Stil zijn
Immers is mijn ziel stil tot God: van Hem is mijn heil.
Psalm 62 : 2 (St.V.)
Wat met dat stil-zijn bedoeld wordt, zal men het best verstaan, als men er enkele andere psalmen die met de hierboven aangehaalde verwant zijn, op naleest. Zo denk ik aan Psalm 22, waarin gezegd wordt, dat de dichter des daags roept, maar God antwoordt niet; en des nachts, zonder dat de stilte komt (vs. 3). In plaats daarvan zijn er "de woorden mijns brullens" in de godverlatenheid (vs. 2). Het stille-zijn, waarnaar Psalm 62 grijpt, is hier nog verre. Psalm 22 is de klassieke uitbeelding van het "kwaad aanstichten tegen een man", waarvan in onze psalm meer terloops gesproken wordt, en van de benauwdheden waarin dat hem brengt. Ook Psalm 39 moet men vergelijken, omdat daarin sprake is van een heel ander stilzwijgen. Daar is het een kwelling, een zwijgen van het goede, waarbij het hart "heet (wordt) in het binnenste". Het is een stom-zijn voor God (vs. 10).
Wil men weten welk stil-zijn de dichter van deze psalm zoekt, dan late men de korte honderd-een-en-dertigste psalm op zich inwerken. Daarin wordt gezongen van `een gespeend kind', dat geleerd heeft rustig in moeders armen te liggen, zonder te huilen om haar borst. Zo wil deze psalm ook leren bij God te zijn, zonder dat de ziel altijd in oproer is. Hij wil van God leren genieten, zonder heftig van Hem te begeren. Vertrouwen zonder uitkomst te zien. Zijn ziel in Gods handen te bevelen, ook als deze haar schijnt verlaten te hebben. Zoals het kind, na gespeend te zijn, een veel hogere, geestelijke verhouding met de moeder krijgt, zo ook de ziel tot God als zij deze stilte heeft bereikt.
Psalm 131 brengt ons op de grenzen der mystiek. Dit lied is, om zo te zeggen, al boven alles uit. Het stil-zijn is daar al bezig aan de wereld ontheven te worden. Het is een van de liederen Hammaäloth. - In Psalm 62 is dat minder het geval. Hij komt nog midden uit de geloofsstrijd, al is de aanvechting er lang niet zo bang als in Psalm 22. Men merkt dat, als men vers 2 met vers 6 vergelijkt. Schijnt de dichter bij het eerste er al boven uit te zijn, bij het tweede blijkt dit nog niet het geval te zijn. Daar spoort hij zichzelf weer aan om toch stil te zijn. Zijn ziel is in de psalm, maar toch ook nog in het leven.
Het is ook geen kleinigheid in het leven te verkeren. Hoe hebben wij er in durven komen? Men vraagt zich dat soms af. Op het blad staat het er goed, maar in het leven?
In vers 2 en 3 is er de stilte. Maar dan breekt in vers 4 en 5 het rumoer los. Daar wil men de dichter of de gemeente omstoten als een muur, die op vallen staat (Le.V.). Nog een flinke duw, denken zijn vijanden, en dan ligt hij er. God mag dan een rotssteen en een hoog vertrek zijn (vs. 3), de dichter is het niet. Hij mag zeggen "ik zal niet grotelijks wankelen", een omgestoten muur doet dat juist in de hoogste mate. Blijft God nu in het kerkboek, in de psalm, en moeten wij toch alléén in het leven? En bestaat het stil-zijn dan hierin, dat wij niets meer van Hem verwachten?
Een vreemde vraag om aan God te doen. En toch een echt bijbelse vraag. Jezus heeft aan het kruis die vraag aan God gedaan. Toen noemde Hij Hem niet 'Vader', maar 'God'. En Hij vroeg Hem: "Waarom hebt Gij Mij verlaten?" Het is de vraag uit Psalm 22, als de tong aan het gehemelte kleeft en over zijn gewaad het lot geworpen wordt (vs. 16, 19). Dan is de stilte er niet (vs. 3). Maar nu blijkt juist hier, aan het kruis, dat God niet in het kerkboek blijft. Jezus heeft de psalmen mee in het leven genomen, aan het kruis. Het kruis wil zeggen, dat God in de geschiedenis gekomen is. In het leven te verkeren is een heel ding, maar met God daarin samen te zijn is nog heel iets anders. Dan wordt de volle spanning merkbaar tussen het verlaten-zijn en het stil-zijn.
Wij zouden het leven en ook het leven-met-God wel wat rustiger, stil-Ier-op-onze-eigen-manier willen hebben. Zo bij wijze van een gesprek aan de theetafel op de hoogte van die theetafel. Maar dat komt men in de bijbel eigenlijk nooit tegen. God komt daar heel anders in het leven. Abraham moet uit zijn land gaan (Gen. 12). Jakob naar Egypte (46). Mozes zwierf in de woestijn (Exodus, Numeri). David moet vluchten voor Saul of Absalom (Samuël). Israël en Juda gaan in ballingschap. Jezus wordt gekruisigd; Petrus ook en Paulus onthoofd. Voor hen is God uit het kerkboek in het leven gekomen en zij hebben de psalmen daar gebeden of gezongen (Hand. 16 : 25).
De psalm houdt stand als hij uit het boek in het leven gekomen is. Vergelijk nog maar eens vers 2 en 6 van onze psalm. In vers 6 is de stilte van vers 2 er weer, maar nu in het leven. Men merkt, dat er wat gebeurd is: die omstoterij van vers 4 en 5. De psalm, de stilte, beeft een beetje. Maar zij houden stand. En met de psalm het hele bijbelboek. En daarmee Hij, van wie dit alles geschreven staat. Jezus Christus, de 'éne man' van onze psalm, `een worm en geen man' van Psalm 22; de 'aangestoten muur'.
Het van God verlaten zijn en toch door Hem staande te blijven, toch stille te zijn, is de centrale spanning van ons leven. Het is de veer die alles drijft. Het gespeende kind van Psalm 131 heeft de les geleerd. Het heeft zijn moeder verloren, doch bij gelijkenis weder ontvangen. Het is verlaten, maar heeft een andere moeder teruggevonden. Vergeleken bij vroeger betekent haar aanwezigheid nu een stil-zijn. - Zo verandert ook voor de gelovige de tegenwoordigheid Gods. Het laatste gebod van de wet luidt: Gij zult niet begeren. En het eerste artikel van het Evangelie is: Bekeert u (van de begeerten) en gelooft (Mark. 1 : 15). Ook Psalm 131 onttrekt zich niet aan het leven, in de mystiek. Wel bezingt hij de mystieke stilheid van die andere kennis Gods, die door het geloof is.