O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← De predikingGods PoortenDe gemeenschap →

Verzamelde Werken, deel 8 · Gods Poorten · p. 147–149

Wijding

... afgehouwen (zijt) uit de olijfboom, die van nature wild was, en tegen nature in de goede olijfboom ingeënt.

Romeinen 11 : 24 (St.V.)

Misschien een jaar of twaalf geleden verliet ik op een namiddag achterin oktober een vergadering, die gehouden was in een fraai gelegen Achterhoeks hotel. De atmosfeer was vol dwarse stralen. De zon had de natuur met de hand onder de kin gevat en probeerde haar in de ogen te zien. En de bruid was al vier weken bezig geweest zich met al de kleuren van de herfst te tooien, totdat een schier bovennatuurlijke schoonheid was bereikt. Louter heerlijkheid was de koningsdochter, goudbrokaat was haar kledij (Ps. 45 : 14, Le.V.). Ieder blad had de volle tijd gehad zich te verinnerlijken, tot het een mystieke eenheid met het licht had verkregen.

Toen ik dit alles zag, werd ik onweerstaanbaar getrokken om op deze bruiloft mee te dansen. En ik deed het, twee volle uren lang, zonder onderbreking, op mijn rijwiel langs de wegen van dorp tot dorp, door het bos, over de hei. De graad van helderheid van mijn bewustzijn verminderde daarbij tot ongeveer de helft van de gewone waarde en werd voor de andere helft volkomen geabsorbeerd door de apotheose, die mijn omgeving onderging bij haar overgave aan de zon. Licht en kleuren triomfeerden in zulk een mate, dat alle geluid verstierf en elk woord verstilde.

Met het voortschrijden van de namiddag scheen deze orgie van het licht nog toe te nemen. Het geel nam iets af, het rood kreeg de overhand. Het blad hernam zijn rechten tegenover de zon. Tot ik op een punt kwam, waar dit rood alles om mij heen als in vlammen zette. Hier scheen de natuur letterlijk behekst en kwam ik ook zelf onder een vreemde betovering. Het was alsof uit het bosschage satyrs te voorschijn konden springen en naast een eik een roodgeaderde demonische gestalte kon staan. De natuur kreeg iets dreigends en gevaarlijks, alsof een afgrond zich ineens kon openen, waarin men levend ter helle kon varen.

Toen ik zover gekomen was, werd plotseling het uitzicht vrij en in het vrijgekomen segment stond 'Almens kerkje', waarin het massieve middeleeuwse doopvont. De ban was gebroken en ik kon in geestelijke nuchterheid de weg naar huis inslaan. ⚑Het plantenrijk is het onschuldigste deel van de levende natuur. Het verkeert vergelijkenderwijs nog in de staat der rechtheid, waarin Adam en Eva stonden voor hun val. De zinnelijkheid ligt er, zonder schaamte, in het openbaar over alles uitgespreid, voor het aangezicht van de zon. Kleur en geur zijn alles. Het woord, dat om der zonde wil is, schijnt onnodig. Zelfs de droom is hier uitwendig en ligt om en over de gestalten heen uitgebreid. Planten - aldus Fechner, de negentiende-eeuwse mystieke natuurfilosoof - zijn kinderen, die geen schoolbanken nodig hebben. De plant blijft kind en dit kind wordt in de bloei tot engel. Het vindt zijn hemel, die wij in de toekomst verwachten, reeds op aarde.32

Wanneer dit onschuldigste deel der schepping, dat minder dan het dierenrijk de openbaring der kinderen Gods met opgestoken hoofde schijnt te verwachten (Rom. 8 : 19), toch ook zijn eigen wildheid heeft en enting nodig heeft; als het die niet alleen behoeft voor zijn sappen, maar ook voor zijn ziel; als het behekst kan zijn en ook een hel kent en niet alleen een hemel; als stam en struik in de heidenwereld juist de woonstede zijn van boze geesten en afgoden - hoeveel te meer hebben wij dan nodig in Christus ingeënt te worden. De tegenstelling van natuur en mensenwereld is er een, die zich aan ons geslacht soms onweerstaanbaar opdringt. Wordsworth zong er meer dan honderd jaar geleden al van, als hij er aan dacht dat de natuur aan haar schone werken de menselijke ziel had toegevoegd, dat zijn hart dan ineenkromp bij de gedachte, wat de mens van zichzelf gemaakt had.33 Onze eeuw heeft nog meer reden tot die klacht. De bomen en de bloemen hebben reden ons toe te roepen: Wij kunnen misschien nog ongedoopt in de hemel komen, maar gij moogt zeker het doopvont niet voorbijlopen.

'Van nature wild' staat er in onze tekstwoorden. Wat heeft dat een onschuldige betekenis in het beeld, in de taal van de tuinman, die stekken gaat. Maar hoe vreselijk wordt de zin van deze woorden als zij de jongste geschiedenis der mensheid vertolken. Dan schijnen ons zelfs de koppensnellers nog in een staat der rechtheid te verkeren. In ieder geval in een toestand van onschuld. De, moderne mensheid is wild in veel erger zin dan 'de wilden'.

Daartegenover stelt nu de apostel de goedheid van Christus. De rangorde der betekenissen loopt hier juist andersom als zopas. Toen - bij de wildheid - bracht de toepassing van het beeld der enting ons in de hel van onze antropologische nood. Hier, bij Christus' goedheid, worden wij uit dat beeld omhoog gebeurd in de hemel van Gods koninkrijk. De prediking mag niet in het platte vlak van het beeld blijven hangen. Het gaat om behouden te worden of verloren te gaan. De hele dramatiek der wereldgeschiedenis komt er in.

Hoe meer de wildheid van ons ras ons verbaast en ons steeds meer met schrik vervult, des te dringender wordt de noodzakelijkheid van de wijding onzer onheilige natuur. Christus' goedheid is de heiligheid van zijn Geest. En de heiligheid van die Geest is de barmhartigheid van Christus. Onze wildheid is onze onbarmhartigheid, die met de naaktheid, de schaamteloosheid, waarmee zij samenhangt, het hoofdkenmerk is van onze tegenwoordige ellende. Wij imiteren de staat van de onschuld, terwijl de etterbuilen van het sadisme overal doorbreken.

Laten wij het doopvont niet voorbijlopen. Alleen het ingeplant worden in Christus, de enting van onze natuur in de zijne, de wijding van onze onheiligheid, kan ons redden.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← De predikingGods PoortenDe gemeenschap →