O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← De passieGods PoortenTussen Pasen en Pinksteren →

Verzamelde Werken, deel 8 · Gods Poorten · p. 133–134

Vreest niet

Mattheüs 28 : 1-10

Op de paasmorgen vindt de ontmoeting plaats tussen twee werelden; die waarin wij vrezen met die andere, waarop wij hopen. Het eerste wat aan de vrouwen wordt toegevoegd, luidt dan ook: 'Vreest niet.' Beide, de engelen en Jezus, komen haar met die woorden tegemoet. - Blijkbaar is onze vrees voor wat wij de eeuwigheid noemen in onderscheiding van de tijd, waarin de dood zulk een grote rol speelt, datgene wat aan de overzijde het eerst opvalt en een euvel, dat de zalige geesten dadelijk zoeken te verdrijven. - Er staat dan ook elders in de bijbel dat Jezus daarom ons vlees en bloed heeft aangenomen, omdat wij met vreze des doods door al ons leven der dienstbaarheid onderworpen zijn (Hebr. 2 : 15).

Wat dat inhoudt, dat de vrees eens geheel van ons zal worden afgenomen, als wij deel zullen hebben aan de opstanding van Christus, dat kunnen wij nu nog niet beseffen. Wij staan tegenover de slothoofdstukken van de evangeliën heel anders dan tegenover de andere. Hier komen wij midden in de zonden en moeiten van het mensenleven. Wij zien Jezus bezig met blinden, lammen, kreupelen, de tollenaren en de zondaren. En zelf gaat Hij de diepe lijdensweg. Wij herkennen deze dingen en worden er bij de prediking van alle kanten in betrokken. - Bij de opstandingsverhalen is dat anders. Dan ervaren wij een soortgelijke beklemming als de eerste getuigen, de vrouwen of Petrus en Johannes 1 (Joh. 20 : 1 - 10). Wij weten niet of nauwelijks wat wij er van denken moeten en hebben moeite met onze deelname aan deze dingen. Wij hebben de neiging om, als het Evangelie en de prediking zover gekomen zijn, met sommige Atheners te zeggen: Daar willen wij eerst nog wel eens over nadenken (Hand. 17 : 32b).

Dat zulks het geval is, behoeft op zichzelf niet als een bewijs van ongeloof te worden beschouwd. Eer zou het tegendeel verontrustend kunnen zijn. Als wij de opstanding als een zo vanzelfsprekend feit beschouwen, dat er voor de verbazing van de evangelisten geen plaats meer is. De verstandelijke twijfel is dan ook niet het grootste struikelblok, als wij met de gemeente Pasen zullen vieren, maar veelmeer die vrees, waarover wij spraken. Wij zijn bang voor een inval van God in ons leven. Maria Magdalena (Joh. 20 : 11-18) had bijna liever een dode Jezus, waarover zij kon beschikken, dan een levende Heer, die zij niet mocht aanraken. Het is wonderlijk het te moeten zeggen, maar deze vrees is een angst voor de blijdschap die ons op Pasen verkondigd wordt. Wij zien hoe de vrouwen en de discipelen daarvoor telkens terugschrikken. Op geen enkel ander punt zijn de evangeliën zo duidelijk en zo eenstemmig. Volgens de bijbel is dit de grote moeilijkheid, die wij met de opstanding hebben. Niet omdat wij haar niet begrijpen, maar omdat wij bang zijn voor deze absolute vreugde, voelen wij ons beklemd. Wij hebben onze zorgen lief gekregen, waarin sommigen zelfs het wezen van ons bestaan willen vinden. Wij hebben ons er in geoefend dekking te zoeken en de schuilkelders, die wij gebouwd hebben, willen wij, nu wij ze eenmaal hebben, ook gebruiken. Onze harten weten niet wat het zeggen wil, veilig en zalig te zijn daar, waar de laatste vijand, de dood, is te niet gedaan (1 Kor. 15 : 26). En daarom weten wij evenmin wat leven eigenlijk is.

Zouden de wanden van ons hart bestand zijn tegen de instorting van de eeuwige vreugde? Dat is de vraag, die de angel van onze paasvreze uitmaakt. Wij wantrouwen de capaciteiten van onze hartslag. Ik denk aan die Griekse moeder, die stierf bij het bericht van de overwinning van haar zoon in de Olympische spelen.25⌫ Durven wij op Pasen in de overwinning van Christus te geloven? Of zullen wij onze aardse bezadigdheid bewaren uit vrees onder de voet te zullen raken, als het koninkrijk Gods komt? Zullen wij ons niet een beetje blijven verschansen in onze bekommeringen, waarin wij ons nu eenmaal hebben leren thuis gevoelen?

Wie de opstandingsverhalen in de evangeliën op zich laat inwerken, de houding van de vrouwen en van de discipelen beschouwt, weet, dat het hier schort. Er ontbreekt vreugde en vaart en evenzo is het bij elk, die aan paasvreze lijdt. Wij kunnen met de Overwinnaar van de dood niet mee.

Daarom heeft God op Pasen een Pinksteren doen volgen. Nu wordt alles wat bij de opstanding zo overweldigend was geopenbaard, als 't ware stuksgewijze en geleidelijk aan de gemeente verklaard en uitgedeeld. Maar in wezen verandert de zaak daarmee niet. Onze harten moeten worden toebereid voor de eeuwige vreugde, waarvoor ze geschapen zijn. Zij moeten door de Heilige Geest geoefend worden tot hoger en voller slag. De liefde Gods moet er in worden uitgestort, zodat zij worden voorbereid tot het verdragen van de grote blijdschap, die nu nog, zoals bij de vrouwen, door vreze wordt gedempt (Matth. 28 : 8).

De volmaakte liefde drijft de vrees buiten (1 Joh. 4 : 18).

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← De passieGods PoortenTussen Pasen en Pinksteren →