De schatgraver
Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een schat, verborgen in een akker, die een mens ontdekte en verborg, en in zijn blijdschap er over gaat hij heen en verkoopt al wat hij heeft en koopt die akker.
Mattheüs 13 : 44 (Vert. NBG.)
Het Koninkrijk der hemelen is een eeuwig koninkrijk (2 Petr. 1 : 11). Maar dat wil niet zeggen, dat het ouder is dan alle andere dingen; ouder dan de bergen en de wereld (Ps. 90 : 2). Dat is het misschien of zeker ook wel. Doch Jezus zei ook wel tegen de Joden: Eer Abraham was, ben Ik (Joh. 8 : 58). En toch rustte het gebeente van Abraham al eeuwen lang in de spelonk van Machpela bij Hebron en wandelde Jezus op dat ogenblik rond in de tempel te Jeruzalem en zeiden de Joden van Hem, dat Hij nog geen vijftig jaar was (vs. 57).
Zo is ook het Koninkrijk der hemelen moderner dan de nieuwste dingen; geen revolutie kan zo haastig een eind maken aan bestaande toestanden of dit eeuwig koninkrijk is nog sneller en is nog actueler op de dag van heden. Het gaat er mee zoals in de bekende fabel van haas en egel.12⌫ De wenteling der eeuwen moet het afleggen tegen de spil waarom zij draait. Het voornaamste wat van het koninkrijk Gods beleden moet worden, is dit, dat het nabij gekomen is. Dat is ook het eerste, wat Jezus er van zegt (Matth. 4 : 17).
Daarom is het Koninkrijk der hemelen gelijk aan die schat, verborgen in een akker. Op het eerste gezicht lijkt het omgekeerde het geval te zijn. Want wat roept voor onze verbeelding meer de gedachte aan oudheid wakker dan juist zo'n schat? Hoe lang zou die er al gelegen hebben? Zou hij in de grond verborgen zijn, toen de Syriërs in de tijd der Makkabeeën het Joodse land afstroopten? Of nog vroeger, toen de Babyloniërs Jeruzalem belegerden en Jeremia een koopbrief van een akker in een aarden vat liet doen (Jer. 32 : 14)? Of was het misschien nog honderden jaren vroeger, toen de Filistijnen in het land waren en Israël zich verborg in de spelonken en in de doornenbossen en in de steenklippen en in de vestingen en in de putten (1 Sam. 13 : 6)? - Misschien nog wel vroeger. De opgravingen in Palestina brengen het meeste aan het licht uit de oudere lagen. De schat kan er gelegen hebben van de tijd der Kanaänieten af, toen Israël het land binnentrok om de steden met de ban te slaan. Toen probeerde Achan zo'n schat in de aarde te verbergen: een schoon sierlijk Babylonisch opperkleed, en tweehonderd sikkelen zilvers, en een gouden tang, welker gewicht was vijftig sikkelen (Joz. 7 : 21). Wanneer de schatgraver in Jezus' dagen diep groef, kan de schat, die hij vond, ook nog langer gelegen hebben. Onder het Jericho, waarvan Jozua de muren zag omvallen, lag nog een oudere stad. De historie heeft zich in Palestina vaak herhaald.
Werkelijk, deze schat uit de gelijkenis schijnt voor onze fantasie al maar verder in de oudheid terug te wijken. Hoe kan hij dienen om een gelijkenis te zijn van het Koninkrijk der hemelen, dat nabij gekomen is? En waarvan Jezus zegt: "Heden is deze Schrift in uw oren vervuld" (Luk. 4: 2l)? Ik weet wel, dat er een derde in iedere vergelijking is, waar het op aankomt en dat men dit kan zoeken in de waarde van de schat, waarvoor al het andere verkocht wordt. Maar dit derde behoeven wij hier niet al te klein te nemen. Er is ook een merkwaardige overeenkomst wat de oudheid van de schat en de eeuwigheid van het Koninkrijk der hemelen betreft.
Een schat wil gedolven worden. Daarop ligt hij te wachten. En dat wachten is een wisseling van hopen en vrezen, waarvan de graad en de intensiteit niet gelijk blijft, maar oploopt, tot hij gevonden wordt. Ik denk, dat de schat zou ophouden te bestaan, als zijn wachten tot staan kwam of ook maar gelijk bleef in sterkte. Ook de delfstof is niet helemaal dood, maar moet tenslotte bestaan door een zekere onrust, die wij hier de hoop kunnen noemen om het licht te zullen zien of licht te worden. Ik zei daar dat de onrust van de schat toenam. De eerste, de oudste eeuwen was daarvan misschien nog weinig merkbaar. Als men een lange weg moet gaan, wordt men in het begin niet spoedig moe. Maar naarmate de tijden vergingen werd de spanning groter en de eeuwen liepen sneller en de schat nam zelf toe. Hij wies van het sterke wachten en het werd duidelijk, dat dit niet altijd zo door kon gaan. Er moest iemand gevonden worden om hem te delven. En daartoe zou de schat nabij komen. Hij zou van zijn eigen onrust iets zaaien in het hart van een graver en zij zouden elkaar vinden. De delver de schat of de schat de delver, dat zou men beide kunnen zeggen. In de gelijkenis staat, dat die mens de schat vond. Maar op andere plaatsen van de bijbel kan men lezen hoe dat toegaat: "Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten ... Ik (heb) gezegd: Zie, hier ben ik. Zie, hier ben ik" (Jes. 65 : 1). Dat gaat daar levendig genoeg toe, waar God uit de eeuwigheid te voorschijn springt om zich te laten vinden. Wij zullen maar zeggen: de schat vond de delver.
Daaraan is nu het Koninkrijk der hemelen gelijk. Zo is het gesteld met de oudheid, de eeuwigheid van dat rijk. Wanneer er sprake is van het koninkrijk Gods, dan wordt er altijd weer gevraagd, of het er was, of het er is of dat het komen zal. Wij kunnen alle drie zeggen, maar het meest eigenlijke is toch, dat het komt. Jezus heeft ons ook leren bidden: Uw koninkrijk kome.
Dat God Koning is en dat zijn rijk van ouds is en dat al zijn heilige wetten aan alle dingen ten grondslag liggen als "onwrikbare vastigheden" (Ps. 87), dat is zeker waar; ook is het waar dat dit koninkrijk in het heden is. Maar het grootste geheim van het Koninkrijk der hemelen is zijn gedoken zijn in de schoot der tijden. "Het komt niet zó, dat het te berekenen is ... (het) is bij u" (Luk. 17 : 20 v. NBG.). Vlak bij u en toch vergist gij u telkens weer in de tekenen der tijden (Matth. 16 : 3). Er is alleen een groeiende onrust, die niet altijd zo door kan gaan. Die haar eigen ongerijmdheid aan het voorhoofd draagt. Maar deze onrust is zelf een teken, het grootste van alle. Hoe zou zij zichzelf kunnen duiden? De grote onrust, waarvan zij een teken is, is die van het Koninkrijk der hemelen zelf. Het doet niet anders dan nabij komen. Het spoedt zich met een eeuwige spoed, waarvan de versnelling der eeuwen en der tijden slechts een flauwe afschaduwing is. Het is begonnen zich te haasten toen de mens gevallen is. Van Adam tot Noach, van Noach tot Abraham, van Abraham tot Mozes, van Mozes tot David en van David tot Jezus Christus - steeds klaarder werd de profetie, steeds duidelijker werden de omtrekken van het rijk. Totdat het "zie, hier ben ik!" weerklonk en Jezus zeide: "Heden is deze Schrift in uw oren vervuld" (Luk. 4 : 21).
Deze schat is door de gravers ook weer verborgen, zoals het in de gelijkenis staat. In het geloof en in de kerk. Pas wanneer het geloof en de kerk alles hebben verkocht wat zij hebben, kunnen zij die akker kopen en de schat delven.