Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 3 · p. 419–433

Weergave

Het ethisch beginsel1

Het woord 'ethisch' in de titel van deze lezingen is historisch bepaald. Het is nauwelijks nodig de betekenis, die het woord in de kerkelijke wereld gekregen heeft, vooraf nader te bepalen. Het onbepaalde, dat het heeft en waarover veel klacht is geweest, kan toch door een definitie niet worden weg genomen. Het zal langzamerhand in de loop van de lezingen moeten opklaren. Ethisch wordt hier genomen in de zin van ethisch-orthodox, waarmee een bekende kerkelijke en theologische zienswijze wordt aangeduid in onderscheiding van confessionelen, vrijzinnigen en andere denominaties.

Vanouds is er een klacht geweest over het onklare van het beginsel van deze richting. Dit verwijt heeft de voormannen in de vorige eeuw, De la Saussaye en Gunning, steeds weer getroffen. Beiden hebben daaronder geleden. De la Saussaye is er vaak door geprikkeld, terwijl Gunning het heeft aanvaard als een kruis.

"De grote menigte", aldus Gunning, "begrijpt altoos de verstandelijke redeneringen het best."a Die zijn waterklaar als twee maal twee vier is. Tegenover dit intellectualisme stelt Gunning de daad, de keuze, de energie, het ethische. Wanneer men tegen elkaar over stelt: 'Dit ziet mijn oog' en 'dit beaamt mijn geweten', dan is dat laatste niet zo helder als het eerste!b In dit beginsel van de daad, van de beslissing (Entscheidung zegt men tegenwoordig), voelt Gunning iets aristocratisch, dat de massa afstoot (het volk niet). "De trage geest is de meerderheid", zegt Gunning, "het geloof is niet aller. De meesten willen een objectieve, uitwendige band."c En elders: "De toejuiching der menigte bewijst dat men Christus ontrouw is."d Gunning stelt zich hier een ridderideaal. Hij wil wezen: een leraar in het ridderkleed, onder welke titel hij Robertson 2de bekende Engelse prediker, heeft geëerd.

Wat Gunning hier als een deugd ziet, heeft De la Saussaye soms als zonde gevoeld. Van de drie orthodoxe richtingen, waarover hij in een brief aan de oudere Valeton3 schrijft, noemt hij de zijne, of liever met Valeton de onze, de kleinste in getal, intellectueel de sterkste, maar zwak door een zeker 'aristocratisme pastoral ou théologique', dat ons bang doet zijn voor de schijn van solidariteit met de beide andere. "Ik geloof", gaat hij voort, "dat het onze zonde is. Ik geloof dat juist op grond van die geestelijke meerderheid wij het contact met de anderen niet moeten vrezen en dat wij in staat zijn de eerste (de confessionelen) te winnen en de tweede (de separatisten) te overwinnen."e

Ik geef deze opmerkingen slechts bij wijze van inleiding om u en mijzelf de zekerheid te verschaffen dat wij onze aandacht in de goede richting hebben bepaald. Het is het ethisch beginsel gezien, laat mij zeggen, zoals het over de straat gaat, bijv. uit het raam van een studentenkamer, als de bewoner met een goede vriend de voorbijgangers op straat commentarieert: "Een ethische, als voorbijganger, dat is een onklare, een hoge."

Hulsman heeft het zo gezien in een brochure die hij schreef in 1911: "Wanneer men hoort, dat iemand ethisch is, dan maakt men onwillekeurig een buiging. Ethisch, d.i. beschaafd; evangelisch, d.i. water en melk; modern, d.i. filosofisch en religieus zwak; gereformeerd, d.i. wat achterlijk is en bekrompen, maar ... ethisch, d.i. ernstig, d.i. diep enz."f Hulsman kon het weten. Hij was van de familie.

Bij deze kijk zullen we ons verder niet lang ophouden. Mij is gevraagd te spreken over het ethisch beginsel, dus niet over de personen. Misschien zullen we een enkele maal gelegenheid hebben de vraag te stellen of het beginsel tot de bedoelde zedelijke deugden (of gebreken) van onklaarheid en hoogheid aanleiding geeft of niet. We beginnen echter de vraag naar het beginsel te stellen.g

Ook daar acht De la Saussaye niet de echte empirie aanwezig, maar slechts empirisme. Men isoleert het verstand: "Slechts wat begrepen wordt is waar en begrepen wordt slechts wat aanschouwd wordt."h Nu heeft De la Saussaye, en Gunning evenmin, niets tegen kennis door aanschouwing. Integendeel, beiden hebben zich heel sterk aan hun naturalistische tijd aangepast. Maar ze achten de aanschouwing bij Opzoomer en Pierson te naturalistisch verengd. Voor De la Saussaye is het gebied, dat wij waarnemen, veel wijder dan voor Pierson. Als hij een zedelijk en religieus oordeel uitspreekt, dan noemt Pierson dat al heel spoedig 'poneren', dus willekeurig poneren in het ledige. Dat de weg der theologie als wetenschap waarneming is, wil De la Saussaye wel toegeven, maar de grote kwestie is niet een van methode: waarnemen of redeneren, maar wel een psychologische: hoeveel een mens kan waarnemen en welk een orgaan hij daarvoor heeft. Het geweten - dat is het centrum van de mens, de hele mens - staat in contact met dingen die bovennatuurlijk zijn. De versmalde ervaring van het positivisme heeft een begrip van mens, dat ingesteld is op natuurkundige feiten. Zij is geboren onder invloed van de natuurwetenschappen. Zulk een bewustzijn, ledig van alle zedelijke en religieuze inhouden, buiten de cirkel van het eigenlijke menselijke leven, noemt De la Saussaye een 'conscience athée'.i

Pierson is een tijdlang wel een beetje een enfant terrible geweest, zoals meer gebeurt met dominees die van de preekstoel op de begane grond komen, zoals hij dat gedaan heeft. Men moet dat empirisme dus niet te zeer aandikken voor de sceptische empiristen van zijn groep. Maar dat de theologie op zijn weg geen toekomst kan hebben is wel zeker. Wanneer, zoals De la Saussaye opmerkt, het geweten, de centrale menselijkheid, niet meer mag gelden als waarnemingsorgaan, als geloven in de wijdste zin genomen poneren in het ledige is, als dat innerlijk bewustzijn slechts voorwerp van waarneming in de zin van natuurwetenschappelijk object voor het verstand mag zijn, dan is er geen theologie meer. Daarbij laat ik nog geheel in het midden of De la Saussaye hier terecht van waarnemen spreekt of niet. Of dit een naam voor geloof mag zijn. Dat is van later orde.

Deze hele discussie doet ons overigens tamelijk archaïstisch aan. Ook onder de hedendaagse modernen staat niemand meer op het standpunt van Pierson. Roessingh heeft de oudmoderne theologie naturalistisch genoemd en geschreven dat de kritiek der ethische richting de moderne theologie in haar eerste periode principieel heeft getroffen.j Maar tegelijk erkent hij haar betrekkelijk recht, wijl volgens Pierson het moderne bewustzijn bestond in afwijzing van het supranaturalisme.k Daartussen staat nu het ethisch beginsel door naar beide zijden de nadruk te leggen op het geheel van de menselijke persoonlijkheid. Tegen het supranaturalisme heet het dat een christen met zijn leven overtuigd wordt van het bovencultuurlijke; en tegenover de empiristen dat hij met zijn leven overtuigd wordt van het bovennatuurlijke.

De korte formule hiervoor bij De la Saussaye en Gunning is dat de waarheid ethisch is. Die formule heeft altijd iets van een puzzel. Immers het zedelijk oordeel levert de predikaten goed en kwaad op en niet die van waar of onwaar. Hier moeten we echter bedenken dat ethisch hier in heel wijde zin genomen wordt. Als ik nu met mijn hele bewustzijn, verstand en geweten, wat De la Saussaye samen de rede noemt, een beslissing neem, dan overweegt het ethische, de wil, het leven, het persoonlijke daarin. Het is een zedelijk oordeel. Wanneer ik echter dit oordeel vel over de wereld buiten mij, moet ik het goede het ware noemen, het eeuwige, het goddelijke; het kwade echter het voorbijgaande, de schijn!l Goed en kwaad wil De la Saussaye reserveren voor de meer subjectieve zijde van de beslissing. Dat de waarheid ethisch is, betekent dus, dat ik over zijn of niet-zijn met inzet van mijn hele wezen moet beslissen en dat omgekeerd het ware altijd zedelijke waarde heeft.

Het moet een indrukwekkend moment geweest zijn, toen Gunning in zijn inaugurele oratie in 1889 hier te Leiden zijn eigen positie in de faculteit vergeleek met die der martelaren. Deze konden voor de toenmaals erkende wetenschap hun recht niet laten gelden door argumenten; neen, eenvoudig door een met de dood bezegeld: 'Ik wil niet.' De erkenning van hun wetenschap bracht later de geschiedenis. Ook hij herhaalt op verre afstand een 'ik wil niet' met goed wetenschappelijk geweten, bij het licht van het gehele leven en dus ook van dat onderdeel, hetwelk men kritische en wijsgerige arbeid noemt!m

De kritische en wijsgerige arbeid heeft dus hier niet het recht 'buiten de cirkel des levens'n een arbitrair onderzoek in te stellen naar de juistheid van de gevallen zedelijk-godsdienstige oordelen, zodat deze voor de rechtbank gedaagd zouden kunnen worden, zoals Pierson doet. Gunning noemt dat in een andere rede 'omkering van rekenplichtigheid'.o - Deze kritische arbeid, want kritiek is heilige plicht, is betrokken in de beslissing. En heeft mee beslist in de kritiek der bewondering. In de vrijheid en de vreugde der gevallen beslissing is ze niet gebonden, ook niet tegenover het allerkritiekste, maar ze werkt bij hoger licht. Het godsdienstig proces van waarheid zoeken en waarheid wordenp is geen problematisch gebeuren, dat door het verstand met wantrouwen behoeft te worden beschouwd als nauwelijks toelaatbaar in de ring der werkelijkheid, maar het is de grote realiteit zelf, de geestesstroom, de logos, die subject en object omsluit en waarvoor het verstand zelf verantwoordelijk is.

Op dit punt gekomen kan men twee kanten uit. De logos, die subject en object omsluit, het Verbum Divinum, die tegelijk de menselijke rede is, de identiteit van de logos buiten en binnen de mensq kan geheel idealistisch worden opgevat. De la Saussaye en Gunning vertoeven soms op de grenzen van het idealisme. Maar hun ethisch standpunt houdt tegelijk afwijzing in van het idealisme, van de stelling dat God het denkproces zelve is, en de persoonlijkheid, de grond van al ons denken, slechts een voorbijgaand moment in het oneindige denken is.r De la Saussaye eist dat de idealisten grond zoeken voor hun idee, anders hangt die in de lucht. Voor het recht der speculatie hebben De la Saussaye en Gunning beiden gestreden. Hun grief tegen het verstandelijke liberalisme was de afwezigheid van idee. Een godsbegrip zonder idee van gezag, een zondebegrip zonder de idee van schuld. Zo ontbreekt het eeuwige, het zijn denkvormen zonder inhoud.

Maar het idealisme moet ergens in rusten, de dialectische beweging is niet eindeloos. De natuur, aldus Gunning, is doorgangspunt voor Gods krachten; het persoonlijke is zelf middenpunt. God kan er rusten, wonen.s Dit is een gedachte die Gunning van Böhme heeft. Zo komt het ethisch beginsel bij De la Saussaye en Gunning op voor het humaan karakter van de christelijke waarheid. Het ethische is menselijk. De grond, waarin de idee moet rusten, wonen, is de mens. Deze theologen willen humanisten zijn. De begrippen ervaring, wetenschap, hypothese, verificatie, worden ook op godsdienstig gebied gehandhaafd.4 't Is maar de vraag welke humaniteit, welke mens er achter staat. Is dat de mens die achter het natuurwetenschappelijk oordeel of de natuurwetenschappelijke waarneming staat, of is hij de mens die aan de voet van de jakobsladder staat, de waarnemer van God? Doedes spreekt hier uit wat ook bij De la Saussaye en Gunning leeft: "Ik beroep mij van de gekortwiekte ervaring van Pierson op de ervaring van alle eeuwen."t En Gunning merkt op dat wij op zedelijk en godsdienstig gebied pas weten wat een mens is.u Hypothesen kunnen we volgens De la Saussaye beter opstellen op het terrein der historie dan op dat der natuur, omdat er in de mens duidelijker analogie is met geschiedenis dan met natuur. Wetenschappelijk staan we op hoger gebied beter gewapend dan op het lagere. Grond, waarin de ideeën rusten, zich verwerkelijken, is dus de mens.v De mens is een ontdekking in de theologie. Voortaan, zo wil het De la Saussaye, moet de wetenschap uitgaan van twee punten. De wijsbegeerte van de mens zoals hij verschijnt, de mens met zedelijke behoeften en idealen, de mens van het geweten; de theologie van Jezus Christus, de ideale mens, die toch historisch is. Het goddelijke is tegelijk menselijk; het bovennatuurlijke natuurlijk en andersom. De mens bevindt zich boven de natuur. Waarheid kan in ethische vormen, levensvormen opgaan. Het Evangelie is de ware humaniteit. God vraagt en wil van ons niet anders dan waar mensenleven. God zelf heeft een menselijke zijde en het is zijn beste zijde. Het buitengewoon karakter van het christelijk leven komt niet uit in onze handelingen noch in onze formules, maar in de beweegredenen, normen die ons drijven bij onze handelingen.w

De grenzen der humaniteit worden dus niet overschreden. Maar welke menselijkheid? Wanneer de geschiedenis van het humanisme werd geschreven, oud en nieuw, in ons land, dan mocht zeker wel een zeer afzonderlijk hoofdstuk gewijd aan dat van De la Saussaye en Gunning. De filosofie realiseert het oneindige door de gedachte; de godsdienst tracht het te realiseren in het leven en deze beide zijn homogeen, al is het dat ze voorlopig ten gevolge van de zonde gescheiden blijven.x Ook hier weer evenals bij de ervaring is de ethische theologie gedacht in het schema, dat de tijd aangeeft. Tegenover ervaring werd ervaring, hier weer tegenover humaniteit humaniteit gesteld. Aan het ene einde van de toonladder van het humanisme de toon van Renan:5 'Le surnaturel, c'est le surdivin':y het bovennatuurlijke gaat ook boven God uit. Aan het andere eind: het natuurlijke en het benedenmenselijke. De oude ethischen voelden zich daarom tegelijk aangetrokken en afgestoten door de Groninger school: Hofstede de Groot en Pareau. De la Saussaye erkent dat hij door de theologie naturalis en encyclopedie van deze beide geleerden het eerst oog heeft gekregen voor de verwantschap tussen natuurlijke en christelijke godsdienst en voor het organisch verband van de verschillende delen van de theologische wetenschap.z De la Saussaye haalt met instemming aan een Groninger bepaling van theologie als een organisch samenhangend geheel van ideeën, uitgegaan van een vaste grondslag.a Maar nu vindt De Groot het geweten geen vaste grondslag; hij acht die subjectief ben ziet over het hoofd dat De la Saussaye het geweten niet als iets afgeslotens, maar iets opens, als een progressief in beweging zijnd organisch geheel beschouwt. Ethiek betekent niet een theorie voor praktische moraal, maar is een leer van de wordende persoonlijkheid. Het is merkwaardig hier op te merken het verschil in opvatting van humaniteit. Twee elementen moeten verenigd worden. Een vaste grondslag en een beweeglijk geheel van ideeën. Wat is nu vast en wat mag beweeglijk zijn? Voor De la Saussaye is hier geen tegenstelling, geen scheiding. Alles is vast en alles is beweeglijk in het verkeer tussen God en mens. Het organisch geheel, het vast bestek waarnaar het in eeuwigheid zal rijzen, of liever wassen, is vast en alles wat daarin is, is beweeglijk als in een organisme. Het doel, de forma substantialis, is vast, het telos, de entelechie, maar daarin werken causa materialis en de beide andere bewegelijk. Een gesloten, afgesloten geweten kent De la Saussaye niet. Wel een relatief. Een geweten als een afzonderlijk orgaan, empirisch gegeven als hand of voet, waarmee men goed of kwaad zou kunnen aanvoelen als absoluut gegeven, positivistisch, daarvan weet de ethische theologie niet. Wat goed en kwaad is, moet blijken uit het vast geheel van heel de samenhang van hemel en aarde. Het bovennatuurlijke in de zin van het supranaturalisme is hier radicaal uitgestoten. De humaniteit is te vergelijken met de baan van een komeet. Het natuurlijke menselijke ...c

... onder het bereik Gods in Jezus Christus. Zij aanschouwt de waarheid, de vervulling. Zij is ook wetenschap, niet minder dan de wijsbegeerte, neen, meer dan deze. Ze werkt met voller bewustzijn, in de vreugde der aanschouwing. Daar wordt de ware, normale humaniteit gekend.

Natuurlijk is dit beeld te mechanisch. Het schema dat de ethische theologie dient en dat grotendeels rechts en links is overgenomen is het organische. Maar het mechanische beeld is in zijn vereenvoudiging veel duidelijker. Een groot deel van de donkerheid der ethische theologie ligt in het toepassen van de idee van het organisme op de theologie. Dezelfde verhouding bestaat ook hier, maar veel ingewikkelder. Wat zo pas het verre kosmisch buiten van het aphelium heette, moet hier dood heten, en wat daar het planetarische binnenzijn was, heet hier leven met al zijn spanningen en vreugden. De afstand tussen duisternis en licht wordt in het organisme de afstand tussen dood en leven. Het bewust opgenomen worden in een algemeen levensverband is hier enthousiasme, innerlijke vreugd. Wanneer men dit beeld voor ogen houdt, klaren vele voorstellingen vooral in Gunnings gedachten zich op.

Ik ga er straks enkele van aanwijzen. Thans moet ik terugkeren tot Hofstede de Groot. Wij herinneren ons de gemeenschappelijke bepaling van theologie als een organisch geheel van ideeën, uitgegaan van een vaste grondslag. - Wanneer echter De la Saussaye deze bepaling overneemt, dan schrikt de Groninger hoogleraar van de dialectische beweeglijkheid, die dit aan de theologie verleent. Zo levend had hij het niet bedoeld. Hij moet meer gedacht hebben bij een afleiding, een deductie, een didactische afleiding uit een vaste grondslag: afleiding uit een boek of uit een grondbeginsel door een leraar, een opvoeder, die zijn ideeën ontwikkelt. Zo is het dan ook inderdaad. Tegenover de volbloed ethische is de Groninger de conservatief, de supranaturalist; ook nog heden ten dage. De vaste grondslag van De Groot is niet het organisme in zijn geheel, de humaniteit die God in haar ring besluit, maar Jezus, of de bijbel, waardoor of waaruit de mens onderwezen wordt. De mens is veel meer een empirisch gegeven, de mens uit de filosofie. Veel minder de mens uit de theologie. Daarom mist De la Saussaye in deze theologie diepte en echte religie. De christologie is teveel antropologisch; de bijbelleer te supranaturalistisch. De beweging des levens gaat te weinig diep in bekering en wedergeboorte. 't Is beweging, deductie uit een vaste grondslag, evolutie, ontwikkeling in de zin van opvoeding. Het godsbegrip is te weinig speculatief-theologisch en trinitarisch.

Inderdaad is De la Saussaye oneindig moderner geweest dan Hofstede de Groot. Aan de eis van Pierson aan de moderne mens gesteld dat het supranaturalisme zijn afscheid moet hebben, beantwoordt hij veel meer dan deze. Hij is ook veel moderner in zijn speculatie. De Groot herinnert aan de achttiende eeuw. De la Saussaye grijpt vooruit op de twintigste. Hij staat daarom ook veel nader aan de oplossing van het humanisme dat bij hem gespannen is tot zijn grenzen. De leerlingen van De Groot kunnen hun humanisme behouden. Die van Gunning niet. De la Saussaye en Gunning zijn als wezens, die te zamen met hun tijdgenoten uit de hemel gevallen, samen in een huis op de grond zich hebben gered, maar dadelijk op de hoogste verdieping hun verblijf hebben gekozen. Ik sprak daarstraks over Gunning in verband met de idee van het organische. In de aantekeningen van een academische rede bepaalt Gunning het onderscheid tussen het natuurlijke en het ethische op de volgende wijze: "Het natuurlijke bestaat eenvoudig en voldoet daardoor aan zijn bestemming. Maar de mens is geroepen om aan het ethische ... getuigenis te geven door te existeren op zijn wijze, welke is: te leven."d

Hier worden we erop opmerkzaam dat de organische idee aan de biologie is ontleend. Een theologie uit de idee van het organische zal daarvan telkens de sporen vertonen. Zo valt er nieuw licht op de formule dat de waarheid ethisch is en dat het goede als object waarheid moet heten.e In de biologie omstrengelen de ideeën van waarheid en goedheid elkaar en worden verwisseld. Als ik een huiselijk voorbeeld mag nemen van de hoogste sport der sexuele teeltkeus, dan is de ware Jakob de goede partij voor het voortbestaan van de familie. Gunning zei: "De logische noodzakelijkheid heeft haar doel niet in zichzelf; alleen het absoluut Goede ... Het is plicht dit Goede te willen en daarom is het noodzakelijk het te denken."f Hier spelen de ideeën van het goede en het ware met elkaar. Hierin ligt mijnerzijds reeds enige kritiek. Deze kritiek zet ik hier echter nog niet in, maar stel haar vooralsnog uit. Ik moet er dadelijk bij zeggen dat deze biologische verwantschap bij Gunning heel weinig hindert, omdat alles gedragen wordt door een zo diepe theologische ernst van heel andere origine, dat we het bijna als heiligschennis voelen de verwantschap aan te wijzen. Wij, die het pragmatisme hebben meegemaakt, zijn echter gescherpt op het speuren van de verwisseling van waar en goed en op haar biologische herkomst.

Zo verklaart Gunning in een andere rede dat "het hoofdkenmerk van het Evangelie, bepaaldelijk naar protestantse opvatting, is dat de godsdienst volkomen zedelijk is; dat alle religieuze ervaring in zedelijk handelen overgaat."g Dit zedelijk leven is "niet anders dan de hoogste energie zelve."h "Geest is wat zijn eigen schepping is."i "Dat nu wordt onze menselijke geest door de mededeling van de Heilige Geest."j Zulke uitspraken, waarvan er sommige aan Rothe herinneren, hebben de biologische idee tot achtergrond. Ook De la Saussaye wil de Heilige Geest niet als voorwerp van geloof zien, als bovennatuurlijk pneuma, maar als het eigen persoonlijk leven Gods in de mens,k hoewel niet onmiddellijk, maar door aanschouwing en kennis gezocht. In dit verband is de Heilige Geest voor De la Saussaye pas in Jezus Christus ontstaan.l

"In het geloof is tegelijk met het object ook het orgaan dat waarneemt vervat",m wat alleen denkbaar is in een verhouding tussen het geheel en de delen van een organisme. "Le vrai est enraciné dans la morale."n Daarvan hervormt zich de kerk, "comme le fait tout organisme", volgens de ontplooiing van innerlijk leven.o Daarmee wil De la Saussaye staan tussen hiërarchie met gezag en spiritualisme met een gemeente van uitverkorenen.p Dit is te begrijpen.

Hiërarchie kent onderscheid van trappen. Wat op de ene goed is, is het niet op de andere. Wat op de ene trap als waar kan worden ingezien, kan het niet op de andere. Vandaar de noodzakelijkheid van gezag. - Het spiritualisme kent de absolute tegenstelling van uitverkoren en verworpen, van waarheid en leugen, van goed en kwaad. De organische beschouwing kent alleen de onderscheiding van leven en dood. Het woord dat hier opgeld doet is: waarde. Het staat tussen waarheid en goedheid in. Maar daarmee komen we in een heel andere atmosfeer. Waarde is aan koers onderhevig en kan de hele schaal van nul tot oneindig doorlopen. En deze overgangen zijn niet trapsgewijs, zoals bij de gezagsbeschouwing; de verschillen zijn ook niet absoluut als bij spiritualistische beschouwing, waar de geest oordeelt, onderscheid maakt. Een organisme oordeelt niet; het assimileert. Wel heeft het functies die aan oordelen herinneren en die een organische beschouwing gelegenheid geven telkens een metabasis eis allo genos te maken, maar het woord is hier assimileren. Een grote tegenstelling blijft er over: leven of dood. Maar binnen de ring van het leven is alles waardering, assimilering, smaak, waarover in laatste instantie niet te twisten, niet te oordelen valt.

Zo vinden we dan bij Gunning enerzijds uitspraken waarin het absolute onderscheid tussen leven en dood opklinkt. "Dalen we een millimeter beneden het volmaakt-zijn, zo liggen we in de dood, in de vijandschap tegen God."q "Het geloof is niet aller."r Of wanneer hij aanraadt ieder beginsel tot zijn uiterste consequentie te laten gaan om zo tot het oordeel te komen.s Maar daartegenover staat binnen de kring van het leven de irenische zin. Wie een opvatting van de zaak heeft, die is Gunning goed, maar dan een opvatting, onderstreept; wie de schat opheft met beide handen, met welke woorden hij die handeling ook vergezelde. De God die door vuur antwoordt, die is God!t En met een ander beeld wordt God vergeleken met de natuur: men kan Hem zomin als haar leren kennen, als men Hem niet op zijn lichaam, op de werkelijkheid van zijn leven laat werken.u Zo assimileert Gunning zich overal in de wereldliteratuur, wat hem dienen kan in het proces van waarheid zoeken en waarheid worden. Hij die de aanschouwing heeft van het geheel, van het werkende organisme van de gemeente en haar Hoofd, hij speurt overal iets van de ritseling van het leven van aspiraties, vaag of meer bewust.

Dit geheel, de waarheid van de zaak is er. De uitkomst van het onderzoek naar de waarheid is vooraf bepaald.v Men kan de waarheid slechts op zich laten werken. Het leven construeert men niet. Het is er of niet - zo ziet het ook De la Saussaye. Als reden, waarom de uitgave van Ernst en Vrede werd gestaakt, noemt hij de vrees dat hij door de voortzetting de ontwikkeling der ethische theologie eer zou kunnen tegenhouden dan bevorderen. "De principes die wij verdedigen", zo schrijft hij in La crise, "zijn geen andere dan de drijfveren van het geweten. Als zodanig hebben ze een absoluut karakter. Ze mogen niet worden voorgesteld als het eigendom van enig individu of enige partij."w

Het is merkwaardig na te gaan hoe Gunning deze organische beschouwing aanvankelijk voor onwetenschappelijk hield. In de vijfde jaargang van Ernst en Vrede werd door hem een schrijven aan De la Saussaye gericht, waarin hij dit standpunt verdedigde. "Het geloof des harten", zo schrijft hij, "is synthetisch. Het beschouwt de Heilige Schrift als één geheel ... Het mag en moet gebruik maken van de vergelijking die, zodra zij op het gebied der wetenschappelijke overtuiging overgebracht wordt, dodelijk werkt voor leven en vrijheid der kritiek, nl. de vergelijking van de Heilige Schrift met een organisme, levend in zijn edeler en onedeler, maar altijd onmisbare delen. De geloofservaring getuigt van het leven der Heilige Schrift als een éénheid, die uit haar afzonderlijke delen niet begrepen wordt ... Waar van het leven sprake is, wordt het geheel niet gekend uit de delen, maar omgekeerd de delen uit het geheel."x Ook de minste kritische gedachte verbreekt de werking van het geheel.y Die synthetische beschouwing vervult ons bij de huiselijke en openbare godsdienstoefening, bij het ziekbed, in de geloofsstrijd van het dagelijks leven.z

Verzoening tussen de analytische en kritische beschouwing der wetenschap die de dood in haar handen houdt en toch in haar recht is, en het geloof dat synthetisch het leven op zich voelt werken, achtte Gunning toen onmogelijk.a Hij nam de dualistische zieletoestanden op zich als een pijnlijk juk, maar was gelukkig in de zekerheid dat God ook de daarover geschreide tranen zou afwissen.b

De la Saussaye heeft Gunning een andere opvatting geleerd. Hij wijst hem op het verkeerde van zijn wetenschapsbegrip. Ook de wetenschap moet zich plaatsen op het standpunt van het geheel en te rade gaan met de ervaring van de gemeente. Hij noemt het voordeel dat Gunnings vergelijking met de medische wetenschap hem geeft onwaardeerbaar.c Maar een medicus heeft hem verzekerd dat op Gunnings standpunt de medische wetenschap tot chemie zou teruggaan.d

De ethische theologie in Nederland is één van de vele pogingen om aan de christelijke waarheid algemeengeldigheid te verschaffen, de mogelijkheid van haar ervaring aan te wijzen.

Geheel opgeklaard is deze poging nog niet geweest, zoals ons telkens gebleken is. Maar daar staat tegenover dat zij ook niet de eenzijdigheden kent die sommige andere vormen van ethische theologie hebben, bijv. bij Rothe of Herrmann, zodat men hier niet in een cul de sac terecht komt, maar er weer uit kan.

De theologische beschouwing verbindt de absolutistische openbaringsopvatting met platonische aanschouwing en pragmatistisch rationalisme die dat weer antwoordt. De filosofische ethiek doorloopt de schaal van de natuurlijke zedenwet tot de modernste persoonlijkheidsethiek. En de eigenlijke christelijke ethiek van wedergeboorte en bekering houdt de afstanden open en verhindert dat het geheel zich consolideert tot cultuurfilosofie. Men kan zeggen: we hebben toch denkvormen nodig, maar ook vragen: is het nu nodig de christelijke waarheid steun te verschaffen in de ethiek; het wáre door toenadering tot het góede meer aanschouwelijk te maken; God te demonstreren aan de mens, omdat hij meer begrijpelijk is; de waarheid iets te dempen tot waarde om haar aantrekkelijk te maken?

Hier kan men erop wijzen dat de gelijkstelling van christendom en humaniteit een poging is om de christelijke waarheid met ons verdere weten in verband te houden zonder tot relativisme ten opzichte van het christendom te komen. Bij Gunning vooral kan men zien hoe hij zich verweert tegen de 'Religionsphilosophie', die het christendom als één der godsdiensten beschouwt. Gunning beschouwt het als dé godsdienst, als het wezen van de mens.e

De filosofische ethiek was vroeger voor de theoloog iets vanzelfsprekends. Naast de filosofische ethiek stond de christelijke als iets bovennatuurlijks; door Ambrosius' boek Geestelijke plichtenleer is veel van Cicero's zedenleer op de middeleeuwen overgegaan. Een mooi boek over de invloed van Cicero is: Zielinski, Cicero im Wandel der Jahrhunderte.

Bij de Reformatie komen de dingen anders te staan. Godsdienst en ethiek groeien naar elkaar toe. Doordat op het ontstaan van het geloof nadruk gelegd wordt, komt er in het godsdienstig leven een zedelijk element, dat later van grote invloed wordt, bijv. wanneer, zoals bij Herrmann, alles gezet wordt op het ontstaan tegenover de inhoud. "Het nieuwe principe", zegt Dilthey, "was de zekerheid van de religieuze levenservaring, zoals die bij het lezen van de Heilige Schrift in de samenhang der christelijke gemeente altijd weer ontstaat."f Hij ziet het reformatorisch beleven in het midden tussen het Schriftprincipe en het materiële beginsel.g 't Is beleven van de levende samenhang der Schrift. Dit is dus nog een religieus apriori,6 maar in zijn ontstaan is het aan het ethische verwant. 't Is iets persoonlijks; 't is een verandering in het subject.

Daarnaast kent Luther een christelijke ethiek, die voor allen is, voor alle gelovigen dezelfde is, dus wat vroeger de filosofische ethiek, algemeen menselijk, was. Geloof en ethiek ontmoeten elkaar hier dus. Luther schrikt van de christelijke ethiek van de wederdopers en stelt naast zijn iustitia spiritualis een meer uitwendige beroepsethiek. Melanchton neemt weer de filosofische ethiek in sterke mate op en zo wordt nu de christelijke ethiek ziel in het lichaam van de filosofische. Deze laatste is evenals vroeger als vanzelfsprekend overgenomen.

Maar één ding blijft: deze ethieken gelden voor iedere mens, allebei. De beoefenaar van de christelijke zedelijkheid is geen buitengewoon wezen. Er is geen tweeërlei moraal voor twee soorten mensen. In zoverre is de christen de normale mens. Maar normaal heeft hier kwantitatieve, geen kwalitatieve betekenis. In de gedachte dat de waarheid ontstaat in het subject ligt dus een toenadering tot de ethiek. Maar ook omgekeerd heeft de idee van het ethische een wijziging ondergaan. Wanneer de christelijke ethiek de ziel is in een beroepsethiek, die van heel andere herkomst is, dan krijgt zij daardoor het karakter van kracht, geestelijke kracht. Zij moet in staat stellen de wet te volbrengen, wat buiten haar onmogelijk is. Maar ze wordt daarmee geheel immanent in de cultuur. Een de wereld of de persoonlijkheid revolutionerende, christelijke zedelijkheid als in de middeleeuwen is er dan niet. Het catastrofale wordt afgelost door het culturele. Het is verandering van gezindheid. Het verschil met de filosofische ethiek wordt dan een verschil in motieven, in drijfveren, bijv. liefde, of zoals bij Hobbes: eigenbelang.

Godsdienst en ethiek kunnen langs deze weg heel dicht bij elkaar komen. Beide is eigen het autonome ontstaan en de veranderlijkheid, dus blijvend ... (?) samengevat in de centrale cultuuridee der persoonlijkheid. 't Worden ethisch-religieuze processen. Daarbij kan er nog wel veel verschil bestaan. Men kan de godsdienst vooropstellen en als hoogste cultuurgoed beschouwen, als doel van ethisch proces-, of men kan het ethische als het primaire beschouwen en voor de godsdienst een nevenplaats inruimen. Het geheel blijft in ieder geval onder het genus ethiek behoren en de naam van cultuurfilosofie verdienen. Daarbij kan men zich dan óf meer in het gemeentebewustzijn plaatsen óf aansluiting zoeken aan het algemene zedelijke bewustzijn. Schleiermacher heeft meer het eerste gedaan; Rothe, Herrmann het tweede. De Nederlandse ethischen staan in dit opzicht tussen beide in.

De vereniging van beide vormt de persoonlijkheid als waarde voortbrengend.7 Heel merkwaardig is de wijze waarop Herrmann deze aansluiting van christendom en ethiek heeft bewerkstelligd. Hij gaat uit van de filosofische ethiek en bedoelt ook christelijke waarheid te funderen. Maar voor hem is alles wel heel sterk op de ene kaart van het ontstaan gezet. Herrmann wijst er met voldoening op dat de theologie uiterlijk een reductie heeft ondergaan, maar innerlijk verrijking.h Voor vaste dogmen kwam het ontstaan van die dogmen in iedere christen. (Zo hadden de reformatoren het niet bedoeld.)8 Herrmann zegt dat wij zedelijker zijn dan de oude christenen en dat daarom ieder zedelijk vrije zal spotten met bovenzedelijke religie.i Ook de sfeer waaruit wij God leren kennen, heeft volgens Herrmann een reductie ondergaan. Vroeger leerde men God uit de hele schepping kennen, uit de natuur, nu uit de mensenwereld.j Ook hier dus de versmalling van het terrein waarlangs waarheid tot ons komt. Jezus' leven is in de geschiedenis het belangrijkstek en hier, ook hier reductie. Maar alles wat in het leven van Jezus onder de historische kritiek valt, behoort tot de wereld. Hier ligt de aansluiting tussen Herrmann en de Zwitserse theologen.

Herrmann gaat er echter een heel andere kant mee uit. Niet wat wij van de overlevering maken, maar wat de overlevering van ons maakt, dat is de hoofdzaak - ook dit past nog in paradoxentheologie. Maar nu laat Herrmann de verlossingskracht samenvallen met de indruk die Jezus' innerlijk-historisch leven maakt. Er is in God niet méér dan Jezus. Zo krijgen we niet alleen een andere beschouwing van de werkelijkheid, maar ook beschouwing van een andere werkelijkheid. Het vertrouwen, het geloof valt samen met het beleven. De waarheid duikt hier onder in het ontstaan der waarheid. Het dogma houdt slechts betekenis aan de school. Naast het dogma loopt de mystiek, die niet zedelijk is.

De cultuur, Troeltsch wees erop, komt bij Herrmann wel in het gezicht. Weltfremde zedelijkheidl noemt Troeltsch het. Van twee kanten verzet, van de cultuur en van de dogmatiek.9

Voetnoten

  1. a

    *J. H. Semmelink, Prof. dr. J. H. Gunning, zijn ontwikkelingsgang en zijne beginselen, Zeist 1926, p. 199.* Cit. naar J. H. Gunning, De getuigenis des geheels, in Stemmen voor Waarheid en Vrede 28 (1891), p. 59.↩

  2. b

    A.w., p. 199. Cit. naar J. H. Gunning, De eenheid des levens, naar Spinoza's Amor intellectualis, Nijmegen 1903, p. 50.↩

  3. c

    *A.w.. p. 91.* Cit. naar J. H. Gunning Jr., Beginsel en meeningen. Proeve van beandwoording der vraag: 'Hoe gaat vastheid van beginsel met wisseling van meeningen samen?', Utrecht 1860, 18802, p. 117.↩

  4. d

    *A.w., p. 92.* Cit. naar J. H. Gunning Jr., Jezus Christus, de Middelaar Gods en der menschen. Naar aanleiding van dr. H. Bavinck, 'De theologie van prof. dr. Daniel Chantepie de la Saussaye', Amsterdam 1884, p. 119.↩

  5. e

    A. M. Brouwer, Daniël Chantepie de la Saussaye. Eene historisch-dogmatische studie, Groningen 1905, p. 100. De brief is gedateerd 31 dec. 1854 en 2 jan. 1855.↩

  6. f

    G. Hulsman, Het ethisch beginsel en de ethische richting, Groningen 1911, p. 9. Voor Huisman, zie dl. 1, p. 422.↩

  7. g

    Hierna ontbreken enige pagina's uit het manuscript.↩

  8. h

    Vgl. D. Chantepie de la Saussaye in EV. 4 (1856), p.12 v.↩

  9. i

    Vgl. voor deze en voorafgaande zinnen D. Chantepie de la Saussaye in EV. 6 (1858), p. 194 Van de door N. aangehaalde term 'conscience athée' is de vindplaats onbekend. Zeer waarschijnlijk heeft N. hier de passage voor ogen gehad waar De la Saussaye spreekt over 'la science athée', wetenschap ontdaan van alles wat tot zedelijk en godsdienstig gebied behoort, E V. 6 (1858), p. 206.↩

  10. j

    K.H. Roessingh, De moderne theologie in Nederland. Hare voorbereiding en eerste periode, Groningen 1914. Weer opgenomen in Verzamelde werken van dr. K. H. Roessingh, G. J. Heering ed., dl. 1, Arnhem 1926, p. 1-182. Cit. op p. 176.↩

  11. k

    A.w., p. 164.↩

  12. l

    *D. Chantepie de la Saussaye in EV. 6 (1858), p. 235.*↩

  13. m

    *J. H. Gunning, De wijsbegeerte van den godsdienst uit het beginsel van het geloof der gemeente, Utrecht 1889, p. 10.*↩

  14. n

    D. Chantepie de la Saussaye in EV. 5 (1857), p. 71.↩

  15. o

    J. H. Gunning, Wordt volmaaktheid trapsgewijze bereikt? Een woord ter opening der lessen over de zedenleer (1892/93), Nijmegen 1892, p. 9.↩

  16. p

    *H. T. de Graaf, Om het eeuwig goed. Inleiding tot het religieuze geestesleven, Arnhem 1923, p. 175. Gebruikt van wetenschap.*↩

  17. q

    *D. Chantepie de la Saussaye, La crise religieuse en Hollande. Souvenirs et impressions, Leiden 1860, p. 162.*↩

  18. r

    *D. Chantepie de la Saussaye in EV. 6 (1858), p. 208.*↩

  19. s

    *J. H. Gunning, Werkelijkheid van den godsdienst. Een woord bij de opening van den universitaire cursus van 1890/91, Nijmegen 1890, p. 10.*↩

  20. t

    J.L. Doedes, Modern of apostolisch christendom? Utrecht 1860, p. XXII. Vgl. Roessingh, a.w., p. 171.↩

  21. u

    Gunning, Wordt volmaaktheid trapsgewijze bereikt? p. 9.↩

  22. v

    *Ervaring. zie Chantepie de la Saussaye, La crise religieuse en Hollande, p. 161.*↩

  23. w

    Vgl. voor deze passage a.w., p. 113 v., waar Chantepie de la Saussaye een karakteristiek van de geest van Ernst en Vrede opneemt, gegeven door Gunning.↩

  24. x

    *A.w., p. 165.*↩

  25. y

    Vindplaats onbekend.↩

  26. z

    D. Chantepie de la Saussaye, Het wezen der theologie. Brief aan den hoogleeraar P. Hofstede de Groot, Rotterdam 1867, Utrecht 19052, p. 9 v.↩

  27. a

    A.w., p. 20. Het citaat is van A. T. Reitsma uit Verslag van de Predikanten-Vereeniging te Groningen van sept. 1865, p. 30 vv. De la Saussaye citeert naar P. Hofstede de Groot, Het karakter, het voordeel, het nadeel en de waarde der ethische theologie, in Waarheid en Liefde. Een godgeleerd tijdschrift voor beschaafde christenen naar de behoefte dezer dagen, 30 (1867) nr. 1, p. 33.↩

  28. b

    A.w., p. 21. Hofstede de Groot, a.w., p. 33.↩

  29. c

    Hierna ontbreekt een pagina uit het manuscript.↩

  30. d

    *Gunning, Werkelijkheid van den godsdienst, p. 33. Hierin zit tegelijk de oplossing omdat 't oordelen is. Zie de aangehaalde plaats.* Daar zegt Gunning na het door N. aangehaalde: "Leven is iets persoonlijks, iets ethisch: het onderscheid 'maken', stellen, werkelijk poneren, tussen het goede en het kwade - dus iets actiefs."↩

  31. e

    *De la Saussaye boven.*↩

  32. f

    *Gunning, Werkelijkheid van den godsdienst, p. 32.*↩

  33. g

    *Gunning, Wordt volmaaktheid trapsgewijze bereikt?, p. 14.*↩

  34. h

    *A,w., p. 15.*↩

  35. i

    * Ibid. *↩

  36. j

    *Ibid.*↩

  37. k

    *Chantepie de la Saussaye, Het wezen der theologie, p. 42.*↩

  38. l

    *a.w., p. 44.*↩

  39. m

    *Chantepie de la Saussaye, La crise religieuse en Hollande, p. 110.* Letterlijk staat er: "Cette foi comprend avec l'objet observé l'organe même qui l'observe."↩

  40. n

    Ibid. Letterlijk staat er: "Le vrai droit est enraciné dans la morale."↩

  41. o

    Ibid.↩

  42. p

    Ibid.↩

  43. q

    *Gunning, Werkelijkheid van den godsdienst, p. 33.*↩

  44. r

    Gunning, Beginsel en meeningen, p. 117.↩

  45. s

    Gunning, Werkelijkheid van den godsdienst, p. 30.↩

  46. t

    *Voor deze en voorgaande zinnen zie a.w., p. 24.↩

  47. u

    A.w., p. 21.↩

  48. v

    *A.w., p. 12.*↩

  49. w

    *Chantepie de la Saussaye, La crise religieuse en Hollande, p. 152.* De la Saussaye citeert hier uit zijn De nood der kerk. Brief van den redacteur van het tijdschrift 'Ernst en Vrede' aan het gezelschap van dien naam, Utrecht 1859, p. 63.↩

  50. x

    *J. H. Gunning Jr., Een woord aan den hoofdredacteur van Ernst en Vrede in EV. 5 (1857), p. 290 v.*↩

  51. y

    Vgl. a.w., p. 293.↩

  52. z

    A.w., p. 293.↩

  53. a

    A.w., p. 294.↩

  54. b

    A.w., p. 296.↩

  55. c

    D. Chantepie de la Saussaye, Antwoord aan ds. J. H. Gunning, E V. 5 (1857), p. 441.↩

  56. d

    A.w., p. 443. Hierna ontbreken 16 pagina's uit het manuscript. Waarschijnlijk is het volgende uit de tweede lezing (zie noot 1).↩

  57. e

    Gunning, Wordt volmaaktheid trapsgewijze bereikt?, p. 5 en 7. Hierna ontbreken 2 pagina's uit het manuscript.↩

  58. f

    Dilthey, Gesammelte Schriften, dl. 2, Stuttgart 19575, p. 112.↩

  59. g

    A.w., p. 118 v.↩

  60. h

    W. Herrmann, Der Verkehr des Christen mit Gott, im Anschluss an Luther dargestellt. Stuttgart en Berlijn 19086, p. 31.↩

  61. i

    A.w., p. 50.↩

  62. j

    Ibid.↩

  63. k

    A.w., p. 51.↩

  64. l

    Deze term is niet letterlijk bij E. Troeltsch te vinden. Troeltsch gaf een uitvoerige bespreking van Herrmanns Ethik (1901) in zijn Grundprobleme der Ethik, opgenomen in Gesammelte Schriften. dl. 2, Tübingen 1913, p. 552-672.↩

Eindnoten

  1. 1

    Waarschijnlijk hield N. in 1928 of 1929 twee lezingen te Leiden over Het ethisch beginsel. Omdat grote delen van het manuscript ontbreken, is het onduidelijk, hoe de gang van zaken precies is geweest. Een aanwijzing geeft een blaadje uit het manuscript, waarop alleen het volgende staat:

    "Het ethisch beginsel

    II

    In mijn eerste lezing heb ik getracht het ethisch beginsel, zoals dat in de theologische wereld in ons land bekend is geworden, enigszins toe te lichten in zijn klassieke periode. Ik wil even recapituleren."

    Op grond van dit fragment en het feit dat het hier opgenomen manuscript genummerd is vanaf p. 1 is het aannemelijk dat de tekst bedoeld was voor de eerste lezing. Waarschijnlijk stammen alleen de slotpagina's uit de tweede lezing.↩

  2. 2

    N. zinspeelt hier op Gunnings Een ridder in het leeraarskleed, verschenen in Stemmen voor Waarheid en Vrede 7 (1870), p. 1077-1100, waarin hij Life and letters of F. W. Robertson. Brighton 1847-1853, S. A. Brooke ed., Londen 1868, besprak.

    F.W. Robertson (1816-1853), Engels geestelijke, beroemd door de preken die hij hield te Oxford en te Brighton. R. zette zich in voor verheffing van de arbeidersklasse.↩

  3. 3

    J. J. P. Valeton (1814-1906), hervormd theoloog, vanaf 1845 hoogleraar Oosterse talen te Groningen. Zijn gelijknamige zoon (1848-1912), vanaf 1877 hoogleraar O.T. te Utrecht, was een van de voormannen van de ethische richting. Ook de vader voelde zich het meest aan deze richting verwant.↩

  4. 4

    Het volgende fragment, bewaard op een los blaadje in het manuscript, loopt parallel met de tekst:

    "Van hieruit kan dan de vraag worden gesteld wie er achter het verstandelijk oordeel staat en wie achter het zedelijk oordeel. Pierson vroeg dat aan De la Saussaye: wie is toch de drager van dat godsdienstig-zedelijke oordeel? De la Saussaye kaatste de bal terug en vroeg naar degene die er achter het verstandelijk oordeel staat. Is dat de mens, die kleine criticaster? Daartegenover, tegenover die gereduceerde ervaring, beroept ook Doedes zich op de ervaring van alle eeuwen. En Gunning zegt dat wij op zedelijk en godsdienstig gebied pas zien wat de mens is. De la Saussaye, natuurwetenschappelijk zover als 't maar enigszins kan, merkt op dat in de historie een duidelijker analogie van de mens wordt gevonden dan in de natuur en dat ..."↩

  5. 5

    E. Renan (1823-1892), Frans godsdiensthistoricus, filosoof en oriëntalist, die veel opzien baarde door zijn La vie de Jésus (1863). Daarin tekende hij Jezus vanuit naturalistisch gezichtspunt.↩

  6. 6

    Terzijde: Zo Tillich. Zo Gunning. Of anders gezag, heteronomie.↩

  7. 7

    Terzijde: Jezus autonomer als Kant.↩

  8. 8

    Terzijde: Innerlijke imperatief gezocht. Overwinning in opstanding.↩

  9. 9

    Met deze slotpagina's lopen drie losse blaadjes uit het manuscript parallel, die hier na elkaar worden opgenomen:

    10 Het Evangelie en de Europese cultuur op deze wijze door de band der formele autonomie, de zedelijke imperatief van Kant, met elkaar in aanraking gebracht, verarmen elkaar. Aan de ene kant de eis van niets te laten gelden wat niet als een innerlijke imperatief wordt gevoeld en aan de andere zijde het innerlijke leven van een Joodse rabbi als categorische imperatief voor Europese zedelijkheid genomen. Want een Jezus, die enkel als biografisch portret ons innerlijk aanziet, is zuiver humaan. God wordt Jezus en ... (2) Zo duikt de christelijke waarheid onder in zedelijkheid. Zij wordt gezindheid en kracht om de zedelijke eisen te volbrengen. Welke die zedelijke eisen zijn. blijkt bij die opvatting uit het Evangelie niet. We komen hier op 't zelfde punt uit als we het De la Saussaye hoorden zeggen dat onze christelijkheid niet hoeft te blijken uit formules en uit bijzondere handelingen, maar uit beweegredenen (mobiles) die ons doen handelen. Het Evangelie wordt immanent in de Europese zedelijkheid. Bij die opvatting van Europese zedelijkheid wordt aan bijzondere cultuurgoederen weinig gedacht. Herrmann blijft zeer formeel. De eisen van de bergrede moeten niet te materieel worden opgevat, maar ze moeten ons leren in onze omstandigheden te handelen zoals Jezus zou hebben gedaan in de zijne. En de Europese cultuurvragen komen ook weinig aan 't woord, omdat meer op de formele autonomie der zedelijkheid wordt gelet dan op de inhoud. (3) Door dit uitsluitend nadruk leggen op de innerlijke imperatief wordt de inhoud van godsdienst en zedelijkheid beide zeer gereduceerd. Herrmann wijst ook met genoegen op deze reductie en op wat hij noemt de daarmee gepaard gaande innerlijke verrijking. Er heeft reductie plaats van de kosmos op de levende natuur, van deze op de menswereld, van deze op de geschiedenis, zodat tenslotte het innerlijke leven van Jezus datgene is, wat niet meer tot de wereld behoort. Wie Jezus' innerlijke leven, zoals het zich bij de lezing van de evangeliën openbaart, op zich laat werken in verband met zijn ervaringen in de levende, christelijke gemeente, die ervaart de innerlijke, zedelijke imperatief. De zedelijke eis is zuiver formeel: autonomie. Hier wordt reeds het vermoeden wakker, het zou wel eens kunnen blijken dat de ideale mens, de pneumatische mens, geen cultuurmens is en dat de mens, waarop de christelijke ethiek uitloopt, niet begrepen kan worden in de categorieën van onze ethiek. Misschien is er een laatste monisme. Ook bij Paulus schemert zoiets, maar dat heeft praktisch geen waarde. Zullen wij ooit de trage beweging des geestes in ons cultuurleven, in het aphelium, begrijpen, het catastrofale karakter van het leven als sterven en opstaan.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet onder Weergave de correcties aan om de verbeterde OCR-fouten en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Gereformeerd-ethischInhoudOntwikkeling en toekomst van de ethische theologie →