Sodom en Salem
De grote stad, die in de taal des Geestes Sodom heet.
Openbaring 11 : 8 (St.V.)
En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit de hemel
Openbaring 21 : 2 (St.V.)
De ziener van Patmos, die het laatste bijbelboek heeft geschreven, verhaalt hier van een visioen waarin hem de laatste dingen werden getoond. Er komt een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, met haar hoofdstad, het nieuwe of mystieke Jeruzalem. Het staat tegenover en komt in de plaats van het oude, de grote stad, die in de taal des Geestes Sodom genoemd wordt (Openb. 11 : 8). Deze twee steden worden, zoals de kerkvader Augustinus het heeft gezegd, gebouwd door tweeërlei liefde. "De aardse door eigenliefde, die gaan kan tot verachting van God; de hemelse door liefde tot God, die gaan kan tot verachting van onszelf. Gene roemt in zichzelf; deze roemt in God. Want de eerste zoekt de eer van mensen; voor de tweede is een goed geweten de hoogste eer."9
En diezelfde steden hebben elk een eigen hoofd en koning. Jezus Christus is dat in de ene; de duivel in de andere. Beiden hebben in hun rijk de wetten gegeven, die hun behaagden. "Jezus Christus heeft ere gesteld op het lijden; de duivel op het vermijden van het lijden. Jezus Christus heeft hun, die op de wang geslagen worden, bevolen de andere toe te keren; en de duivel heeft tot hen, die men een kaakslag wil geven, gezegd, dat men degenen, die hun deze belediging willen aandoen, moet doden. Jezus Christus spreekt zalig degenen die delen in zijn schande; en de duivel noemt hen, die in de schande leven, rampzalig. Jezus Christus zegt: Wee u, indien alle mensen wel van u spreken; en de duivel zegt: Wee degenen, waarvan de wereld niet met achting spreekt."10⌫
Alle drie, de apostel, de kerkvader en de man van de wereld, kennen het onderscheid tussen deze beide steden. Zij kennen de verborgenheid, het geestelijke, de liefde, de wet als scheppende machten achter de toekomende eeuw. Wat heden is, zegt niet wat morgen wezen zal. Deze consequentie is uit de duivel. De oude wereld mag als een kleed verouden (Hebr. 1 : 11), de nieuwe wordt van binnenuit geboren.
Wanneer wij van jaartal wisselen, weten wij heel goed, dat daarin iets kunstmatigs is. Het is de astronomische tijd, die ons daartoe noopt. Het zijn niet de innerlijke factoren van ons leven, die hier een rol spelen. Wij doen het als de zon zich wendt en de dagen zich vernieuwen. In zover zit daar niets geestelijks in. Alleen voor zover het oude joelfeest ons nog parten speelt en de mystiek der natuur ook voor ons nog religie is, delen wij in een numineuze stemming, die dan beslag op ons legt. De kerk heeft deze dagen echter ook in haar kalender opgenomen en daardoor gewijd. Zij worden dan óf meer opzettelijk óf onwillekeurig van hun natuurlijke aandoenlijkheid ontdaan en in de orde van het christelijk geloofsleven ingevoegd, zoals de Wijzen uit het oosten in het kerstevangelie. Dan moet ook de astrologische tijd het kindeke Jezus dienen en een ster wijst de plaats aan, waar Hij geboren werd.
Wanneer wij dit spoor volgen staan oud- en nieuwjaar daar als wachters van het koninkrijk Gods, dat Jezus zal prediken; zoals de pilaren Jachin en Boaz voor de tempel van Salomo. Zij bazuinen het uit, dat God alle dingen nieuw zal maken en dat hemel en aarde als een kleed zullen worden opgerold en weggelegd. Als een dekkleed zult Gij ze ineenrollen, en zij zullen veranderd worden, maar Gij zijt dezelfde, en uw jaren zullen niet ophouden (Hebr. 1 : 12). Als zweetdoeken in een graf samengerold zullen zij zijn voor degenen, die de opstanding van Christus zullen deelachtig worden (Joh. 20: 7).
Daarmee vallen oud- en nieuwjaar dan ook onder de visioenen en de visies van de schrijver van de Apocalypse, van de prediker der Stad Gods en van de denker der Pensées. Nooit wordt de Schepper van hemel en aarde zo duidelijk als de grote Scheider openbaar, als wanneer Hij als Herschepper alle dingen nieuw maakt. Dan blijkt, wat het zeggen wil, dat de engelen zongen in de kerstnacht: "In mensen een welbehagen." Jezus zegt het later zelf: "Het is uws Vaders welbehagen, ulieden het koninkrijk te geven" (Luk.12:32). Oud en nieuw worden daardoor gescheiden en tegen elkaar over gesteld.
Wat dat betekent, daarvan kan de jaarwisseling voor ons in ruime zin een sacrament zijn. Zij kan meer zijn dan een overglijden langs lijnen van geleidelijkheid naar een nieuwe melancholische omwenteling van de aarde om de zon, waarvan de Prediker zo moede kon worden, dat niemand het zou kunnen uitspreken (Pred. 1 : 8). Zij kan voor ons worden een aanleiding tot bezinning op het welbehagen van de Vader, die in de hemelen is en die in Christus alle dingen nieuw maakt. Die voor de hemel en de aarde, waarvan Genesis bericht, en die wij geëerd en gediend hebben boven de Schepper (Rom. 1 : 25), zijn koninkrijk in de plaats wil stellen. - Wie dit evangelie des koninkrijks ontvangt, die behoeft niet meer in de hemel op te klimmen of in de afgrond neder te dalen om zich een afgod te zoeken. Hij zal het Woord des evangelies heel nabij hebben, in zijn hart en mond (Rom. 10 : 8). Dan is God niet meer zozeer de Deus faber, zoals er een 'homo faber' is, een werkmeester van een hoge hemel en een lage aarde. Hij zal in Christus mijn Vader zijn, die de hogen wederstaat, maar de lagen genade geeft (1 Petr. 5 : 5). Hij zal scheiding maken tussen het hoge en het lage.
Oud en nieuw behoren voor ons te staan in deze tegenstelling des geloofs. Onze Vader is de koning der eeuwen (1 Tim. 1 : 17). Door zijn koninkrijk werpt hij de tijden uiteen. Het nederige ambt van Christus, geboren in een stal, verborgen en obscuur in de wereld, op de wang geslagen en bespogen, dient Hem daarbij als werktuig. Hij doet dat ook nu. Hij wil het niet alleen doen, maar Hij doet het.
Wij behoeven het afgelopen jaar, de afgelopen jaren niet met heimwee achterna te kijken, hoezeer wij menselijkerwijze altijd geneigd zijn terug te wensen, wat wij eens zagen. Maar in de taal des Geestes, pneumatisch, heten zij Sodom, met hun jaren van geweld, hun executies, hun bommen, hun concentratie-kampen, hun schuilkelders en gaskamers. Met rechte open ogen kan niemand omzien, zonder te verstarren als de vrouw van Lot.
Maar dit is niet het nieuwe jaar. Dit is het 'dekkleed', de 'zweetdoek', die worden samengerold. Dit is niet onze toekomst. Dit is Sodom. - Onze toekomst is het koninkrijk, het nieuwe, verborgene Jeruzalem. Wij durven niet vooruitzien; vreemd! nog minder dan wij durven terugzien. Vanwege de heerlijkheid dezer verborgenheid en vanwege ons ongeloof. Maar God scheidt ze; Hij heeft ze gescheiden, onverbiddelijk. Oud en nieuw hebben niets met elkaar te maken. Bij God staan ze tegenover elkaar, als het oude en het nieuwe Jeruzalem; zoals het 'neen' staat tegenover het 'ja'; zoals Sodom tegenover Salem.