O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Gods altarenGods PoortenEen vaste burcht →

Verzamelde Werken, deel 8 · Gods Poorten · p. 161–164

Het ondermaanse

Als ik uw hemel aanzie, het werk uwer vingeren, de maan en de sterren, die Gij bereid hebt, wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en de zoon des mensen, dat Gij hem bezoekt?

Psalm 8 : 4 en 5 (St.V.)

Wat is de mens, dat gij hem zo hoog stelt en hem uw aandacht wijdt, dat gij morgen aan morgen acht op hem slaat, elk ogenblik hem op de proef stelt!

Job 7 : 17 en 18 (Le.V.)

Psalm 8 bezingt de heerlijkheid van Gods naam, d.i. Gods roem of glorie op de aarde. Hij begint daarmee en hij eindigt daarmee. Niet de grootheid van de mens wordt hier verheven, maar de ere van God.

Als men dit lied wat vluchtig leest, kan men de indruk krijgen, dat het andersom is. Dat wel aan het begin en aan het slot een lofverheffing van 's Heren naam staat, omdat dit nu eenmaal in een psalm zo hoort, maar dat hier toch eigenlijk een dithyrambe, een vervoerde beschrijving van de staat des mensen op aarde te vinden is. De psalm zou dan een dichterlijke uitwerking zijn van dat deel van het scheppingsverhaal, waar God spreekt: laat ons mensen maken naar ons beeld, naar onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over enz. (Gen. 1 : 26).

Nu heeft de psalmist zeer zeker aan dat scheppingsbericht gedacht. Maar het heeft niet in zijn bedoeling gelegen daarvan, zonder meer, een lyrische bewerking te geven. De zenuw van het lied trilt in die vraag in het midden: "Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt; en de zoon des mensen, dat Gij hem bezoekt?" En die vraag moet weer gehoord worden in verband met de tegenstelling van hemel en aarde, die in deze psalm regeert. Het is zoals een andere psalm zegt: de hemel is des Heren; maar de aarde heeft Hij der mensen kinderen gegeven (Ps. 115 : 16). Onder de belichting van die waarheid staat hier alles. Dadelijk bij het begin al. God heeft zijn majesteit over de hemelen gespreid en zijn naam is heerlijk op de ganse aarde (vs. 2). Deze psalm nu gaat over de verheerlijking van Gods Naam op de aarde.

Er is groot verschil tussen die beide openbaringen van Gods ere. "De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt zijner handen werk. De dag aan de dag stort overvloedig sprake uit" (Ps. 19 : 2 v.). En wat heeft de aarde daar nu tegenover te plaatsen? Dat zegt de psalmist in vers 3 van onze psalm. Uit de mond der kinderkens en der zuigelingen heeft God zich sterkte gegrondvest. Dat is heel wat zwakker werktuig om zich sterkte te grondvesten. Onze dichter ziet dat ook zo. Als hij Gods hemel aanziet, de maan en de sterren, wat is dan de mens en de zoon des mensen? (vs. 4 v.). Het woord voor mens, dat hier in het oorspronkelijke staat, heeft ook iets van de broosheid aan zich en wanneer er in de bijbel sprake is van zonen of dochteren des mensen, dan wordt dat gezegd in tegenstelling met 'zonen Gods' (Gen. 6 : 2). De mens is wel naar het beeld Gods geschapen, maar God heeft hem een weinig minder gemaakt dan de zonen Gods, die ook goden genoemd worden (vs. 6) ('engelen' vertaalt de Statenvertaling). En dat 'weinig' houdt nogal wat in. 'Door zijn sterfelijkheid is hij minder dan de godenzonen', zegt een kerkvader.38

Zo zijn wij dan hier, bij onze psalm, in het 'ondermaanse'. De sfeer, die niet meer hemels genoemd mag worden. Als de psalmist de maan en de sterren aanziet, dan denkt hij: wat is de mens, het ondermaanse schepsel, dat God aan hem gedenkt en hem bezoekt? En waarin dat gedenken en bezoeken dan wel bestaat, dat werkt hij verder uit in de verzen, waarin de heerschappij van de mens over de schepping wordt beschreven. Maar hij doet dat op de manier, waarop Homerus een vergelijking uitwerkt. Men moet niet denken, dat hij ons die kant uit wil meenemen; wij moeten weer terug naar de centrale vraag van de psalm: wat is de mens, dat Gij hem op die wijze gedenkt en dat Gij hem aldus bezoekt? Wat is het wezen van de verheerlijking van Gods Naam op aarde? Wat is de zin van het ondermaanse leven?

Dat deze vraag in deze psalm niet mag verdrinken in de homerische uitwerking, in de lyrische ontboezeming over de heerschappij des mensen, die hij misschien wel uit de literatuur heeft overgenomen, dat bewijst reeds die 'mond der kinderkens en der zuigelingen' uit vers 3. Deze psalm staat in het teken van het zwakke en niet in dat van het machtige. Niet in het teken der overwinning, maar in dat van de nederlaag. Kinderen en zuigelingen staan in de bijbel naast elkaar als slachtoffers (1 Sam. 15 : 3; 22 : 19; Jer. 44: 7; Klaagl. 2 : 11). En de zonen der mensen zijn de zwakken, die niet als maan en sterren regelrecht door God zijn geschapen, maar 'van een vrouw geboren' (Job 14 : 1). Wanneer wij dit karakter van de psalm zouden vergeten, dan moet ons waarschuwen de toon, waarin diezelfde vraag naar het ondermaanse staat in het boek Job. Men vindt haar hierboven afgedrukt. Bij Job staat zij niet in het verband van een lofverheffing van de heerschappij der mensen, maar vormt deel van een bange klacht over het mensenlot. Deze dichter laat Job zeggen, dat hij gaarne zou willen, dat God hem wat minder hoog stelde en wat minder aandacht aan hem wijdde; dat Hij niet morgen op morgen acht op hem sloeg en hem niet elk ogenblik op de proef stelde. Dat is voor zo'n broos ondermaans wezen niet uit te houden. God moest hem met rust laten. Als dat zo doorgaat, dan komt er een morgen, waarop God weer naar hem omziet, maar dan zal hij er niet zijn (vs. 21). Hier spreekt ook iemand, die er weet van heeft, dat hij geen godenzoon is, maar een mensenzoon. Dat hij niet tot de hemelse, maar tot de ondermaanse sfeer behoort. Dat hij een weinig minder is dan die anderen en dat dat weinigje juist de dood betekent. Excusez du peu!

Men heeft gevraagd waarom in Psalm 8 wel de maan en niet de zon genoemd wordt. Men heeft het een nachtlied genoemd. Maar dat kan het in de gewone zin van dat woord niet zijn. Wel echter als men er het ondermaanse in vindt. Dan verstaan wij, dat Job bang is voor de morgen, als met de zon de hemelse aandacht voor het mensenleven weer ontwaakt en God gaat wandelen in de wind des daags en roept: "Waar zijt gij?" (Gen. 3 : 8 v.). Hij, de ondermaanse mens, kan die aandacht niet verdragen. Hij kan de heerschappij over het geschapene niet voeren. Hij wil niet, dat er elke morgen acht op hem geslagen wordt of hij wel uitgaat tot zijn werk en naar zijn arbeid tot de avond toe (Ps. 104 : 23). Hij wenst daarvan niet elk ogenblik rekenschap te doen en op de proef gesteld te worden. Dat is goed voor godenzonen, maar niet voor een mens, die van een vrouw geboren is. Als God daarmee doorgaat zal Hij hem op een morgen dood vinden.

Ieder geslacht moet zijn bijbel en zijn psalmen opnieuw lezen. Ik lees Psalm 8 anders dan vroeger. De heerschappij over de natuur en een 'zoon des mensen' te zijn, is bezig een kruis te worden in plaats van een kroon. Het is dat eigenlijk altijd geweest (Gen. 3 : 16-19), maar wij vergaten het wel eens.

Daardoor konden wij niet duidelijk zien, hoe heerlijk de naam des Heren op de ganse aarde is. Maar nu lezen wij Psalm 8 in het Nieuwe Testament (Hebr. 1 en 2). Wij vinden er die kinderen en dat minder-zijn uit de psalm terug. Maar wij zien, hoe de Zoon des mensen door het kruis "zoveel machtiger geworden is dan de engelen als de naam, die hij als erfdeel ontvangen heeft, boven de hunne uitsteekt" (Hebr. 1 : 4 NBG.). O Here, onze Here, hoe heerlijk is uw naam op de ganse aarde! (Ps. 8 : 10).

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Gods altarenGods PoortenEen vaste burcht →