of bijwoner te zijn, zien we op hoe goede grond dat huis gebouwd is. De apostel zegt ervan, dat het is gebouwd op het fundament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus de uiterste hoeksteen is. Het is geen gebouw van gisteren of eergisteren, die christelijke gemeente. De fundamenten reiken even ver als ons oog in de historie kan doordringen. Israëls oude oorkonden wijzen ons reeds op het vredesverbond dat God met de zondige mensheid sloot. Historieschrijvers, heeft iemand gezegd, zijn achterwaarts ziende profeten. Dat wil zeggen: ze zien en ontdekken de raad Gods in de geschiedenis. Langzamerhand begint uit de veelheid der gebeurtenissen de gouden draad te blinken, die God daarin weeft. En het is de gave der profetie deze draad te zien, ook in het verleden. ⚑En daarom is de christelijke kerk geen willekeurige vereniging, maar een ark des behouds door de eeuwen heen, om het leven Gods te bewaren en uit te breiden over de aarde. Ze vormt het middenpunt en de kroon der wereldgeschiedenis. De donder der wereldgebeurtenissen legt van lieverlede het zwijgen op aan elke leus, elk lied, elke kreet die wordt aangeheven, behalve aan de stil-heilig door de eeuwen heen gaande orgeltoon van het geloof der gemeente van Christus. Daarop zong Luther zijn 'Een vaste burgt'.

En de reden daarvan is deze, die Jezus uitspreekt: Alle plant, die mijn hemelse Vader niet geplant heeft, zal uitgerukt en in het vuur geworpen worden (vgl. Mt. 15 : 13). De gemeente van Christus is de planting Gods bij uitnemendheid. Daarom: wie zich één met haar belijdt te zijn, wie haar kruis en haar oordelen die over de zonde gaan aanvaardt, maar ook in ootmoed de hand des geloofs legt op haar zegeningen, die legt de hand op eeuwige dingen. Het koninkrijk Gods is geen beweeglijk koninkrijk (vgl. Hebr. 12: 28). Het zijn goederen, die noch mot noch roest verderft. Het zijn schatten, die in de hemelen bewaard worden (Mt. 6: 20). Degenen die staan in deze dingen, zijn gegraveerd in de handpalmen des Verlossers, hun namen geschreven in het boek des levens (vgl. Jes. 49: 16; Op. 3: 5).

Welnu, die vastheid waarop alles rust, dat is Jezus Christus. Hij is de uiterste hoeksteen. Profeten en apostelen mogen bouwen; ze kunnen slechts bouwen op deze hoeksteen. En het is ook bovenal van belang te weten, dat het huis der gemeente zo vast gegrondvest is. In zuidelijke luchtstreken gebeurt het soms dat reizigers in de woestijn of schippers op zee een oase of een stad voor zich zien oprijzen, die slechts voor het oog bestaat, de zogenaamde fata morgana. Is misschien ook de vrede van het huis Gods wel een liefelijk, maar toch een door en door onwerkelijk beeld, dat misschien geschikt is bijwijlen de zinnen te strelen en een zalige aandoening te voorschijn te roepen, maar dat toch, als het erop aankomt, verdwijnt? Juist het tegendeel is waar. Die zichtbare dingen zijn slechts beeld en afspiegeling van deze hogere dingen. De vrede des huizes Gods is meer waar en meer werkelijk dan de dingen dezer wereld. Gelijkenissen. Als alles hier op aarde wegvalt en als een droom veroudert, als de glans der vergankelijke dingen verdwijnt, dan wordt juist het medeburgerschap met de heiligen en de bijwoning Gods meer vast. Dan treden ze als uit de sluier, die ze omhult, in solide vastheid naar voren. En dat komt omdat Jezus Christus de uiterste hoeksteen van dit gebouw is. Want Hij leeft tot in eeuwigheid en is gezeten ter rechterhand der kracht Gods (Lk. 22 : 69). En zijn Koninkrijk is niet met kracht of geweld (vgl. Zach. 4: 6), maar wel een onbeweeglijk Koninkrijk en de poorten der hel zullen dat niet overweldigen (vgl. Mt. 16 : 18).

En de lijdensgeschiedenissen die we in deze dagen overdenken, wanneer ze ons íets aanwijzen en duidelijk maken, dan is het toch wel dit, dat we de heerlijke namen en woorden, die de Heilige Schrift daarheen strooit als zand, niet hebben te beschouwen als een schone reeks van gedachten zonder vaste grond, als grote woorden, zonder rekening te houden met de werkelijkheid. We willen u enkele van deze woorden noemen, die tezamen de vrede van het huis Gods uitmaken. De apostel Paulus vat ze samen in het bekende woord: Jezus Christus is ons geworden wijsheid van God, rechtvaardigmaking, heiligmaking en verlossing (1 Kor. 1 : 30). En ga nu eens met deze dingen ter plaatse waar ze verworven zijn en ge komt in het leven des Heren, in die hete smeltoven, waar deze dingen niet gedroomd zijn, maar gesmeed onder de hamer des lijdens. Het is beproefd en gedegen staal, komende uit het vuur.

En gij, die thans uw belijdenis in het midden der gemeente wilt nederleggen, ge doet dat immers ook omdat Christus de hoeksteen der gemeente is, en ge daarmede staat op een onwankelbare bodem. Ge legt daarmede uw hand op onbeweeglijke dingen. En dat is immers ook de grond uwer vrijmoedigheid. En in die vrijmoedigheid wenst ge op te wassen. En om daarin op te wassen is het ook uw begeerte uw geloof te laten sterken door de tekenen des Avondmaals. Niet alleen de liefelijkheid des huizes, hierin bestaande dat deze tekenen een tijdelijk karakter hebben, dat heenwijst op het bruiloftsmaal der hemelen, maar ook de vastheid, hierin bestaande dat het heenwijst naar het kruis, wordt door deze tekenen aangewezen.

Ons rest nog uw aandacht daarbij te bepalen, tot welk een heerlijk doel dit huis opwast. De apostel besluit aldus: Waarvan Jezus Christus is de uiterste hoeksteen, op welke het gehele gebouw, bekwamelijk samengevoegd zijnde, opwast tot een heilige tempel in de Here, op welke ook gij medegebouwd wordt tot een woonstede Gods in de Geest. In onze tekstwoorden treedt ons weer die wonderlijke drieheid tegen, die de aanbidding uitmaakt der gemeente. In vers 19 is sprake van God de Vader, zoals Hij ook in vers 18 uitdrukkelijk genoemd wordt. Vers 20 noemt ons de Zoon, en onze tekstwoorden eindigen met heen te wijzen op de Heilige Geest. Vader, Zoon en Heilige Geest, in wier Naam wij gedoopt zijn, ze worden in de tempel Gods aangebeden. God voor ons, God met ons, God in ons. Uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen (Rom. 11 :36). Ook tot Hem... Het huis Gods, zijn gemeente moet Hem ter ere rijzen.

De gemeente des Heren is een tempel des Heiligen Geestes. En nu is het hart geneigd om, wanneer het hieraan toekomt, uitvluchten te zoeken, en wijkt men gemakkelijk van de rechte weg af. Aan de inwoning Gods in de gemeente toegekomen, gaat men gaarne over op een lager terrein. Zeker, God heeft ons gesteld tot zijn huisgenoten. Jezus Christus is de grondslag en de vastheid van deze dingen. Maar, zo meent men, nu moet daar van 's mensen zijde bij komen een leven van dankbaarheid, een antwoord op die dingen Gods. Die eerste dingen heeft God nu gedaan en nu moet van 's mensen zijde ook iets gedaan worden als blijk van erkentelijkheid. En hoe goed misschien ook bedoeld, dan valt die dankbaarheid en dat blijk van erkentelijkheid soms o, zo mager uit. En daarvoor is een zeer duidelijke reden: men heeft de standplaats verlaten, die zo veel deed hopen. De apostel ziet het anders in. Hij spreekt van het gehele gebouw, dat het bekwamelijk samengevoegd wordt. Het wordt saamgevoegd. God blijft aan het werk, ook in dit derde stuk, als de Heilige Geest. Let wel, het is niet een zich samenvoegen, zelf naar eigen keuze, maar een saamgevoegd worden; een gebouwd worden tot een woonstede Gods in de Geest.

Ik voorzie een bedenking. Dat voert tot lijdelijkheid en nalatigheid, zo hoor ik zeggen. Dat betekent werkeloosheid in het leven van de christen. Ik denk dat wanneer de apostel deze bedenking gehoord had, hij geglimlacht zou hebben en gedacht aan de rusteloze werkzaamheid, waartoe de Geest Gods hem gedreven had. In arbeid en moeite, in waken menigmaal, in honger en dorst, in vasten menigmaal, in koude en naaktheid (2 Kor. 11 : 27). Wie gebouwd wordt tot een woonstede Gods in de Geest, die is zijn vrijheid kwijt. Die leeft niet meer zichzelve, maar die heeft zijn leven in de dood gegeven met Christus, om nu voortaan Gode te leven (vgl. 2 Kor. 5 : 15; Gal. 2 : 19).

Maar welke vrijheid is het, die hij heeft overgegeven? Het is de vrijheid om zijn eigen weg te zoeken. Het is de vrijheid, waarop men is: geen hoop hebbende en zonder God in de wereld. Staande in die vrijheid is het zelfs niet mogelijk de gedachte aan dankbaarheid te bezitten. Daarvoor in de plaats komt op het fundament der apostelen en profeten de gebondenheid, het saamgevoegd worden, het gebouwd worden. En in die gebondenheid ligt een andere vrijheid besloten: de vrijheid der kinderen Gods. In die vrijheid staande - niet van zichzelve, maar de vrijheid des Heiligen Geestes waardoor hij geleid wordt, ook waar vlees en bloed niet willen, in arbeid en moeite, in waken menigmaal, in honger en dorst, in vasten menigmaal, in koude en naaktheid - roept de apostel het uit: Nu leef ik! Immers, ge zoekt ook in het natuurlijke leven uw vrijheid niet in losbandigheid. Daarin wordt ge juist slaaf. Maar ook in het vrijwillig aangaan van banden zoekt ge uw vrijheid te verwezenlijken. Daarin ligt een beperking, maar in die beperking een baan voor ontwikkeling van kracht.

En nu vernietigt de Heilige Geest de kracht niet, maar brengt juist de vermogens des levens in werking. En zo wordt Gods doel bereikt. Zo wast de gemeente van Christus op tot een woonstede Gods, een tempel des Heiligen Geestes. En nu gaan deze dingen altijd samen. Wie de genade Gods in Christus voor zijn deel kiest, die stelt zich onder de Heilige Geest. Want de heiligheid Gods is geen oudtestamentische eigenschap, waarvoor in het Nieuwe Testament de liefde in de plaats gekomen zou zijn. Wat meer is: God woont in de christelijke gemeente als Heilige Geest. En ook dit moet bedacht worden: daardoor wordt elke zonde in de gemeente een bedroeven van de Heilige Geest (vgl. Ef. 4 : 30).

Het is een verheffende, maar tevens hoog-ernstige gedachte, dat de Heilige Geest persoonlijk woont in de christelijke kerk. Dan blijkt het, waartoe God zich een gemeente toebereidt, dat het gaat om zijn ere, om het bestand der wereld, om de verheerlijking der schepping. Dan kan God van zijn schepping zeggen, dat ze waarlijk goed is: wanneer daar is een gewillig volk, saamgevoegd door de Heilige Geest, gehoorzaam aan die Heilige Geest, en slechts zoekende en doende wat die Geest wil en zegt. Zo rijst het gebouw tot ere Gods, gelijk ge leest in de Petrusbrief: Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk, opdat gij zoudt verkondigen de deugden Desgenen, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht (1 Petr. 2 : 9).

En zo zien we hoe ook in die derde zaak God allereerst plaats moet worden gegeven. Niet alleen is het genoeg dat ge u laat overtuigen van zonde, dat ge u laat reinigen door de verzoening in Christus en dan zelf uw dankbaarheid toebrengt, zo veel en zo weinig u lust, maar er wordt meer gevraagd: dat ge ten derde u laat regeren door Woord en Geest, uzelf stelt onder de tucht van Woord en Geest, u laat bouwen in de tempel Gods, zoals Hij wil, en daar waar Hij het wil; dat ge uw leven overgeeft geheel en al, en u overgeeft tot een bouwsteen in het geestelijke godsgebouw. Zo vraagt God het ganse leven. En in de samenhang, waarin we het thans beschouwen, komt dit niet allereerst voor onder de naam van plicht, maar als een voorrecht en een genadegave. Een voorrecht en een genade is het een plaats te mogen hebben, al is het een bescheidene, in die woonstede Gods. Want die tempel Gods staat voor de eeuwigheid. Die overwint, Ik zal hem maken tot een pilaar in de tempel mijns Gods en hij zal niet meer daar uitgaan, zegt de Openbaring (Op. 3 : 12). En de psalmdichter zingt:

"Ik weet hoe 't vast gebouw van Uwe gunstbewijzen, naar Uw gemaakt bestek, in eeuwigheid zal rijzen."

En thans herinneren we nog even hoe ook het Avondmaal is een hernieuwde belofte van gehoorzaamheid; dat het is het teken der eenheid van de gemeente Gods, niet in heersen maar in dienen door de Heilige Geest.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Handelingen 3 : 1-9Idsegahuizen-Piaam (1903-1910)Efesiërs 4 : 20 en 21 →