Gods gasten
Hoor, Here, mijn gebed, en neem mijn geroep ter ore,- zwijg niet tot mijn tranen; want ik ben een vreemdeling bij U, een bijwoner, gelijk al mijn vaders.
Psalm 39 : 13 (St.V.)
De verbinding 'vreemdeling en bijwoner' komt hier en daar in de bijbel meer voor. Abraham noemt zich zo tegenover de oorspronkelijke bewoners van het land Kanaän, als hij er een grafstede vraagt om zijn vrouw ter aarde te bestellen (Gen. 23 : 4). En David gebruikte dezelfde woorden in een gebed, dat hij volgens 1 Kronieken 29 heeft gesproken met het oog op de tempelbouw. Hij voegt er daar aan toe, zoals ook in onze psalm gedaan wordt, de woorden: "gelijk alle onze vaders". Deze bijvoeging slaat ongetwijfeld terug op de woorden van Abraham, Israëls stamvader. Het jonge boek der Kronieken zal de hele samenvoeging wel aan onze psalm hebben ontleend. Dit is te waarschijnlijker, omdat Davids gebed nog op meer plaatsen met de psalm overeenkomt.
Dat Israël een vreemdeling en bijwoner Gods is, dat zij van de vaderen af Gods gasten zijn, is echter niet enkel een dichterlijke inkleding van een psalmist, een vorm van nederig bidden, in aansluiting aan een oude patriarchale herinnering. Het is grondslag van het israëlitische recht inzake grondbezit. Daarop berustte de zgn. lossing, waarbij de nabestaande het land voor zijn verarmde broeder moest terugkopen. Het boek Ruth vertelt daarvan een beroemd en roerend voorbeeld. David kon, behalve aan Abraham, ook aan zijn overgrootmoeder Ruth denken.
Welnu, in de wet, die dit lossingsrecht regelt (Lev. 25 : 23 vv.), lezen wij: Het land ook zal niet voor altoos verkocht worden; want het land is mijn, dewijl gij vreemdelingen en bijwoners bij Mij zijt. - Toch hebben deze woorden ook hier nog een zekere figuurlijke betekenis. Zij dienen om de verhouding te tekenen, waarin Israël tot God staat, volgens het verbond, dat Hij met hen gemaakt heeft. - Vreemdelingen en bijwoners in letterlijke zin zijn degenen, die niet tot het volk Israël behoorden en toch onder hen woonden. Ook zij staan onder de hoede van de goddelijke wet. Het tweede grote gebod van Jezus: "Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf" (Matth. 22 : 39) is zelfs ontleend aan een oude wet op de vreemdeling: Gij zult hem liefhebben als uzelf (Lev. 19 : 34) en de barmhartigheid, die gevraagd wordt voor een verarmde broeder, wordt in de wet gelijkgesteld met die voor een vreemdeling en bijwoner (Lev. 25 : 35 Le.V.).
Wij zijn nu in staat ons in te denken in wat er in het hart van de psalmist is omgegaan, toen hij als vreemdeling en bijwoner bij God om hulp kwam vragen. Ogenschijnlijk zou niemand in een ongunstiger rol zich kunnen steken of onder een slechtere titel kunnen vragen om bijstand. Maar in werkelijkheid zijn deze rol en deze titel vol dringende pleitgronden. De psalmist, laten wij zeggen Israël, maakt zich zo klein mogelijk; trekt zich zover mogelijk van God terug. Wil men een nieuwtestamentische illustratie, dan denke men aan de tollenaar in de gelijkenis (Luk. 18 : 9-14). Men leze de hele psalm, dan zal men zien, hoe hij zich langzaam in die hoek heeft teruggetrokken. Eerst was hij opstandig, maar hij heeft zijn broosheid en mondigheid ingezien en nu wordt hij een smekeling. "En nu, wat verwacht ik, o Here? Mijn hope, die is op U." Psalm 123 heeft aan die stemming een roerende, klassieke uitdrukking gegeven.
Wanneer Israël nu in die rol van vreemdeling en bijwoner voor God staat, staat het in goede conditie om verhoord te worden. "Deze ging af gerechtvaardigd in zijn huis", zegt Jezus (Luk. 18 : 14). In die hoek, o wonder, komen de troostgronden naar voren en houdt het vuur in het binnenste (vs. 4) op te branden. Van alle kanten worden lichtpunten zichtbaar; de hoop gaat gloren. Ik ben een vreemdeling bij U, een bijwoner, gelijk al mijn vaders. Dit is dus Israëls verhouding tot God; dit is normaal en geen reden om opstandig te zijn. Abraham was het in het beloofde land, deze stamvader des volks. Ruth was het in het land Kanaän, deze stammoeder van Israëls koningen. Zo komt men dus in de rij met de bijbelheiligen. Dat is een gezichtspunt; dat is een lichtpunt. Zou er een andere weg zijn? Neen, men moet kiezen of delen. Menigeen heeft zich in de afgelopen donkere jaren op de manier van Psalm 39 in de rij der bijbelheiligen voelen dringen, tegen wil en dank; niet zonder aanvankelijke opstandigheid. Maar het is niet anders: wie in deze rij wil staan, die moet deel hebben aan hun vreemdelingschap. Dan geniet hij ook hun rechten.
Een vreemd volk, dat God heeft uitverkoren. Het begon met: "Ga uit uw land" (Gen. 12: 1). En dan: "Naar het land, dat Ik u wijzen zal." En dan: "Het land is mijn, dewijl gij vreemdelingen en bijwoners bij Mij zijt" (Lev. 25 : 23). Is dat het, wat God hen wijzen zou? Een volk zonder land? Een land vol vreemdelingen en bijwoners? Hoe vreemd is de wereldhistorie! Hoe spookt het in alle hoeken der wereld! Wat lezen wij hier? Een tekst uit Leviticus? Een klacht uit Psalm 39? Of lees ik in mijn dagblad een correspondentie van Koestler?43
Een volk zonder land; maar - troost u - geen volk zonder God. Vreemdelingen en bijwoners, maar - bij God. Laat anderen een land hebben, als gij maar een God hebt! Anderen mogen thuis zijn, als gij maar bij God woont. Een goede grondwet is dat: "Het land blijft mijn en gij woont bij Mij!"
Hoe worden de gedachten vermenigvuldigd daar in die hoek bij de dichter van Psalm 39. Perspectieven achter perspectieven. Achter het volk Israël de christelijke gemeente. Achter de figuurlijke bijwoners uit Leviticus 25 : 23, de letterlijke uit Leviticus 25 : 35 (zie boven). Eerst iets over dat laatste. Daar is met de Hebreeuwse tekst op laatstgenoemde plaats iets bijzonders gebeurd. Waarschijnlijk werden hier, wat de behandeling betreft, de letterlijke en de figuurlijke bijwoner gelijkgesteld. Een arme broeder moest men steunen evengoed als een arme bijwoner (Le.V.). Dat 'evengoed als', in 't Hebreeuws slechts één letter, is uit de tekst uitgevallen of uitgestoten. De Septuagint heeft het bewaard. Eigenaardig conflict; vreemde rivaliteit tussen twee soorten bijwoners! De ene duldt niet het gelijk-teken tussen zich en de ander. Wat vonkte het daar weer in de hoek bij de psalmist! Zal hij het ook hier met God eens worden? Zal deze Jood het goedvinden, dat Jezus de letterlijk-armen zaligspreekt (Luk. 6 : 20) en niet alleen de figuurlijk-armen (Matth. 5 : 3)? En zal hij bijwoners als de hoofdman van Kapernaüm (Matth. 8 : 5-13) en de Kananese vrouw (Matth. 15 : 21-28), die het in letterlijke zin zijn, voor even vol willen aanzien als Petrus en Maria, die het slechts figuurlijk zijn? En weer gaat er onder uit deze psalm donder en bliksem uit en steekt de hele wereld in brand, van het oosten naar het westen.
"Mijn hope, die is op U", zegt de psalmist. En die hope wordt niet beschaamd. Er is maar één oplossing voor al deze spanningen, nl. in Jezus Christus. Alleen Hij stilt het wereldoproer. Van Hem heeft de psalmist een duidelijk antwoord gekregen, uit Paulus' mond: "Zo zijt gij dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods." - De bidder wordt uit zijn hoek geroepen.