Epifanie
Van toen aan heeft Jezus begonnen te prediken en te zeggen: Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.
Mattheüs 4 : 17 (St.V.)
De tijd is vervuld en het koninkrijk Gods nabij gekomen: bekeert u en gelooft het Evangelie.
Markus 1 : 15 (St.V.)
De kerk heeft al vroeg getracht de heidense astronomische en natuurfeesten te wijden, door ze te bestemmen tot de herdenking van een heilsfeit, een gebeurtenis uit het evangelie. Zo dacht de kerk, de hele middeleeuwen door, op de eerste dag des jaars aan de naamgeving des Heren. De gereformeerden hebben dit in de zestiende eeuw al spoedig nagelaten, en zo bleef de jaarwisseling aan zichzelf overgelaten.
Behalve de naamgeving kende de kerk het epifaniënfeest, dat bijna even lang is gevierd als het paasfeest. Het werd gehouden op 6 januari en men dacht dan aan de openbaar-wording van Jezus als Heiland der wereld bij zijn doop (Matth. 3) of bij zijn eerste wonder te Kana (Joh. 2). Later vierde men in de Westerse kerk deze dag als Drie koningen, waarbij Jezus dan als het licht der wereld onder de heidenen werd gezien.
De zondagen, die daarop volgden tot aan het begin van de lijdenstijd, de zevende zondag voor pasen, noemde men de epifanias-zondagen en zij waren gewijd aan voortgaande ontplooiing van Jezus' epifanie. Zo kwam het hele begin des jaars in het licht dezer verschijning te staan. ⚑Onze gereformeerde vaderen waren bang voor heiligendagen. Zij waren het aanvankelijk ook voor feestdagen. Zij vreesden, dat een te frequente en te opzettelijke oefening van de heilige gebeurtenissen op een bepaalde dag, de betrachting daarvan op de andere dagen zou schaden. Zij waren bang, dat het geloofsleven kerkelijk leven zou worden, een onderhouden van "dagen en maanden en tijden en jaren" (Gal. 4: 10). - Wij zijn daarvan ten dele teruggekomen. Wij hebben bedacht, dat ook ons geloofsleven niet geheel zonder opzettelijke herinnering kan blijven. Ook dit leven heeft prikkels nodig. Daarom lijkt mij het wegvallen van de epifaniën in het begin des jaars voor onze kerken en voor ons hele volk een verlies. Wel wordt in die tijd meestal uit de evangeliën gepreekt, maar doorgaans is het een vluchtig haasten naar de lijdenstijd. De volle nadruk valt dan niet op het heilsfeit, dat Jezus als Heiland openbaar geworden is en dat in Hem het Koninkrijk der hemelen nabij gekomen is. Zo gaat dit Koninkrijk dan bijna geheel schuil achter het kruis; het openbare wordt door het verborgene bijna restloos verslonden. En dit brengt het gevaar mee, dat ook de kerk met haar onzichtbaarheid genoegen zal nemen en zal vergeten, dat zij een licht op een kandelaar (Matth. 5 : 15) moet zijn.
Daarom zou het van betekenis kunnen zijn als onze kerken bij de jaarwisseling of daaromtrent in deze lacune voorzagen. Als zij, ter herdenking van Jezus' eerste optreden als prediker van het Evangelie, zoals dat in onze tekstwoorden wordt medegedeeld, van zijn epifanie en van de aankondiging van het koninkrijk Gods, een opzettelijke viering instelden. Het zou een dubbele moeten zijn, zoals ik mij die in de vorige meditatie dacht, toen ik sprak van een Jachin en Boaz bij de ingang van het koninkrijk Gods. De ene tot boete manende, de andere tot geloof. Deze viering zou een heel volk er aan herinneren, dat Sodom in de afgrond van "zwavel en vuur" (Gen. 19 : 24) ondergaat en dat Salem van de hemel nederdaalt (Openb. 21 : 2). Tussen deze beide is "een grote klove gevestigd" (Luk. 16 : 26). Zij hebben niets met elkaar te maken. Oud en nieuw zijn door deze klove gescheiden.
De nadruk op deze epifanie, op de komst, het nabij-gekomen-zijn van het koninkrijk Gods, ontbreekt in ons kerkelijk jaar. Wij lopen er vluchtig overheen. En dat ontbreekt er ook meestal in ons geloofsleven. De verzekerdheid dat Jezus niet alleen onder ons is geboren, maar dat Hij ook aanvankelijk openbaar geworden is. Dat Hij met woorden en wonderen de nabijheid van Gods koninkrijk heeft betekend. Dat een koninkrijk onder ons opdringt en dat de poorten der hel het niet zullen overweldigen (Matth. 16: 18). Wat Rome voor de geïnstitueerde kerk in beslag genomen heeft, mogen wij voor de gemeente niet loslaten.
Deze dubbele viering van Jezus' epifanie, met boete en met geloof, zou tegemoet komen aan de nood der tijden. En nu herinneren wij ons de bezwaren, die onze vaderen hadden tegen het houden van 'dagen'. Wij hebben die ten dele te laten gelden, eveneens om de nood der tijden. Wij mogen minder dan ooit de viering van ons geloof op enkele dagen schuiven. God staat niet alleen tussen de jaren, maar ook tussen de maanden, de dagen, de uren. Wij hebben de epifanie, de verschijning van Christus, zo bitter nodig. Het nabij-zijn van het koninkrijk Gods is een belijdenis, die wij van de overste Leidsman van ons geloof dagelijks hebben over te nemen.
De wereld is verdeeld in twee soorten van mensen. Voor de ene helft zijn de zonde en de ellende determinerende machten. Als gletschers in een ijsperiode schuiven zij dan voort over een steeds groter stuk van de geschiedenis. Daar is geen macht die ze tegenhoudt en zij gaan van geslacht tot geslacht, van eeuw tot eeuw over alle wisselingen heen. Voor de anderen - maar wie heeft deze prediking geloofd (Jes. 53 : 1)? - voor de anderen staat God op elk punt en ieder ogenblik tussen verleden en toekomst. Tegenover de neerdrukkende, worgende en moordende greep van wat achter is, grijpen zij met heilige sportiviteit naar hetgeen vóór is (Fil. 3 : 12).
Ik denk aan de vier dagen, die ik met twintig anderen onder een zwaar granaatvuur in een kelder doorbracht. Het continuüm van de tijd, de ongescheiden duur, werd toen soms stukgebroken door een verborgen geweld, zoals een atoom gesplitst wordt in de ruimte. Tussen de ogenblikken wrong zich de eeuwigheid en in die eeuwigheid tussen de ogenblikken bewoog God zich met zijn alom tegenwoordige kracht. Hij regeerde absoluut over wat er komen ging. Niet de samenhang der tijdsdelen bepaalde wat gebeuren moest, maar Gods vrije wil.
God is de Koning der eeuwen, maar meer nog die der ogenblikken. Zijn besluit is van eeuwigheid, maar Hij neemt het op het laatste moment. Hij is bewegelijker dan de snelste zijner engelen en de heilige sportiviteit van een Paulus, waarover ik zo pas sprak, komt van Hem. Zij behoort thuis in zijn koninkrijk, waarvan het karakter het best hierdoor wordt uitgedrukt dat het komt.