Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 1 · p. 151–165

Weergave

Het getuigenis van dr. De Hartog1

Waardering en kritiek

Een der 'oude schrijvers' zegt, dat alle theologie met de naam begint. Zulk een naam om mee te beginnen treffen we in de geschriften van dr. De Hartog aan in het woord 'supra-historisch'. Dr. De Hartog heeft er niet al te veel bezwaar tegen wanneer men zijn standpunt met die naam aanduidt, al merkt hij op dat men even goed kan zeggen 'achter-historisch'. En werkelijk brengt een bezinning op de betekenis van dat woord ons spoedig in het hart van de vraagstukken, waarover het hier gaat.

De grote grief van dr. De Hartog tegen onze tijd, niet het minst tegen onze orthodoxie, is deze dat ze te historisch leeft en denkt en spreekt. Men vraagt te veel: 'Wat was er'; te weinig: 'Wat is er.' Het wachtwoord is, zo klaagt dr. De Hartog, het wachtwoord voor onze tijd is geworden: terug! 'Terug tot Spinoza,2 terug tot Kant, terug tot Fichte, terug tot Hegel. Terug 'und kein Ende'. Ofschoon hij de belangstelling in historie, voor zover daarin een reactie openbaar geworden is tegen het rationalisme, waardeert, ziet dr. De Hartog in die bovenmatige gebondenheid aan 't verleden toch een bewijs van zwakheid. 'Een christen moet zijn tijd immer vooruit wezen, omdat hij staat voor God.' Met andere woorden, een christen staat voor eeuwige dingen, niet voor tijdelijke en daarom tenslotte ook niet voor verledene. We zouden kunnen zeggen, dat het Evangelie geen notariële akte moet zijn, verleden toen en toen, maar een Woord Gods, dat blijft tot in eeuwigheid, dat is. - Daarom kan men de bezwaren van dr. De Hartog tegen het geestelijk leven onzer dagen samenvatten op deze wijze, dat het eigenlijk ook hier geworden is: terug tot Jezus.

Wanneer we het eens plastisch mogen zeggen: terug, 1900 jaren terug met uw gedachten, met uw aandacht, met uw gehele leven. Het kruis u voorstellen staande op de heuvel Golgotha. In uw gedachten daarbij staan; de toepassing maken op u zelf, al redenerende, en zo tot de conclusie komen dat ge zalig zult worden. Maar wanneer dat kruis, dat daar 'eenmaal' stond, dan eens weggenomen werd! Wanneer eens de hoveniercriticus kwam en de Heer 'wegnam'! Dan komt alles in gevaar! Komt zulk een feit dan in geding en komt de kritiek daar aan met haar onderzoek, 'dan vreest', zegt dr. De Hartog, 'het gevoel zijn levensschatten te verliezen.' Hem komt dit verdacht voor ten opzichte van de rechtzinnigheid der tegenwoordige orthodoxie. Hij vraagt of men dan wel zuiver staat ten opzichte van 't getuigenis des Heiligen Geestes, als men alles op één worp zet; op 't historisch feit. De beschuldiging ligt hier nabij, dat orthodoxen even goed als modernen besmet zijn met een geestelijke krankheid, eigen aan 'vlakke tijden'.

Dr. De Hartog wil "de historische werkelijkheid der goddelijke bemoeienis ... verdedigen ... tegenover hen, die orthodox of modern, alles samentrekken in één punt des tijds." De orthodoxen nemen hier de positieve rol op zich en verdedigen, de modernen de negatieve en ontkennen, maar ze staan in hun methode beide even fout. Waren ze zich bewust van de diepere grond, waaruit hun verschillend resultaat opkomt, ze zouden tot vruchtbaarder strijd komen.

"Tot de principiële strijd inzake de christelijke wereldbeschouwing moeten wij dus worden voortgeleid. Want wij zijn nu verdwaald in eenzijdig historicisme en personen-cultus."

Dr. De Hartog voelt zich hierdoor geprikkeld tot paradoxale uitspraken, die men als zodanig moet waarderen. Rukt men ze uit hun verband, dan geven ze de bedoeling van de schrijver niet weer, ja strijden daar tegen. Zo de bekende, reeds meermalen door anderen aangehaalde uitspraken over 'de heilsfeiten', voor zover ze eenmaal in de tijd hebben plaatsgehad. 'Want tenslotte is niemand er bij geweest en dus zijn we hier in het rijk der mogelijkheden.'

Van zulk een geïsoleerd historisch feit wil De Hartog onze kostelijke geestelijke zekerheid niet laten afhangen. Zijn krasse paradoxen op dit punt willen prikkelen tot zelfbezinning over de aard van onze geestelijke zekerheid. Ze hebben ten doel te funderen en niet om los te wrikken. Ze willen een prikkel indrijven in 't lieve luie historisch-zeker-staan, waardoor de geestelijke omgang met de Koning der eeuwen wordt tegengehouden.

Deze bedoeling te miskennen; hierin enkel een negatieve strekking te vinden; zulke uitspraken uit hun verband te rukken en ze op de klank af, zonder enige redelijke bezinning, eenzijdig, bloot-verstandelijk, als in strijd met anders-klinkende formules voor te stellen en daardoor te veroordelen, lijkt ons theologische donquichotterie: een vechten tegen windmolens, dat alleen aan een in dezelfde lijn van geestelijke eenzijdigheid zich bevindende Sancho Panza genoegen bereidt.

Schopenhauer heeft gelijk als hij vraagt: 'Is de wereld dan een kijkkast?' Er moet toch enige 'verdieping' achter zijn. En waar nu het rationalisme aan deze eis recht meende te doen door in plaats van de naakte historische feiten ‘noodwendige redewaarheden' als voedsel der ziel aan te bieden en op die wijze een magerheid over de zielen bracht, zoekt dr. De Hartog dat voedsel niet 'diesseits' maar 'jenseits' van de feiten en hoopt zo de zielen te kunnen voeden ten eeuwigen leven. Hij wil de feiten niet besnoeien, maar ondervragen. Hij vraagt niet naar 't kleine menselijk begrip, maar naar de grote raad Gods. Hij wil onderzoeken de 'diepten Gods'. En waar de school van Daniël Chantepie de la Saussaye erop uit was om in het echt-menselijke het bovennatuurlijke aan te wijzen, opdat men zou gevoelen, dat wij thuis behoren in de bovennatuurlijke wereld der Heilige Schrift, daar gaat De Hartog liefst toch achter het 'ethische', tot het 'metafysische'. 'Ethisch' wil hij dan ook niet gaarne heten. Met zijn teruggaan op het metafysische gevoelt hij zich volbloed gereformeerd. Of zuiverder: zoals Chantepie de la Saussaye het kenmerk van het gereformeerde vond in 't nadruk leggen op het ethische, zo De Hartog in de betoning van 't metafysische. Achter de feiten zoekt hij te grijpen de realiteit van de kracht en de wijsheid Gods, die ze uitdrijft. - Met Fichte zegt hij: 'Niet het historische, maar het metafysische maakt ons zalig.'

Om het streven van dr. De Hartog te waarderen, komt het er zeer op aan te begrijpen, wat hij met het 'metafysische' van zijn standpunt bedoelt. We kunnen daartoe het best komen wanneer we, zoals we boven aangaven, het 'metafysische' stellen tegenover het 'ethische'. Zeker, wanneer dr. De Hartog het metafysische naar voren brengt, stelt hij zich ook tegen hen die aan de platte ervaring genoeg menen te hebben, aan de feiten zoals ze zich aan ons voordoen (empirisme). Ook tegen de ervaringsmensen van de tweede trap, die genoeg menen te hebben aan wat er voor ogen is in de geestelijke wereld (historicisme). Dr. De Hartog zegt tot deze allen dat men toch niet leeft bij wat voor ogen is. Maar de grote vraag is: hoe komen we er achter? En nu hebben, laten we maar gemakshalve zeggen, alle 'ethische' theologen met beroep op Calvijn de waarheid Gods zo zoeken te verstaan, dat daaruit tenslotte naar voren kwam 'eens mensen aangezicht' (Ez. 41 : 19). Al de volheid der godheid lichamelijk wonende in 'de Zoon des mensen'. Ze waren het met Calvijn eens dat 'buiten de lijn van het Woord, het licht van Gods aangezicht ons verwart en verschrikt. Pascal, de vader der ethische theologie, is hierin voorop gegaan. Merkwaardig is het op te merken dat dit geen willekeur, maar evengoed karaktereigenschap is. Men leze de merkwaardige passage over Pascal bij Sainte-Beuve3: "Meer dan één grote geest, die zich bezig hield met de grote problemen en zocht naar de oorsprongen der dingen, heeft een poging gedaan om op te klimmen tot 'de dagen van ouds', tot de dagen toen de Geest Gods nog niet gezweefd had op de wateren-, om zo aan de dingen zelf lichtvonken (des lueurs) te ontlokken, onafhankelijk van de mens. Pascal neemt de wereld sedert de zesde dag; hij neemt het heelal, zoals het zich spiegelt in menselijk verstaan; hij vraagt of er in de dingen licht en heil is voor de mens. Voor alles houden goed en kwaad hem bezig ... hij heeft behoefte aan klaarheid en zekerheid ... maw. hij heeft behoefte aan 't hoogste goed, hij heeft dorst naar geluk. Pascal bezit in de hoogste graad het sentiment van de menselijke persoonlijkheid (de la personne humaine)."'Ieder die in de gelegenheid is, zouden we willen raden deze heerlijke bladzijde bij Sainte-Beuve verder te lezen. Hoe Pascal, al zou zijn natuur er zich nog niet tegen verzetten, dan nog met zijn wil weigert zich een voet te verwijderen van het kruis, uit vrees dat de donkere diepten der schepping hem zullen verzwelgen.

Pascal heeft niet getracht de wereld te doorlichten om er Christus te vinden, maar zijn apologie wil het hart van Jezus Christus doorzoeken om er God en de einden der aarde te vinden. Hij leeft en denkt niet kosmisch, maar heeft in de hoogste graadje ‘sentiment de la personne humaine'. Dit stempel dragen meer of minder alle 'ethische' theologen en ze vinden hierin het kenmerk van het gereformeerde.

Ez.41 : 19 zegt ons echter dat de cherubs, die Gods schepping vertegenwoordigen, twee aangezichten hebben: 'eens mensen aangezicht' en, eens jongen leeuws aangezicht'. Metafysisch leven en denken nu is ogen hebben voor het andere aangezicht van de cherubs, voor 'des jongen leeuws aangezicht'. De metafysisch aangelegde geest komt 'eens mensen aangezicht' wat zoetsappig voor. Hem lijken meer, als symbool van diepe wijsheid, de gramme trekken des leeuws. Meer dan de 'klaarheid en zekerheid', die Pascal nodig heeft, trekken hem aan de raadselen van de Sfinx, wiens aanblik schier doet verstarren en wiens wijsheid men meer vermoedt dan vat. Hij heeft het sentiment van de kosmos, om niet te zeggen van de chaos. Hij luistert aan de gesteenten in 't hart der aarde en hoort daarachter de voetstappen van de Zoon, die altijd thuis is in het huis des Vaders, overal en altoos. Hem klinken in de oren de doffe hamerslagen die 'balk en dwarsbalk' samenklinken tot een kruis, Gods ganse schepping door. Zo gevoelt meer dr. De Hartog.

Men hore wat hij schrijft op p. 72 van Heilsfeiten: "Voor velen lijkt het wel voldoende, dat Jezus naar zijn Godheid afdaalde uit de hemel en de sfeer van deze gevallen wereld nauwelijks raakte, zoals een vogel scheert over de waterspiegel. Maar, wie van de duistere wateren des doods tot verzadiging gedronken heeft, kan zulk een vluchtige verschijning geen levenstroost bieden. Jezus-Christus is opgedoken uit de diepten der werkelijkheid. Gelijk ... zo houdt de Vleeswording des Woords in, dat het gezegend hoofd van de Verlosser opworstelt uit de nacht, opdat hij drage de doornen kroon. ⚑Diep als de zeeën en ravijnen, duister als het graf en de wereldangst is de geboorte van de Heilige Gods." Zo maakt dr. De Hartog Christus aangenaam aan de verslagene harten der mensen.

Hoe anders Pascal, wanneer hij ons Jezus nabij brengt, lerende aan de oevers van de zee van Tiberias: "Jésus-Christ parie des plus grandes choses si simplement, qu'il semble qu'il n'y a pas pensé; et si nettement néanmoins, qu'on voit bien ce qu'il en pensait. Cette clarté, jointe à cette naïvité, est admirable."

Hier is verschil van sentiment en elk heeft oog voor één zijde van de cherub. De tegenstellingen zijn: 'ethisch' en 'metafysisch', 'humaan' en 'kosmisch'. Dat laatste sentiment, die wijze van denken, van gevoelen, van spreken, van leven, kan men nu naar verschillende gezichtspunten verschillende namen geven. Dr. De Hartog noemt zijn standpunt ook: realistisch. Hij zegt: "Maar is het wereld-proces een harde werkelijkheid, gegrond in de onzienlijke wereld van strijd en dood en zonden, dan moet de roep om verlossing uitgaan van de mensenkinderen, totdat Gods werkelijkheid (wij curs.) het antwoord geeft." Het is er hem om te doen de mensen de ogen te openen voor die éne, ontzaggelijke, opworstelende werkelijkheid Gods, die alles wat wij 'heilsfeiten' noemen draagt en tot één werk Gods verbindt. Niet uiteen rukken daarom, wat één is (atomisme). Niet te spoedig juichen: 'Triomf, triomf, Immanuël', maar zich verheugen met beving, vanwege het ontzaggelijke van Christus' doorbreken. Niet te groot gaan op een 'denkbeeld, dat ons leven geeft', maar altijd weer zich onder de tucht stellen van de levende God zelf.

In verband hiermee is hem, met vele anderen, een gedurige ergernis het subjectivisme van vele orthodoxe kringen, die de mond vol hebben van objectiviteit. Die weigeren een ogenblik te verstarren voor de levende God, zodat hun eigen denkbeelden hun van schrik uit de handen vallen. Dr. De Hartog heeft hierover meer dan eens treffende dingen gezegd. 't Schoonste in z'n antwoord aan ds. Lindeboom.4

Werkelijk, evenmin als het 'liebäugeln' met Jezus, dat de modernen doen, de ziel verlost, evenmin zal ook verlossing mogen heten wat velen beleven die door een 'syllogisme' trachten zalig te worden, zoals Drummond5 het noemt; een syllogisme, waarin Christus de Major, de zondaar de minor, en de zaligheid de conclusie is.

Dr. De Hartog wijst hiertegenover op het eeuwig 'heden' der goddelijke verlossing. Het kruis op Golgotha is hem de verschijning in een punt des tijds van 't eeuwige kruis in Gods schepping. In Gods raad staat van eeuwigheid, in ontroerende realiteit, het geslachte Lam, en dit is van den beginne het teken, waarin de wereld staat. 't Historisch feit is als de enkele dronk. die heenleidt naar de wateren, van welke niemand meer dorsten zal, de fontein, springende tot in het eeuwige leven (Joh. 4 : 14).

Dr. De Hartog haat daarom het woord 'einmalig', waarmee wordt weergegeven de gedachte, dat in de historie alle verschijnselen slechts eens voorkomen. 'Einmalig' is hem de eeuwigheid. Die staat pal. De profeten spraken vele malen; de Zoon éénmaal, van eeuwigheid tot eeuwigheid.

In verband hiermee hecht De Hartog dan ook niet de hoogste waarde aan 't bewustzijn, waarin zich de dingen die voor ogen zijn weerspiegelen, nadat ze zijn uitgebroken. Maar 't zijn is hem waardevol, waardoor 't leven rustig zijn voedsel kan trekken uit die wereld Gods, die onder en achter de zichtbare dingen verborgen is. Zich daarop te bezinnen geeft hem rust. Van die dingen wenst hij te getuigen en te stamelen.

In het enthousiasme, waarmee dr. De Hartog deze dingen naar voren brengt en van de eeuwige dingen getuigt, gevoelen wij iets bijzonder weldadigs. En eer iemand over dit getuigenis, zonder meer, de staf breekt, moest hij toch eens die schone pagina van Harnack lezen, die Bavinck aanhaalt in zijn Dogmatiek. We nemen er enkele zinnen van over. Sprekende over de eerste christenen zegt hij: "Wir sind aus der Finsternis zum Licht empor gerettet worden, das ist der Jubelruf eines Chors von Christen in jenen ersten Jahrhunderten gewesen. Es war die intellektuelle Wahrheit und Klarheit, deren sic sich freuten und rühmten ... die helle Sonne stand am Himmel . . . alles empfing von dem lebendigen Gott Klarheit und Gewissheit ... nichts wird dem Menschen auferlegt, was nicht schon in ihm liegt, nichts offenbart, was nicht bereits in seinem inneren Bestande gegeben ist ... Die Religion 'meta logou' ist wieder aufgedeckt! Sie blieken auf Christus, und wie Schuppen fällt es von ihren Augen: das, was in ihm tätig war, ist der Logos, derselbe Logos, durch den die Welt geschaffen ist...Nicht Last für den Verstand war die neue Lehre, sondern Befreiung...Das Christen tum ist göttliche Offenbarung, aber es ist zugleich die reine Vernunft, die wahre Philosophie.” En nu weten we wel, dat aan de eerste christelijke denkers een zeker intellectualisme eigen was, en door Loofs6 e.a. vlijtig wordt opgemerkt, maar het zou bekrompen zijn de zaak daarmee voor afgedaan te houden. Wij zouden liever willen vragen: waar is in de christelijke gemeente die jeugdige intellectuele moed gebleven? Heeft zich niet veeleer breed gemaakt een eigenaardig soort van geloven-op-gezag, dat bewijst hoe men tot de eeuwige dingen alleen nog in formele betrekking staat? Alleen dat weinig persoonlijke, dat formele van de betrekking tot de dingen Gods maakt het begrijpelijk, dat zich onder ons kon ontwikkelen een leerstuk van de inscripturatie van de Logos, waaraan onze kerken zullen bezwijken, zo ze niet de moed hebben om evenals vroeger bij de broodwording van de Logos te zeggen: vervloekte afgoderij. De formele band met de goddelijke dingen: de Schrift, wordt in dit leerstuk tot God verheven. Dit is afgoderij en komt Gods eer te na.

Tegenover deze vervlakking het inzicht in de christelijke waarheid te willen verdiepen en voor hart en hoofd evident te maken, is een pogen, waarvoor wij dankbaar mogen zijn. Ook zal, dunkt ons, dr. De Hartog zich niet kunnen beklagen dat we bij onze appreciatie van zijn gevoelen heimelijk een der stukken van zijn wapenrusting hebben zoeken te vernagelen. Integendeel heeft hier en daar ons geluid heel spontaan zich met het zijne gemengd. Moge thans een woord van broederlijke kritiek geoorloofd zijn.

Hebben we bij de aanduiding en duiding der gevoelens van De Hartog meer gelet op het sentiment waarin ze staan en het getuigenis dat eruit klinkt, bij onze kritiek zullen we meer moeten letten op het leerstelling gehalte, dat erin te vinden is.

Daartoe is nodig dat we in 't kort nagaan, wat De Hartog denkt in zake kennisleer, antropologie, historie en metafysica. Met andere woorden hoe hij zich voorstelt, dat we achter de waarheid komen; onze aanleg daarvoor; in hoever de geschiedenis ons daarbij helpt; en hoe de waarheid ons vrij maakt.

Kennisleer

Onze kritiek zet in bij de kennisleer van dr. De Hartog. Dit is geheel in zijn eigen geest. Hij spreekt er veel over en gelooft zelf dat ons denken er, vaak onbewust, door bepaald wordt. De vraagstukken kunnen hier slechts even worden aangeroerd. Eigenlijk mocht hier wel een waarschuwing staan om niet te remueren. Want wie ze overhoop haalt krijgt ze moeilijk weer terecht. Maar ze zijn er nu eenmaal.

De meeste mensen van oude en nieuwe tijd nemen de dingen zoals ze zijn. Dat is 't gemakkelijkste en 't eenvoudigste. 't Is ook verreweg 't beste, als 't kan tenminste. Maar nu heeft de grote Immanuel Kant de mensen onrustig gemaakt door te zeggen: ge kunt de dingen niet nemen zoals ze zijn. Hij leerde dat het 'Ding an sich', het ding zoals het is, onkenbaar is. Hij ontkende niet dat men met God en de wereld en de eigen ziel aanraking had, maar dit had, zo leerde hij, op praktische wijze plaats. Die eindpunten, waaruit ons leven uitging en waarop het gericht was, daarvan had men zelf geen goed begrip, geen theoretische kennis. In de praktijk kon alles echter daarom evengoed doorgaan, want 't leven vond wel zijn eigen weg.

De mensen konden tegen de scherpzinnige redeneringen van Kant niet veel inbrengen, maar waren er toch niet mee tevreden, dat ze zich geen eigenlijk-gezegde kennis mochten toekennen omtrent datgene, waarover ze 't liefst waren ingelicht. Hegel spoorde de ontevredenen aan 'Vertrauen zur Vernunft zu fassen'. Men behoefde de dingen niet te nemen zoals ze zijn, verkondigde hij. Dat lukte toen niet. Men moest ze denken zoals ze zijn. Dacht men maar goed, dan wist men hoe alles was.

Schopenhauer echter had voor zulk een pogen de diepste verachting. Hij vond het dwaas om de dingen die voor ons staan voorbij te lopen, maar meende integendeel dat ze voor ons staan om ons iets te vertellen. Hij dacht dat men ze rustig moest laten uitspreken. Hij geloofde, dat hun wonder verhaal de enige waarheid was. Als zij gesproken hadden moest men niet verder vragen. Zij brachten juist de geheimen van 't zijn uit.

Het zijn: 'die Wille', zoals Schopenhauer het noemt, was iets geheel anders dan de dingen die voor ogen waren. Het ging er mee als wanneer men met iemand spreekt. De woorden hebben geen betekenis voor zichzelf. Maar door hen komt men er achter wat iemand bedoelt en wie hij is. Ze brengen wel kennis aan van wat er achter steekt. Dat de dingen aan Schopenhauer niet veel goeds vertelden doet hier minder ter zake. 't Is hier te doen om te letten op de wijze waarop hij zich voorstelde dat men erachter kwam.

Eduard von Hartmann echter volgt weer een geheel andere weg. Hij is bang dat, wanneer men aan de dingen die voor ogen zijn slechts symbolische betekenis laat, ze als heenwijzingen opvat naar een mysterie dat ze vertolken en waarvan ze ons vertellen, dat men dan de wereld vervluchtigt. Ze wordt hem dan te licht, te geestelijk. Hij is bang, dat hij dan door de bodem waarop hij staat zal heen zakken. Achter een modderkluit die wij zien moet voor hem de eigenlijke echte modderkluit zijn. Hij verdubbelt alles, de hele wereld. En om nu bij die tweede verdieping te komen gebruikt hij een deftig woord: affizieren. Hij zegt: de dingen tikken aan mijn oog, aan mijn oor, aan mijn huid en nu besluit ik uit alles wat ik zie en hoor en voel dat er iets dergelijks achter staat. Hij meent dat wanneer men even deze redenering heeft gehouden, men veel zekerder van zijn zaak is dan wanneer men eenvoudig luistert en het als vanzelfsprekend beschouwt, dat er dan ook iemand is die spreekt. Die theorie van Von Hartmann heet: transcendentaal realisme. Daarmede is De Hartog 't eens. Dat is jammer. Want op de wijze van Eduard von Hartmann wordt de grote waarheid die Kant ons leerde, verduisterd, nl. dat oorzaak en gevolg wel een lange keten vormen in de dingen die voor ogen zijn, maar dat men er niet mede reikt tot God die een Geest is en tot de ziel die van Gods geslacht is. Door dit 'transcendentaal realisme' lijdt het geestelijk karakter van de achtergrond der dingen schade. Dit realisme heeft iets van materialisme en toont wantrouwen in de werkelijkheid van 'geest'. God spreekt en het is er. En wanneer we willen weten wat er achter de dingen is en wat ze betekenen dan moeten we letten op wat voor ogen is. Letten op de dingen is luisteren, wat God spreekt. We construeren niet al redenerende wat er achter is, maar wij laten ons uitsluitsel geven. Zo komen we er achter. God openbaart zich. Dit alleen geeft de gewenste zekerheid en handhaaft de realiteit van de Geest.

P. 171 van Redelijkheid der religie heeft ons dan ook de overtuiging gegeven, dat dr. De Hartog op dit voor kennisleer alles beslissende punt Schopenhauer niet begrepen heeft. Hij meent dat Schopenhauer heeft gezegd dat een repetitie van de objectieve wereld in het subject des mensen een overbodige verdubbeling zou zijn. Maar dat kan Schopenhauer niet zeggen. Zulk een verdubbeling schijnt niet overbodig.

Maar Schopenhauer heeft't andersom gezegd. Hij zegt dat 't niet in te zien is, waarom achter mijn voorstellingswereld een precies gelijke gedacht zou moeten worden. Dat vindt hij een zotte verdubbeling van 't wereldbeeld. Onze voorstellingen zijn vensters waardoor we naar binnen zien, geen spiegels. 't Zijn woorden, geen konterfeitsels.

We vragen thans van welke betekenis deze dingen zijn voor de vragen des tijds. En dan merken we op dat object en subject veel meer tegenover elkander staan dan vroeger. Niet alleen in de filosofie, maar allereerst in 't leven staan ze veel-minder-näïef tegenover elkaar dan te voren. Kant heeft die klove niet geschapen, maar alleen aangewezen. Eucken heeft in z'n werken hierover treffende dingen gezegd. in de eerste opslag ziet het object het subject veel raadselachtiger aan, en 't subject 't object veel ongeloviger. Dit brengt in menig leven verlies, maar is door God zo niet bedoeld. 't Moet leiden tot krachtiger bewustwording en beslister, geestelijker, persoonlijker zekerheid. 't Betekent verhoogde levensspanning en wil rijker vereniging voorbereiden. 't Is tenslotte een gevolg van 't doorwerken van de christelijke zuurdesem. De nood en de eis van onze tijd.

Hoe die meer besliste, meer geestelijke, meer persoonlijke zekerheid, waarom 't ook dr. De Hartog te doen is, nu gesteld moet zijn, willen we trachten te formuleren. De kennisleer van dr. De Hartog staat hier zijn eigen bedoeling in de weg. Schopenhauers kennisleer is hier de meest eenvoudige.

De dingen die tegenover mij treden spreken mij toe, de taal zegt het alrede. Wanneer ik verder zeg dat 'iets mij wel toespreekt' bedoel ik, dat ik ervan overtuigd raak. Ik word er zeker van. Nu zegt de valse objectiviteit dat de dingen ons niet hebben toe te spreken. Ze zegt dat ze voor ons staan moeten. 't Einde moet zijn: het staat er. Maar wie de taal der (geestelijke) dingen gehoord heeft, weet beter. Hij heeft ook geen redenering nodig om de klove te overbruggen; hij luistert en wordt even onmiddellijk, maar meer geestelijk en meer bewust verzekerd dan de naïef-realist.

Zo alleen oefenen object en subject ook kritiek op elkander uit. Zo alleen ontstaat er verkeer met de levende God.

Nu ligt de kracht van het getuigenis van dr. De Hartog juist in wat we boven als 't juiste trachtten aan te wijzen. Maar o.i. worden zijn beschouwingen geschaad door zijn onjuiste kennisleer. Wij leggen er de nadruk op dat de verdieping van 't geestelijk leven ons de dingen Gods meer tot Woord doet worden. Dr. De Hartog beschouwt ze meer, zoals vele 'ethische' theologen, als daden Gods. Zijn beschouwing staat in 't teken van Goethes woord: 'Im Anfang war die That.’ De andere in dat van't johanneïsche: 'In den beginne was het Woord' (Joh. 1 : 1). Dit maakt groot verschil. Beschouwt men de openbaringen Gods, de dingen die voor ogen zijn, als woorden, dan ligt in die woorden 't zwaartepunt, de uitgedrukte redelijkheid. Beschouwt men ze als daden, dan moet men er zelf zich de betekenis van terecht leggen, en ligt de redelijkheid er achter.

In 't eerste geval zijn 't vensters, waar ge door ziet. In 't laatste deuren, die ge eerst moet openen om naar binnen te zien. Iemands woord geeft mij uitsluitsel over zijn bedoeling en mijn belangstelling is op dat woord geconcentreerd. Uit iemands daden moet ik echter besluiten tot zijn bedoeling en mij die zelf construeren. Hier ligt de sleutel tot de beschouwingen van dr. De Hartog; van zijn geringschatting van de historie. De waarheid die luide spreekt uit zijn geschriften, wordt door deze opvattingen geschaad. De heerlijke redelijkheid Gods ligt in natuur en Schriftuur als met letteren, met woorden uitgedrukt. Die redelijkheid daarachter te willen construeren leidt tot teleurstelling. Het doublet daarachter is een abstracte herhaling.

Het voornaamste ligt daar wel achter, dat is zo. Maar dat is de spreker zelf. God en zijn onbegrijpelijk Wezen. Om Hem te kennen is 't te doen. En daarom geen natuur- of Schriftvergoding. Maar men lope niet voorbij wat voor ons staat, om ons van Hem te spreken. De gegeven redelijkheid. Want wat doet dr. De Hartog? Hij stelt tegenover de historie de raad Gods op de voorgrond. Deze raad wil hij onderzoeken. Vergeleken bij die raad is de historie hem eigenlijk raadselachtig. Daarachter, zegt hij gaarne, waakt de wereld van Gods raad. Achter de daad waakt de gedachte-, en natuurlijk, de gedachte is helderder dan de daad. Een daad heeft, als uiting van de wil, iets ondoorgrondelijks. De redelijkheid ligt in de gedachte.

Hiertegenover is behartigenswaardig, wat prof. Bavinck zegt in zijn Dogmatiek: "Deze besluiten worden ons in de Schrift niet in 't afgetrokkene beschreven, maar in de historie zelve ons voor ogen gesteld." Men ziet verkiezing en verwerping plaats hebben. We kunnen God niet horen spreken dan door een 'medium quid', een 'middel'. Bij 't luisteren naar Hem blijve onze aandacht op 't 'middel' gericht.

Antropologie

We raken hier een der belangrijkste vraagstukken in de theologie. De vraag, hoe 't staat met onze vatbaarheid om God te kennen. Of wij op een 'middel' zijn aangewezen, dan of we God direct kunnen kennen.

Omdat Thomas Aquinas deze vraag zo schoon bespreekt gaan we een ogenblik bij hem ter schole. Naar hem luistert bovendien dr. De Hartog niet ongaarne. Thomas zegt dat God het best kenbaar is van alles wat er is omdat er in Hem geen onopgeloste elementen zijn (God is actus purus). Maar 't is de vraag of ons oog eenvoudig genoeg is om dat allereenvoudigste Wezen te kennen. De zon is 't meest licht van alle licht, maar men kan er niet in opzien. Met de engelen kan God zich, en dan nog in zijn grote genade, tot zulk een kennis verenigen. Gods beeld schijnt hen op de grond van hun wezen en dat maakt hen tot engelen. 't Ligt niet in hun natuur. De genade is bij hen geen 'medium', geen 'middel', waarin 't licht getemperd wordt en gebroken tot dragelijke redelijkheid, maar 't voertuig en de zaak vallen hier samen.

Tegenover dit aanschouwen staat het leven door geloof. 't Onderscheid tussen deze beide is niet dat geloof meer met de wil verband zou houden, maar geloven is kennen door een middel. God is wel veel duidelijker te kennen dan in natuur en Schriftuur (historie), maar voor ons is die duidelijke kennis voorshands niet weggelegd. Zeker, er ligt iets donkers in deze mediums. Iets zeer donkers in de natuur. Maar ook veel donkers in de Schriftuur (historie). Diepzinnig zegt Daniël Chantepie de la Saussaye: "Het is een teken, dat de gemeente nog niet in de heerlijkheid is .... dat ze bij de schriftelijke getuigenis leven moet."

Maar buiten de lijn van het Woord is Gods aangezicht ons een labyrint (Calvijn). Die kennis is ons te wonderbaar. Het is waar dat de natuur iets ‘stoms' heeft voor ons gevoel. We gevoelen, ze zou eigenlijk veel meer willen zeggen, maar kan 't ons niet zeggen. We spreken van het stomme dier. En zo heeft ook de historie iets troebels, iets onklaars. En het is zo waar wat Eucken zegt, dat de tijden hoe langer hoe zwaarder gebukt gaan onder 't probleem: wat historie is. Er is een ontroerende klacht te beluisteren in 't woord van Lessing, dat 'historische data' nooit het bewijs kunnen worden van 'heldere waarheid'. Er is wel helderder waarheid. Maar niet voor ons. Zolang wij om der zonde wil in 't zweet onzes aanschijns ons brood moeten eten. Wij kunnen God niet kennen naar zijn Wezen (per essentiam). We kennen Hem in het gebroken licht als Vader, Zoon en Heilige Geest, zoals Hij zich geopenbaard heeft. God te willen kennen naar zijn Wezen voert tot onvruchtbare neoplatonische bespiegeling. De christelijke geloofsleer is de leer van Vader, Zoon en Heilige Geest. In de triniteitsleer zit schot naar schepping en historie. De leer van 't Wezen Gods kon in onze dogmatieken nooit veel houding winnen. Ze had geen aansluiting aan schepping en historie. En onze kennis Gods is nu eenmaal aan deze mediums gebonden.

Voor ons ligt de verkeerde opvatting van De Hartog in deze materie als samengeperst in één zinsnede, in Redelijkheid der Religie, p. 144: "Als persoonlijkheid is de mens met zijn aangezicht gekeerd naar het ondoorgrondelijk eeuwig Wezen." Wij menen dat Jezus Christus, het uitgedrukte beeld van Gods zelfstandigheid, ons stempelen moet tot personen.

Historie

Nu we op 't gebied van kennisleer en de leer van de mens beide tot de conclusie gekomen zijn dat we een 'middel' nodig hebben, willen we nog in't bijzonder letten op 't voornaamste voertuig of medium: de historie. En hier staan we oog om oog met dr. De Hartog. We zijn even onbevredigd als dr. De Hartog door de vlakke historiebeschouwing onzer dagen. Maar we zijn't met zijn methode evenmin eens om zoals in De heilsfeiten de ideeën te grijpen uit de hoofdpunten der heilsgeschiedenis en die aan te bieden als brood dat niet veroudert. We vrezen dat die ideeën voor dr. De Hartog zelf nu reeds verouderd zijn. Zo gemakkelijk gaat het niet. Zo redelijk is de religie niet. Zeker, achter het Lam dat op Golgotha geslacht is staat, ook volgens de Schrift, het Lam dat van eeuwigheid is geslacht. Vlak is de Schrift niet. Maar 't staat daar op andere, voor ons donkerder, verborgen wijze. Naarmate Vader, Zoon en Heilige Geest, in schepping en historie uiteengetreden, daarachter zich naar elkander toe buigen tot het éne, eeuwige Wezen, verliezen ze voor ons hun distinctie en kenbaarheid. Voor ons ligt de kennis naar ons toe, geuit, geopenbaard, op de voorgrond, uitgedrukt. Daar ligt onze redelijkheid en kennis. Daar achter een vollere te zoeken is zelfbedrog. Dit nu doet dr. De Hartog. Hij construeert achter de heilsfeiten een schema, een net van betrekkingen, dat aan de volheid der Schrift gemakkelijk schade kan doen. We hebben daartegen hetzelfde bezwaar als tegen de dogmatische gedachtenconstructies van dr. Kuyper, die bijv. liefst de wedergeboorte bestudeert bij een klein kind, een net van lijnen trekt onder het bewuste leven, waar men de vrije hand heeft. Zulk een realisme slaat gemakkelijk om in idealisme. Tenslotte geloven wij dat de voorwaartse, toepasselijke beweging van onze catechismus, in de bekende vraag 'wat nut u', als methode vruchtbaarder is dan de achterwaartse van dr. De Hartog, die eigenlijk omgekeerd de heilsfeiten op God toepast. Zo wanneer hij in Heilsfeiten als't ware een formule geeft voor elk feit, zoals't in Gods raad als 'heldere waarheid' en niet als troebel feit zou bestaan. Wanneer De Hartog bijv. de vleeswording doet steunen door een gedachten dan lijkt ons dit een averechtse en ietwat zonderlinge verhouding. Wij geloven dat in 't feit der vleeswording vele gedachten liggen. Het feit der vleeswording beroert sedert de ganse wereld, spreekt tot alle harten, buigt straks alle knieën. De invloed daarvan vaart door alle zeden, betoont zich in lied en leven, in geloof en getuigen, in gebed en prediking, in taal en schilderstuk. Voorwaarts komt de volheid daarvan, stromende door de eeuwen tot in het heden, het nu, en brengt het Koninkrijk der hemelen, dat nabij komt. Honderd- en duizendvoudig breekt zich de echo daarvan in de wereld. Zo moet Christus komen, en niet achterwaarts gedrongen worden in de stilte der eeuwigheid. Zoals het kleine, de humaniteit uitdrukkende Griekse beeld rijker is dan de piramide van Gizeh, zo bevat ook het kruis dat éénmaal stond op Golgotha meerdere schatten voor mensenharten dan het grote kosmische kruis dat geklonken wordt in 't hart van Gods schepping.

Zeker, de geschiedenis geeft feiten, enkele, zoals de golven worden opgeworpen door de zee. Maar 't zijn tenslotte geen enkele. 't Is een golfstroom die voert naar de groene kusten van het Godsrijk. Er is gang en bedoeling in. De geestelijke spijze die op zichzelf oud is in tijdelijkheid moet in't zweet des aanschijns, om der zonde wil, herwonnen tot dagelijks brood. Niet het stilstaande maar 't stromende water gedijt. Het verledene tot heden te maken is een taak, een levenstaak. Die taak is gemeenschappelijk. Er is een heden allereerst in de historie. 'Es ist des Geistes höchste Wirkung den Geist herbei zu rufen' (Goethe).

We zouden hier het beeld willen gebruiken van een melodie. Het 'einmalige', waarvoor dr. De Hartog zo bang is, is de gang van het lied. Daarin is een horizontaal streven. Het heeft begin en einde, historie,

"... het oude lied,
Van Christus, mijnen Here!"
(Beets).

Dr. De Hartog heeft voorliefde voor de verticale sprongen van de bas, die gemakkelijk worden herhaald. Het monotone daarin is hem het eeuwige.

Hierin ligt tegelijk opgesloten dat we recht toekennen aan het kosmisch pedaalspel van dr. De Hartog. Maar het mag slechts dienen om grond en diepte te geven en mag het lied, met mensenstem gezongen, niet overstemmen. Wat bij dr. De Hartog ontbreekt, is de parousie, waarop de eeuwen gericht zijn. Hem ergerde het, toen prof. Van Dijk op het einde van zijn Wezen des christendoms daarop heen wees.

Zijn en Wezen

Ons rest nog de beschouwingen van dr. De Hartog te toetsen daar, waar zijn metafysisch sentiment 't duidelijkst uitkomt, in zijn eigenlijk gezegde metafysica. De vraag te stellen hoe De Hartog zich de band tussen God en ons voorstelt, in zijn eigenlijk wezen. De vraag, van welke aard onze zekerheid is. En hier komt het, zo ergens, duidelijk uit, dat dr. De Hartog bang is van een 'medium quid', van een 'vermittelte' zekerheid, van een één-zijn onder relatie. We durven het haast niet te zeggen, uit vrees dr. De Hartog te kwetsen, maar we zouden hier eigenlijk moeten zeggen: van een middelaar. Waarom spreekt hij zo graag van de 'Eeuwige' voor 'de Vader van onze Here Jezus Christus'! Hij houdt niet van een zekerheid die te zeer door 't bewustzijn heengaat. Hem is lief het beeld van 'de wijnstok en de ranken'.

Nu is er tweeërlei zijn. Er is zijn en wezen. Zijn is het abstracte, wezen het 'vermittelte' 'zijn'. Hegel laat ons in zijn metafysica zien, hoe het ledige 'zijn' gevuld wordt met dingen en eigenschappen (kwaliteit en kwantiteit) tot het een 'wezen' gewonnen heeft. Een 'verrijkt zijn'. Nu heeft echter dr. De Hartog het arme 'zijn' liever dan het rijke. Zo ziet men bijv. in een der afleveringen van Nieuwe Banen de bergrede afgedrukt, met de nadruk telkens op het woord: zijn: ⚑de bedroefd zijnden; ⚑de arm van geest zijnden; enz.

Dit kan zijn recht hebben onder een gegeven gezichtspunt, maar typeert toch wat wij hier bedoelen. Niet de eigenschap (kwaliteit) van het bedroefd of arm zijn schijnt hier de rijkdom van de spreuk uit te maken. Ze vallen terug tot monotone eenvormigheid, tot het onderscheidsloze 'zijn'.

Wanneer dr. De Hartog zal zeggen wat religie is, dan merkt hij op: "Die eenheid mag er vandaag maar niet eens wezen, om morgen weer te worden opgeheven en voor gescheidenheid plaats te maken."' Hier weer het onderscheidsloze een-zijn. Het onder-bewuste. Een eenheid, maar niet onder relatie.

Omgekeerd vatten de Schrift en onze belijdenisschriften onze eenheid met God veel meer op onder relatie. In een betrekking waar de woorden: verlatenheid, boete, schuld, toorn, verzoening tot hun recht komen. Daarin ligt veel meer geschiedenis en rijkdom van inhoud. Wij geloven dat zulk een eenheid wezenlijker is. En nu ontkent De Hartog dat andere niet. Dat zouden we niet gaarne zeggen. Maar: c'est le ton qui fait la musique. 't Is maar de vraag wanneer iemand in z'n kracht komt. Wanneer 't sentiment werkt. Men moet elkander dat sentiment afvoelen.

Dr. De Hartog zou eigenlijk moeten vinden, dat de band die moeder en kind vóór de geboorte verbindt, het onderscheidsloze een-zijn, te verkiezen is boven de band der liefde, die er is, wanneer de moeder haar wicht in 't wezen ziet. Ons komt echter de laatste band, al mag die dan ook meer op en af gaan, oneindig veel rijker voor. Wij stellen meer belang in 't wezen, het rijke, verscheidene, 'vermittelte' 'zijn'. Moesten we kiezen, dan kozen we Lukas 15 voor Johannes 15.

Besluit

Ons onderzoek op elk der vier genoemde punten van De Hartogs beschouwingen bracht ons tot één-en-het-zelfde resultaat. Wat we missen, ligt in 't woord van de apostel in 1 Tim. 2: 5: 'Er is ook één MIDDELAAR Gods en der mensen, de MENS Christus Jezus.'

De 'Eeuwige' van dr. De Hartogs geschriften is ons een andere dan de Vader tot Wie niemand komt dan door de Zoon. En de kosmische Christus, die opduikt uit de diepten der werkelijkheid, doet soms meer denken aan de geest, waarvoor Faust schrikt, dan aan de Zoon, vol van genade en waarheid. Ook staat De Hartogs theologie meer in 't teken der wedergeboorte dan in dat der verzoening.

Ons trekt meer aan die zijde van de cherub, waarop 'eens mensen aangezicht' staat. De andere zijde is er echter ook.

Bij onze waardering kwam meer dr. De Hartogs sentiment en getuigenis naar voren. Onze kritiek stond meer stil bij zijn denkbeelden. Dit kan ons eindoordeel bepalen. Het getuigenis van dr. De Hartog is ons een weldaad. Zijn dogmatiek accepteren we niet.

Zijn metafysisch sentiment gaf ongewone kracht aan zijn getuigenis, gaf daaraan diepte en grond. Daardoor werden geweldige, schriftuurlijke, vaak verwaarloosde gedachtenreeksen naar voren gebracht. Zodra hij echter systematiseert, staan ze te veel op de voorgrond. Ze wijzen op de achtergrond achter de schepping van de zesde dag. Christus is geworden uit een vrouw. Voor die Christus een goed woord te zeggen zal ieder christen te een of anderer tijd gelukken. Van de kosmische Christus te getuigen zal slechts voor een enkele zijn weggelegd.

Eindnoten

  1. 1

    Het getuigenis van dr. De Hartog. Waardering en kritiek, werd door N. als artikel gepubliceerd in Stemmen voor Waarheid en Vrede 47 (1910), p. 144-172.

    Stemmen voor Waarheid en Vrede. Evangelisch tijdschrift voor de protestantsche kerken, werd in 1864 opgericht door L. Tinholt, die vanaf 1868 samen met A. W. Bronsveld het blad redigeerde. Vanaf 1875 werd het alleen door Bronsveld geredigeerd. Het te Utrecht uitgegeven blad, dat veelal het standpunt der ethische richting weergaf, werd in 1925 opgeheven. A. W. Bronsveld (1839-1924) was hervormd predikant te Haarlem vanaf 1868, vanaf 1880 te Utrecht.↩

  2. 2

    Benedictus de Spinoza (1632-1677), Nederlands filosoof. Vanaf ongeveer 1860 ontstond er in Nederland weer grote belangstelling voor S., welke bleef aanhouden tot ver in de twintigste eeuw. Deze belangstelling kwam wel vaak uit totaal verschillende interesse voort. Namen kunnen worden genoemd als J. van Vloten, J. H. Gunning Jr., W. Meyer, J.D. Bierens de Haan, H. Gorter en J. H. Carp.↩

  3. 3

    C. A. Sainte-Beuve (1804-1869), Frans schrijver, die beroemd is geworden door zijn literaire meesterwerk Port-Royal, een uitwerking van een cyclus lezingen gehouden te Lausanne. De eerste druk van het werk verscheen in vijf delen gedurende een periode van 20 jaar (1840-1859). S.-B. begon dit werk, nadat hij de eerste, romantische periode van zijn leven, die in een literaire en morele crisis eindigde, afgesloten had. S.-B. voelde zich aangetrokken door de krachtige spiritualiteit van Port-Royal, de geschriften en de persoonlijke vormen van vroomheid die in dat milieu konden ontstaan.↩

  4. 4

    Zie p. 148, noot 2.↩

  5. 5

    H. Drummond (1851-1897), Schots geoloog en theoloog. Als student was D. een ijverig medewerker in de methodistische evangelisatiecampagne van Moody en Sankey. Nadat hij in 1877 hoogleraar in de natuurwetenschappen te Glasgow was geworden, beijverde hij zich de overeenstemming aan te tonen tussen het christelijk geloof en de natuurwetenschap. Zijn The naturel law in the spiritual world (1883) werd wereldberoemd; A.W. Bronsveld vertaalde het in het Nederlands onder de titel Natuurwetten in de geestelijke wereld, Amsterdam 1886. Cit. naar de Ned. vertaling, p. 242.↩

  6. 6

    F. Loofs (1858-1928), Duits luthers theoloog, vanaf 1882 hoogleraar te Leipzig, vanaf 1887 te Halle. Als kerkhistoricus was hij vooral in de dogmengeschiedenis geïnteresseerd, waarin hij zich een leerling van Von Harnack betoonde. Maar terwijl Harnack het dogma van de oude kerk als het dogma liet gelden en de verdere geschiedenis zag als een geschiedenis van ontbinding van het dogma, vatte L. de dogmengeschiedenis op als een nog onafgesloten ontwikkeling.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet onder Weergave de correcties aan om de verbeterde OCR-fouten en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Het getuigenis van De HartogInhoudPragmatische houding →