O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← De pelgrimGods PoortenDe schatgraver →

Verzamelde Werken, deel 8 · Gods Poorten · p. 112–115

De zaaier

Zie een zaaier ging uit om te zaaien.

Mattheüs 13 : 3b

Het Koninkrijk der hemelen is een verborgenheid en Jezus kan er niet met iedereen vrij uit over spreken. Dat is alleen mogelijk met zijn discipelen. Zelfs dezen verstaan het telkens nog zeer gebrekkig. Zo zelfs, dat, als Petrus later op Jezus' vraag: "Wie zegt gij, dat Ik ben", antwoordt: "Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods" - dat Jezus dan zegt: "Vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar mijn Vader, die in de hemelen is." Om het geheim van het Godsrijk te verstaan, is een bijzondere openbaring nodig.

Even gevaarlijk als het atoom, waaruit de wereld is opgebouwd, blijkt te zijn, wanneer mensen over de daarin aanwezige krachten beschikking krijgen, is ook het Woord, dat de zaaier zaait (Mark. 4 : 14). Wordt het menselijk begrepen, deze verborgenheid van het koninkrijk, dan kan het de ondergang dezer wereld betekenen. Daarom moet de Vader het in zijn hand, de Heilige Geest, houden en Jezus wikkelt het in gelijkenissen, opdat de mensen "horende niet horen noch ook verstaan" (Matth. 13 : 13). Het Evangelie is vol van deze voorzichtigheid van Jezus met het woord des koninkrijks. En de kerk- en wereldgeschiedenis illustreren op allerlei wijze de explosiviteit daarvan, als het in verkeerde handen komt.

Een zaaier ging uit om te zaaien. Is dat een beschrijving van wat iedere zaaier altijd doet? Zo wil het o.a. de grote kenner van het Nieuwe Testament Zahn, in zijn commentaar.11⌫ Ik kan dat echter niet geloven. Literarisch is het misschien wel waar, maar deze vorm krijgt in de mond van Jezus een andere betekenis. Als een rabbijn het gezegd had, zou het zo kunnen zijn. Maar in de evangeliën zijn gelijkenissen geen fabels meer, met een moraal achterna; geen spreuken-preken, met een toepassing. Wanneer Jezus zegt: "Een zaaier ging uit",dan bedoelt hij hier niet: "Een zaaier gaat uit." Veeleer moet men bij het horen van deze gelijkenis denken: "Een zaaier is uitgegaan om te zaaien." Het is geen spreuk, maar een evangelie. Het is geen belegen wijsheid, maar profetie vol haast naar de toekomst. En deze profetie wordt gevolgd (vs. 10-17) door een dreigende boetpredikatie. Dat is niet de omgeving, waarin men spreukenwijsheid pleegt aan te treffen. - Jezus zelf is de Zaaier. En wat Hij in de gelijkenis verhaalt, gebeurt niet telkens weer, maar slechts éénmaal, als de Zoon komt, nadat zij de dienstknechten geslagen, gestenigd of gedood hebben (Matth. 21 : 33-41). De lotgevallen van het zaad uit de gelijkenis zijn die van de eigen prediking van Jezus en de vorm van zijn woorden is geen genre van poëzie, maar het omhulsel van een geheim, waarin de komst van Gods koninkrijk ligt opgesloten.

Een zaaier ging uit om te zaaien. Het zaaien zal er wel eerder geweest zijn dan de 'oefening', het ploegen, het bebouwen van de akker. Het zal wel eerst een godsdienstige handeling geweest zijn en pas daarna een culturele. Wie van het wilde koren plukte, deelde het met zijn god en wierp 'een deel' (vs. 4) waar het viel, bij de weg of op steenachtige plaatsen of op de doornen. Het zaad moest 'de goede aarde' (vs. 8) nog zoeken. Maar toen het die gevonden had, gaf God het Hem toegeworpene terug, honderd-, zestig- en dertigvoudig. Het koninkrijk van de akker, van de aarde, was gekomen.

Nu moet het Koninkrijk der hemelen komen en weer gaat een zaaier uit om te zaaien. Ook nu zoekt het zaad naar de goede aarde. De zaaier zaait het woord (Mark. 4 : 14 NBG.). Het valt bij de weg, als Jezus predikt in de synagoge te Nazareth, waar zij aan Hem geërgerd werden. Het verhaal van deze gebeurtenis staat merkwaardigerwijze aan het slot van Mattheüs 13, vlak achter de zeven gelijkenissen van het Koninkrijk der hemelen, waarvan die van de zaaier de eerste is. Volgens Lukas is Jezus zijn prediking in zijn woonplaats begonnen (Luk. 4: 18). Maar dit was platgetreden grond. Was deze niet de zoon des timmermans? zeiden de mensen (Matth. 13 : 55).

Een ander deel viel op steenachtige plaatsen (vs. 5). Dit zijn de scharen, die Jezus volgen (Matth. 14 :13), licht ontvlambaar, maar eveneens spoedig geërgerd. - En nog een ander deel viel op de doornen. Daaronder kunnen wij verstaan de afval van velen van Jezus' discipelen (Joh. 6 : 66), zodat er slechts twaalf overbleven. En ook van deze twaalf zeide de Heer, dat zij in de nacht van zijn gevangenneming aan Hem geërgerd zouden worden (Matth. 26 : 31).

En nu de goede aarde, harten zonder ergernissen, die het woord des koninkrijks ontvangen en teruggeven, honderd-, zestig- of dertigvoud. Zijn zij niet te vinden in de evangeliën? Heeft deze Zaaier in het Koninkrijk der hemelen dan niets geoogst? - Jezus heeft eens de velden wit gezien om te oogsten (Joh. 4 : 35), maar toen tevens gezegd, dat: "De een zaait, de ander maait." - Toch heeft ook Hij de eerstelingen van die oogst binnengedragen.

Daarbij denk ik aan Zacheüs, de overste der tollenaren, die in de overlopende dankbaarheid voor de komst van Jezus in zijn huis, uitriep: "Zie, de helft van mijn goederen, Heer, geef ik de armen; en indien ik iemand iets door bedrog ontvreemd heb, dat geef ik vierdubbel weder." Hier is de overvloed van de goede aarde; hier houdt alle berekening op; ook die van het honderd-, zestig- of dertigvoud. 'De helft' en 'vierdubbel', dat zijn geen percenten meer, maar dat betekent dat het koninkrijk Gods nabij gekomen is en dat de gerechtigheid van dat Rijk gaat gelden. God komt aan de regering in dat leven. Dan is de ergernis buitengesloten; zij murmureert nog alleen rondom het huis (Luk. 19 : 7). - Of die vrouw te Bethanië, die tot Jezus kwam "hebbende een albasten fles met zalf van onvervalste nardus van grote prijs", die zij over Jezus uitgoot (Mark. 14 : 3). Weer is alle ergernis verslonden, als zij Jezus tot koning zalft. Hier zijn alle maten overschreden; hier is iedere berekening van prijs een dwaasheid. Met Jezus staat zij in het Koninkrijk en zal met Hem gepredikt worden in het evangelie (Mark. 14 : 9). Rondom de ergernis (vs. 5), maar in het midden de liefde (vs. 6).

En eindelijk de moordenaar aan het kruis (Luk. 23 : 42), als hij tot Jezus zegt: "Heer, gedenk mijner, als Gij in uw koninkrijk zult gekomen zijn." Viel ooit een woord in zo goede aarde, dat het uit zulk een mond, in een uiterste ogenblik, tot zulk een bede opstond? Was dit niet reeds Jezus' opstanding, vóór Hij nog gestorven was? Als Jezus antwoordt: "heden zult gij met Mij in het paradijs zijn", doet dan dat 'heden' niet reeds het graf te niet? En is er nog één woord in de bijbel te vinden, waarin het koningschap van Jezus en de nabijheid van het koninkrijk Gods zo stralend beleden wordt? - Waar heeft dit gesprek plaats tussen deze ten dode gehangenen? Is het niet op de drempel van dat koninkrijk waar de ergernissen des kruises achterblijven? Is dit niet de goede aarde, dit Koninkrijk der hemelen, op welks drempel een rover zich ontpopt tot een engel Gods?

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← De pelgrimGods PoortenDe schatgraver →