Heiligheid in het puin1
door mr. K. Vonk
Vanuit het vliegtuig gezien, in vervlakkend perspectief, maakt Duitsland een gecultiveerde indruk. Maar te midden van de langzaam verglijdende schakeringen in groen komen de grote steden op en verzinken weer in het blauwgrijze waas aan de einder. Met ruïnes en karkassen van gebouwen staan zij als brokkelige kiezen in het landschap. Dit is een land, waar het verderf heerst. Wie door het verstarde geweld van zijn steden is gegaan, huivert voor deze apocalyptische werkelijkheid. Het overtreft de maat van het menselijk begrijpen. In de geweldige zalen der Reichskanzlei te Berlijn hangt een vreemde, stille dreiging over de wirwar van gruis en verwaaide archieven. De wind zoeft zacht door de doorschoten vleugeldeuren en ergens in een gat van het plafond, waar het daglicht door naar binnen valt, trilt een bosje pleisterriet na op de adem van Gods grimmigheid.
In dit land leven mensen, een kapotgeslagen wereld, puin daarbuiten, puin van binnen. Deze verschrikking laat het woord zieligheid achter zich. De Keulse dom, zoals hij daar, gehavend, te midden der verwoesting staat, kan een wilde jammerkreet, een stuk verbetenheid of een gloria zijn.
Andere landen dragen tekenen en wonden van datzelfde verderf. Het is, uiterlijk althans, nog een te beheersen kwaad. Zal toch een ineenstorting volgen? In het licht van alle dag wordt er over beraadslaagd, georganiseerd, vinnig soms, koel berekend dikwijls. Niemand kan het complex dezer werkelijkheden en krachten overzien, laat staan beheersen. En toch, ze dringen door in denken, doen en laten van een ieder, ook in de binnenkamer, ook in de kerk, ook als we het niet vermoeden.
Het nationaal-socialisme lag aan gene zijde van de grens, de uitlopers daarvan liepen door aan deze zijde, zijn demonie is over ons losgebroken. Dat is voorbij.
Nu ligt aan gene zijde het naakte verderf. Zijn uitlopers gaan door aan deze zijde.
Deze situatie geeft mij na enig nadenken vrijmoedigheid enkele opmerkingen ten overstaan van de doctores der kerk te maken. De aanleiding daartoe zijn de woorden, die dr. Noordmans in nr. 4 van deze jaargang heeft willen wijden aan mijn uiting in dit blad onder de titel De zon, de liturgie en de preek.
Beginnen we dan met te constateren: er is een heiligheid in deze wereld:
'het huis des Heren'. Dat huis bevindt zich aan de afgrond der oordelen Gods. Daar worden vreselijke dingen gehoord. Daar komen we vanuit de tenten der goddelozen, waar we óók verkeren. Daar is het beter dan duizend dagen elders. Daar worden we verzadigd met het goede. Daar vinden mensenkinderen toevlucht. Zó zeggen het de Psalmen 36, 65 en 84, en zoveel meer, zo heeft het de bezettingstijd ons in de vezelen van ons bestaan ingedrukt.
Deze heiligheid gaat in alle tijden en wijzen vooraf aan wat wij 'onze heiligheden' zouden gelieven te noemen. Het is geen heiligheid krachtens zon of orgel. Het is een heiligheid bij de genade van Christus. Een feit, hier en nu, zoals het gemarchandeer op een internationale conferentie een feit is, hier en nu.
Omdat de zon op Golgotha niet scheen, daarom schijnt in de kerk de zon, ook als die buiten niet schijnt. Omdat wij Christus' opstanding geloven, daarom mogen wij de eer van God feestelijk vieren. Let wel, vieren, met zon en orgel en schare. Als het moet, kan de kathedraal een schuur met reten zijn en het orgel een hijgend harmonium. Het hart gaat echter uit naar 'machtig veel volks' (Ps. 35).
In de zon van deze heiligheid kan de vijgeboom, vermeld in Lukas 13, blijven staan, en heeft het zin, mest er heen te kruien.
Het is daarom een voor mij onaanvaardbare accentverlegging, indien in plaats van 'de zon, de liturgie en de preek' wordt gelezen 'de zon, het orgel en de preek'. Wil men substitueren - maar dan gaat men over van het lied tot het betoog - dan mag men spreken van 'het Woord, de liturgie en de preek'. Tussen het Woord en de zon bestaat een nauwe relatie (Luk. 2 : 32), maar nimmer kan het orgel het teken der liturgie zijn. Het is daar middel (Ps. 150).
De liturgie is dienst des Woords in zo pregnant mogelijke zin. Daar gaan oordeel en verzoening, dood en opstanding over ons heen en grijpen ons aan. Er is een plan Gods. God is er. Hij is er niet zinledig, vaag, of alleen maar dreigend numineus. Er is een geopenbaarde orde van het heil, waarin wij zijn opgenomen. De liturgie is getuigenis van deze orde, waarin wij gesteld zijn. Haar plaats, inhoud en grenzen zijn daarmee gegeven. Juist daarom, omdat het de orde van het heil is, kennen wij de lofzang 'in het midden der gemeente', en het treft diep, dat juist in de Hebreeënbrief (2 : 11, 12) heiligheid, lofzang en gemeente in één verband worden gebracht, onder aanhaling in volle nadruk van de 22e Psalm. Het zijn wondere verbindingen, die daar worden gelegd tussen hemelse heiligheden en het 'huis des Heren'. Dan mag het orgel gaan spelen, ook al komt het voort uit een familie, die naar Gen. 4 niet vreemd is aan de atoombom. Zolang hoeren kunnen voorgaan, mag de organist met zijn orgel volgen. ⚑En dan is er de preek, het smartelijke punt in de kerkelijke worsteling van onze dagen. Omgeven door de liturgie in bovenbedoelde zin, mogen we de man op het spreekgestoelte met Calvijn zien als plaatsvervanger van Christus2. Dan moet echter zijn woord betuigend en direct zijn, en dat betekent tevens: fragmentarisch, zoals Christus in de evangeliën betuigend, direct, fragmentarisch, sprekend op de man af, ons tegentreedt.
Omgeven door de liturgie, het hoorbaar geworden Woord Gods, de lofzang der gemeente, staat daar de man op het spreekgestoelte, een stofje in de beweging der tijden. En we zitten daar in de kerk, gespannen, zoekend, schuldig, vermoeid of zo maar verwachtend. Het is een blote daad der barmhartigheid, voor spreker en gemeente, dat het ganse getuigenis Gods in de liturgie ons omgeeft. Voor de spreker, want het is duidelijk gemaakt, vóór hij zijn eigen mond opendoet, dat al hetgeen wezenlijk is voor het leven van een mens, vóór hem reeds bestaat en gezegd is. Hij behoeft niet het kunststuk, dat toch niet slaagt, uit te halen, alles te zeggen. Voor de hoorder, want hij heeft gehoord, in dit eigenste ogenblik gehoord, dat Gods barmhartigheid, en oordeel, ook over de menselijke betrekkelijkheden van de man op het spreekgestoelte gaan.
Het brengt tucht voor de man op het spreekgestoelte, want het wordt hem betuigd, dat hij de gemeente in het heiligdom leidt, en dat dit geen sleurgang is door een museum van oude waarheden, of een rondgang binnen een oud kasteel, door de vaderen opgetrokken tegen de gevaren van hun dagen. Mocht hij vergeten, in welke ruimte hij dienst doet, het getuigenis der liturgie hangt als een vloek over hem.
Het brengt tucht voor de hoorder. De heiligheden, waarvan de liturgie hem betuigt, zetten zijn woelig of vermoeid of apathisch hart in een levende stilte. Hij juistere, want die mens op het spreekgestoelte, die betrekkelijke, misschien zelfs wel stuntelige mens, leidt in opdracht van God ons door het heiligdom.
De pen aarzelt bij het schrijven. Is dit reëel? Is het 'huis des Heren' in werkelijkheid niet een bedompen of kille gelegenheid, waar het sjofel toegaat? Is niet de onontkoombare werkelijkheid, dat men het zoekt in een magische sacramentsbediening, of in de actualiteit van een op de innerlijke waarde van de mens afgestemde voordracht, of in de 'objectieve verkondiging des Woords'? Staan we niet voor het feit, dat theologisch geconstrueerde sacrale ruimten zijn betrokken, waarin men de gesneden beelden van zijn dogmatiek heeft geplaatst, en waar een deel van de kinderen des volks, naar aanleg en milieu, zijn gewaande zekerheden vindt? Is niet onontkoombaar de God van Abraham, Izaäk en Jakob die der theologen? Is het maar niet vurig te hopen, dat de bedrijvers van dit alles de glimlach der auguren zullen vinden? Dan is er tenminste met hen te praten. Zo denkende komen echter twee werkelijkheden voor ogen. Het puinland en de list en de onmacht in conferentiezalen aan de ene kant, de macht, waarmee het heiligdom, het 'huis des Heren' in de Psalmen is getekend, aan de andere zijde. Ik wou, dat een ieder het puinland kon ondergaan en de heilige schrik in zijn botten krijgen. Ik wou, dat de theologen zouden zien, scherp, concreet zien, wat er politiek en economisch aan de hand is. Dan wordt ook gezien, dat de op zichzelf gestelde preek deze werkelijkheid niet aankan en het 'huis des Heren' een grootheid van wijder spanning is. Wonderlijkerwijze worden dan de zoëven opgeworpen vragen tevens opzij geschoven.
Thans nog enkele opmerkingen in los verband.
Waakzaamheid is geboden zelfs bij de Heidelberger, die ik zeer lief heb. Men houde zich bezig met de betekenis der ratio scripta3 in de dagen van zijn ontstaan. Ik wees daarvoor naar het juridische terrein. De ontwikkeling in het recht is anders geweest, dan dr. Noordmans weergaf. Als symptoom daarvoor mag bijvoorbeeld de voorrede van Simon van Leeuwen in zijn Roomsch-Hollandsch Recht,4 verschenen in het midden der zeventiende eeuw, een aanwijzing worden geacht. Indien de ratio scripta in de juridische wereld een grote kracht heeft bezeten, is het, cultuurhistorisch bezien, aan te nemen, dat deze geestesgesteldheid ook een bepaalde invloed heeft gehad op het theologisch denken en formuleren. Is ook het rationalistische, autonome filosoferen van Descartes denkbaar zonder een daaraan voorafgaande periode, die op zelfbewuste wijze het woordgebruik hanteerde? Wat daarvan zij, de zuiverheid gebiedt dat de belijdenisgeschriften op hun cultuurhistorisch gehalte met de apparatuur der tegenwoordige geschiedeniswetenschap worden getest. Anders loopt men het gevaar, dat zij worden behandeld als het uit de hemel gevallen beeld van de Diana der Efezeren.5 Het is mijn vak niet, maar ik heb niet de indruk verkregen, dat dit onderzoek is geschied. In dit verband is ook te letten op het feit, het symptoom der existentiefilosofieën. Welke machten in vlees en bloed herkent de kerk daar? Dit zijn echter kanttekeningen en zij roepen het gevaar op van de idyllische sfeer der literaire wetenschappen. Nog eenmaal keer ik tot het artikel van dr. Noordmans terug. Ik bemin de mest op het land, de wijsheid en maat die daarin samengaan. Ik hou van het landhek, de weiden, de pittige lentewind, de lokkende verten.
Maar niet het landhek met het wijze opschrift is het teken van deze tijd. d)at zijn ruïnes, die dreigend ten hemel klauwen. En toch ook, het heiligdom Gods. Verstaan wij beiden.