O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Het ondermaanseGods PoortenDe dwaas →

Verzamelde Werken, deel 8 · Gods Poorten · p. 164–166

Een vaste burcht

Een lied

Jahwe der heirscharen is met ons, een burcht is voor ons de God Jakobs.

Psalm 46: 4b (Le.V.)

Onze tekst komt in de Statenvertaling in vers 4 niet voor; wel in vers 8 en 12. De Leidse vertaling, die ik gevolgd heb, voegt deze woorden ook in vers 4 in, omdat het een refrein is, aan het einde van elk der drie coupletten van de psalm. Ook anderen doen dat en, naar mij toeschijnt, terecht. Het lied wordt dan nog krachtiger. In de Hebreeuwse tekst en in de Septuagint staat het er niet. Het zal om de een of andere reden uitgevallen zijn.

Dit is de enige psalm, die in het opschrift zonder verdere bepaling als 'een lied' wordt aangeduid. Hij verdient die naam ook volkomen. Er is een geweldige voortgang in dit lied, niet ongelijk aan het bruisen van de wateren en de volkeren, die er in voorkomen.

De psalm stelt zich eerst voor, hoe het zijn zou, als de orde, die op de derde dag geschapen werd (Gen. 1 : 9-12), eens verbroken werd. Als de zee de bergen weer overspoelde. Als God nog eens berouw had, dat Hij de mens geschapen had (Gen. 6 : 6 v.) en het verbond, dat Hij met Noach gesloten had na de zondvloed (Gen. 8 : 21 v.) eens verbrak. - Dan zou de Here toch nog met zijn volk Israël zijn.

"Jahwe der heirscharen is met ons, ⚑een burcht is voor ons de God Jakobs."

Dan duikt in het tweede couplet het visioen van de Godsstad op, Jeruzalem, waar de Here zijn woning heeft. Men moet, om te begrijpen hoe de dichter de stad door de armen van een rivier laat omstromen, het laatste gedeelte van Jesaja 33 lezen. Dit is het Jeruzalem uit 'een lied'; de stad rust in de armen van zeer stille wateren (Ps. 23), zoals het paradijs in den beginne (Gen. 2: 11-14). God is in haar midden. - Toch zijn wij hier ook midden in de geschiedenis en niet meer, zoals bij het eerste couplet, vlak bij de chaos. Het bruisen, dat nu hoorbaar is, komt van de volkeren, de koninkrijken, en men denkt onwillekeurig aan een uitredding, zoals die in Jesaja 33 bezongen wordt en die misschien dezelfde is, die in 2 Kon. 18 en 19 staat opgetekend, toen de engel des Heren de Assyriërs verjoeg.

Dan komt weer het refrein:

"Jahwe der heirscharen is met ons, ⚑een burcht is voor ons de God Jakobs."

Het derde couplet werpt een blik in de toekomst tot op onze dagen toe en tot aan het einde der wereld. De Here zal met zijn volk blijven. Hij zal tot het einde der aarde de oorlogen doen ophouden, de boog breken, de lans stukslaan, de strijdwagens verbranden. - De psalmist denkt hier nog wel niet dadelijk aan het vrederijk, dat ons zo heerlijk bezongen wordt in Jesaja 11. De bedoeling is, dat de God Jakobs zal opstaan tot de strijd en de vijanden zal verstrooien (Ps. 68 : 2). Maar daarachter ziet de dichter toch de vrede gloren. "Zij zullen hun zwaarden slaan tot spaden en hun spiesen tot sikkelen ... en zij zullen geen oorlog meer leren" (Jes. 2 : 4). Dan volgt voor de derde maal het refrein:

"Jahwe der heirscharen is met ons, ⚑een burcht is voor ons de God Jakobs."

Zo overziet het geloof in deze psalm de wereld van het begin tot het einde. Maar welke machten zich ook in beweging zullen zetten, God blijft in het midden van zijn volk. De wateren mogen bruisen, de volkeren mogen razen, de Here is met ons. Immanuël.

Psalm 46 is door Luther opnieuw ingezet, toen hij omstreeks 1527 zijn 'Een vaste burcht is onze God' dichtte. Het heet ook wel zonder meer 'het Luther-lied' en verdient onder de gezangen evenzeer de titel van 'Een lied' als Psalm 46 dat doet onder de psalmen. Wij zullen goed doen deze beide liederen niet te verwaarlozen. En er aan te denken, dat het geloof ook niet buiten een leuze en een lied kan. De gemeente van het oude verbond heeft gezongen en dat heeft haar geholpen in stand te blijven door de eeuwen heen. En de christelijke gemeente heeft dat ook gedaan. Daaraan hebben wij die geweldige psalmbundel te danken en onze prachtige christelijke hymnen. In het bijzonder de protestantse gemeente heeft voor haar geloofsleven onuitsprekelijk veel aan haar liederen gehad. De gereformeerden meer aan de psalmen, de luthersen ook aan de gezangen, tot deze beide in één liederenboek werden verenigd. Deze protestantse gemeente heeft ze niet alleen in haar tempels, haar kerken, gezongen, maar misschien nog meer in haar andere bijeenkomsten en in haar huizen. Daardoor is de ziel van dit volk besnaard geworden en heeft ons leven een inwendig ritme gekregen, dat preludeert op de eeuwige vrede. Een volk, dat deze liederen zingt, bidt daarmee, dat God de oorlogen doe ophouden. Het voelt de uitingen van het geweld en de leugen als een onverdragelijke wanklank, die het oor verscheurt en het hart doorwondt. 'Oorlof, mijn arme schapen.' Er is geen andere bescherming tegen het geweld en de leugen dan deze inwendige besnaardheid, deze onoverwinnelijke afkeer tegen deze helse dissonanten. Wanneer wij verzuimen ons hart te oefenen in deze vibraties des Geestes, zal onze tegenweer verzwakken. Wij hebben nodig wat men tegenwoordig noemt een 'commune mesure', een gemeenschappelijke toon, waarop wij kunnen samenstemmen: een lied, een leus. Deze maatschap kunnen wij echter niet in elkaar vinden. In onze waarachtigheid, onze vredelievendheid. Wanneer wij daarvan zouden gaan zingen, zou het lied gauw uit zijn. De maatschap ligt in God. 'De Heer is met ons', dat is een goede leuze. En 'Een vaste burcht is onze God', dat is een goed lied. Ieder gebruis en elk gedruis zal stil worden op aarde; iedere andere leus, elk ander lied. En dan zal er één waarheid overblijven: 'De Heer is met ons'. En één macht: 'Een vaste burcht'.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Het ondermaanseGods PoortenDe dwaas →