Gods altaren
Mijn ziel is begerig en bezwijkt ook van verlangen naar de voorhoven des Heren ... zelfs vindt de mus een huis en de zwaluw een nest voor zich, waar zij haar jongen legt, bij uw altaren.
Psalm 84 : 3 en 4 (St.V.)
Onze psalm zingt van hetzelfde verlangen als Psalm 42. Ook daar was sprake van Gods voorhoven. De dichter zeide: "Ik gedenk daaraan ... omdat ik placht henen te gaan onder de schare, en met hen te treden naar Gods huis, met een stem van vreugdegezang en lof, onder de feesthoudende menigte" (vs. 5). Maar die zanger was toen verre van dat liefelijk gedruis, dat hem opbeurde; hij bevond zich in een tempel van ongekorven hout, alleen, waar het gedruis van de bergstromen zijn ziel nederboog.
Onze dichter echter getuigt van het 'heilgenot' (Ps. 84 : 1 ber.), dat hij smaakt, nu hij wel in Gods huis mag wezen. Hij bekent, dat hij schier bezweek van verlangen om er in te treden. En dan komt die mooie en door alle eeuwen heen bekende vergelijking met de mus en de zwaluw, die een huis, een nest vinden, waar zij haar jongen leggen, nl. Gods altaren. In het oorspronkelijke staat niet, dat zij dat huis en dat nest bij Gods altaren gevonden hebben. Wel dat Gods altaren zelf dat huis en dat nest zijn. En die altaren zi jn hier dan een andere naam voor de voorhoven, voor de tempel.
In verband daarmee vinden de nieuwere uitleggers in die mus en die zwaluw meestal troetelnamen voor het volk Israël of voor de tempelgemeente.36 Inderdaad wordt Israël zo wel eens een tortelduif genoemd (Ps. 74 : 19). En ook het komen (der heidenen) tot Gods altaren wordt vergeleken met de vlucht van 'duiven tot haar vensters' (Jes. 60 : 8). Maar ook wanneer hier, in Psalm 84, mede aan Israël en de gemeente gedacht is, dan blijft toch de directe werking van het beeld sterker dan die van het afgebeelde. Wij blijven bij dit vers allereerst denken aan de mus en de zwaluw zelf.
Het meest spreekt de zwaluw hier tot ons, vooral ook omdat wij haar ook in onze woningen hebben zien in- en uitvliegen. Hoe vertrouwd is ons deze vogel en haar scherende vlucht, die aan die vlucht ook haar naam ontleent in de taal van de psalm. Wij denken er aan, hoe wij 's avonds bij het afsluiten van bepaalde deuren er rekening mee hielden of de zwaluw al binnen was. Ook zij scheen zich daarvan bewust en liet dan niet lang op zich wachten. In zekere zin was deze vogel ons heilig, meer dan de andere, die buiten nestelden. Niet alleen Gods huis, maar ook het eigen huis heeft zijn altaren en de zwaluw legde daar haar jongen neder. Dit schiep een heilig gastrecht, dat onder Gods bijzondere hoede stond. Wie ook maar éénmaal in jeugdige hybris, de schennende hand uitstrekte naar het nest, voelt een vleug van schaamte en schuldigheid over zijn ziel varen, als hij er aan terugdenkt, levenslang.
Wij hadden niet dezelfde consideratie voor de mussen. Die nestelden ook niet binnen, maar buiten. God heeft dat wel. In onze psalm staan ze zelfs vóór de zwaluwen en in het evangelie staat, dat er geen op de aarde valt zonder zijn wil (Matth. 10 : 29). Hij rekent ze evengoed bij zijn altaren, al springen ze maar wat aan de buitenkant rond. Jezus zegt, dat de tollenaar, die slechts even voorin Gods voorhoven kwam, beter naar huis ging dan de Farizeeër, die als de zwaluw zwierig naar binnen en naar voren ging. In de evangeliën zijn het ook meestal meer mussen dan zwaluwen, die Jezus rondom zich vergadert; meer bijwoners dan huisgenoten Gods (Ef. 2 : 19). Tollenaren en zondaren. Zacheüs, die buiten in een boom zit, wordt door Jezus geroepen; Hij wil van diens huis een tempel maken (Luk. 19 : 1-10).
Gods heiligheid is breder dan de onze; zij is niet alleen binnen, maar ook buiten. Wij zijn bang voor werkheiligheid, voor de vroomheid buiten de voorhoven, in het leven. En dan vervallen wij gemakkelijk in kerkheiligheid. God echter doet zijn zon opgaan evengoed over bozen als over goeden (Matth. 5 : 45) en die buiten zijn zien dan de stralen duidelijker dan die binnen zijn.
Altijd blijkt weer, dat Gods heiligheid zijn barmhartigheid is. Hij woont niet in tempelen met handen gemaakt (Hand. 7 : 48). Zijn altaren staan in de hemelen en daar dient een Hogepriester, die medelijden kan hebben met onze zwakheden (Hebr. 4: 15). Daarom worden wij aangespoord om met vrijmoedigheid toe (te) gaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen (vs. 16).
Dit zijn de voorhoven, waarnaar onze psalmdichter verlangt. Eén dag daar is hem beter dan duizend elders; een ogenblik daar op de dorpel is hem liever dan lang te wonen in de tenten der goddeloosheid. Want als hij, met Psalm 42, verlangt naar het gedruis van de feesthoudende menigte, dan zal hij, evengoed als Salomo en Stefanus, ook wel geweten hebben, dat de Almachtige niet woont in tenten met handen gemaakt. Wanneer hij dat al wist, dan valt het te hopen, dat wij het nog weten. Wat Gods voorhoven en altaren van alle andere onderscheidt, is dan, dat zijn heiligheid zo wijd is; zijn gastrecht zoveel barmhartiger dan het onze. Somtijds komt God te gast bij iemand, die niet bij Hem te gast komt (bij Zacheüs). Soms zijn er schapen buiten en wolven binnen de kerk (Augustinus).37
En toch, hoewel men dat weet, toch blijft men verlangen ook naar dat huis, dat wel met handen is gemaakt; daar waar de mus en de zwaluw een nest kunnen bouwen. Een woning, die gebouwd is om er binnen te kunnen gaan. Want ook de hemel is er niet om buiten te zijn. Dat is alleen de buitenste duisternis (Matth. 8 : 12). En dat begeren en bezwijken van verlangen, dat roepen van het hart en het vlees naar de levende God is ook nu nog niet verouderd. Wat de moderne mens eigenlijk is, weet ik niet. Hij schijnt allerlei verloren te hebben, als men hem zelf hoort. Misschien kent hij geen echte mus en geen echte zwaluw meer. Zou hij ook niet meer van God weten en het verlangen naar zijn voorhoven totaal kwijt zijn? Heeft hij wellicht het heilig gastrecht van Gods altaren verleerd en is hij daarom zo onbarmhartig en ongenadig geworden?
De kerk is in de eerste plaats een woning, waar ook de schuldige een asiel kan vinden. Zelfs Kaïn kon schuilen bij de altaren, waarbij hij zelf zijn broeder had verslagen. Is er iets te noemen, waaraan deze zgn. moderne mens meer behoefte heeft dan aan dat alleroudste asiel? Hij, die zijn broeder doodsloeg, niet éénmaal, doch zeventig maal zevenmaal?