Verheugd met de koning
O Heer! de koning is verheugd
Om uw geducht vermogen;
Uw heil zweeft hem voor d` ogen; En met wat blijde zielevreugd
Zal hij, door al uw daân
Verrukt, ten reije gaan!
Psalm 21 : 1 (ber.)
Ditmaal heb ik de berijmde psalm geciteerd. De dichter, Johannes Eusebius, is er in geslaagd in zijn berijming een feestelijke beweging te brengen en daarmee recht te doen aan het oorspronkelijke lied. En Bourgeois heeft een melodie geschapen, waarin deze beweging op meeslepende wijze is vertolkt. Men zinge enige verzen van deze psalm, bijv. vers 1, 2, 3, 4 en 13; dan zal men merken welk een vervoerende kracht de psalm, zoals hij in ons kerkboek voorkomt, in zich bergt.
Hier wordt God toegezongen (2-7) en daarna de koning (9-13). De dienst, waarin deze liturgie wordt opgevoerd, is het middelpunt van een theocratie. Er bestaat een nauwe verhouding tussen God en zijn plaatsvervanger op aarde. Men heeft soms moeite om de grens tussen beiden in het oog te houden. Men verwacht elk ogenblik, dat het woord 'zoon' zal vallen, zoals in Psalm 2; of de uitnodiging om aan Gods rechterhand te gaan zitten, als in Psalm 110. Deze koning is ook profeet (Ps. 20 : 8) en priester (Ps. 20 : 4). Hij is middelaar tussen God en de wereld en de eeuwigheid en de eer die bij God in de hemel zijn, delen zich aan hem mee op aarde (vs. 5 en 6). Het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid, die aan God toekomen, worden hier voor ieders ogen gelegd op een zichtbaar hoofd. En daarom vaart er een grote vreugde door deze psalm, die de zangers bijna doet vergeten, dat zij morgen de volgende psalm moeten zingen, die begint met de woorden: "Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?"
Vreugde is het grote geneesmiddel voor de zielen der mensenkinderen. Daarom zullen in de hemel de harten sterk zijn, het leven resoluut. Waarom is de kelk des heils op aarde zo sterk gemengd? Waarom staat Psalm 22 vlak achter onze psalm?
"Is dat, is dat mijn koning!
Dat aller vaad'ren wens!
Is dat, is dat zijn kroning?"
(Gez. 123 : 1)40 De zangers en de speellieden hadden gedaante en heerlijkheid verwacht (Jes. 53 : 2). Maar hier verschijnt een hoofd, waarvoor een iegelijk het aangezicht verbergt (vs. 3). Wat zullen wij met zulke psalmen als de 21e, waarin zoveel vreugde ruist; waarin het hart zich te goed kan doen aan loven en prijzen en waarin een feesthoudende menigte ons in zich opneemt en met zich rondvoert, als wij het wagen in haar buurt te komen? Moeten wij trachten de vervoering van de woorden en de dronkenschap der melodie te weerstaan? - Ons hart zegt ons, dat het daardoor schade zou lijden. Leven is blijdschap, hoe diep soms ook gedoken in de ellende en het leed. Wie niets meer hoort van het vrolijk zingen der morgensterren en het juichen van alle de kinderen Gods, toen God de aarde grondde (Job 38: 7), bij die is de vonk des levens uitgedoofd. Dat is alleen mogelijk in de hel.
Wel is er een dionysische roes, die misschien soms nauwelijks te onderscheiden is van de vreugde in Gods heiligdom, maar die een kater nalaat, in plaats van vrede en sterkte. Een roes, die haar inspiratie van beneden ontvangt. Hem moet men met alle macht weerstaan. Hij wil zich de nuchterheid des Geestes uit de leden schudden en de stem van het geweten onmerkbaar maken. - Maar de oefening der heilige blijdschap, het verheugd-zijn met de koning, om Gods geducht vermogen; het verrukt zijn met blijde zielevreugd; het ten reije gaan met de morgensterren en alle kinderen Gods mag men niet nalaten.
Onze harten zijn nog niet sterk genoeg om de onbemiddelde blijdschap des levens te kunnen verdragen; zonde en dood hebben hun werk aan ons gedaan. Maar met de koning mogen wij toch inspringen in de rei. Deze blijdschap heeft God voor de gemeente bestemd. Dat is geen zelfvervoering, maar een gehoorzaam zich voegen in het gelid.
Maar ook dan nog is nuchterheid geboden.
Een lied als dat van Philipp Nicolaï, ook te vinden in onze gezangenbundel onder nummer 262,41 markeert wel haast de uiterste grens. Ik geef hier het tweede couplet, naar de vertaling van Hasper, uit zijn Geestelijke liederen:42
"Sion hoort de wachters zingen,
Haast wil haar 't hart van vreugde springen!
Zij waakt en staat met haasten op.
Vol van glorie komt haar koning, ⚑in waarheid stralend, uit zijn woning: het licht breekt door, haar ster gaat op! Wil komen van uw troon,
Heer Jezus, Godes Zoon!
Hosianna!
Heer ga ons voor de heem'len door, ⚑en houd met ons het Avondmaal."
Hasper heeft zuiverder de vervoering in het lied weergegeven. In de vertaling uit onze gezangenbundel is kennelijk reeds een streven aanwezig om deze min of meer te temperen. Inderdaad is daar reden voor. Wanneer wij dit couplet uit het beroemde gezang van Nicolaï vergelijken met het vers, dat ik boven uitschreef uit Psalm 21, dan is er reden om op te merken: wij zijn nog niet in de hemel. De psalm houdt daar beter rekening mee, hoe hoog hij ook gestemd moge zijn. Achter Psalm 21 kan Psalm 22 staan. Achter het lied van Nicolaï zou dat eigenlijk niet gaan.
De koning, waarvan hier gezongen wordt, is Jezus Christus. De psalm heeft daar reeds enige weet van. Want hier en elders in deze liederen wordt er zeer waarschijnlijk niet altijd aan een bepaalde aardse koning gedacht, maar gaan "de gewisse weldadigheden Davids" reeds over op de gemeente (Jes. 55 : 3). Zij heeft een Leidsman, die "voor de vreugde, die hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen en schande veracht" (Hebr. 12 : 2). Aan dat kruis hebben wij ook nog deel, als wij van Hem zingen in de psalm. Deze gemeenschap mogen wij niet verloochenen. Maar laten wij ons daarbij het grote geschenk Gods niet laten ontroven, om met de koning verheugd te zijn. Ook de hemelse vreugde wil geoefend zijn!