De priester-vorst
De Here heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen; Gij zijt Priester in eeuwigheid, om der wille van Melchizedek.
Psalm 110 : 4 (St.V.)
Deze psalm wordt misschien meer dan enige andere in het Nieuwe Testament aangehaald of gebruikt. Hetzij meer regelrecht, zoals het eerste vers in Handelingen 2 : 34 en Hebreeën 1 : 13 of het vierde in Hebreeën 5 : 6; 7 : 17, 21, dan wel zijdelings, overal waar sprake is van het zijn van Jezus Christus aan de rechterhand Gods, van de onderwerping zijner vijanden of van het hogepriesterschap des Heren naar de wijze of ordening van Melchizedek. Psalm 110 is daardoor een messiaanse psalm bij uitnemendheid geworden. Hij is het ook daarom, dat het de enige is, waarin van een koning gezongen wordt, die tegelijk priester is en daarmee in het Oude Testament vrijwel de enige plaats is, waar dit gebeurt. Men zou deze psalm daarom een springplank naar het Nieuwe Testament kunnen noemen. Het is een adventslied.
Des te merkwaardiger is het, dat juist dit lied tot de weinige behoort, waaraan men met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid een plaats in de historie kan aanwijzen. Dit zou dan zijn in het jaar 141 v. Chr., toen Simon de Hasmoneeër, nadat hij de burcht te Jeruzalem van de Syrische bezetting had gezuiverd, door de Joden als 'vorst en hogepriester voor eeuwig' werd uitgeroepen, ofschoon hij niet uit het geslacht van Aäron was en dus, volgens de traditie, geen hogepriester mocht zijn. Hij werd het echter toch, op dezelfde burcht, vanwaar Melchizedek, de priester-koning van Salem, Abraham was tegemoet getreden (Gen. 14 : 18-20). De vorst werd tevens priester, wat eveneens in strijd was met het mozaïsche recht. Maar hij werd het, zo luidt onze Statenvertaling, naar de ordening van Melchizedek. Dat 'ordening' is een vertaling in aansluiting aan een aanhaling van dit vers in Hebreeën 5 : 6 en 7 : 17, waar de Septuagint is gevolgd. In de Hebreeuwse bijbel staat hier een woord, dat meestal vertaald wordt als 'op de wijze van'. De zin is dan, dat deze vorst tegelijk priester zou zijn, op de wijze van Melchizedek en tevens dat hij dat zou zijn, zonder van Aäron af te stammen, eveneens op de wijze van Melchizedek. - Men kan dat Hebreeuwse woord echter ook meer eigenlijk vertalen met 'om der wille van', zoals in Prediker 3 : 18 (Le.V.).
Men vindt (Valeton),44 dat dit hier niet past en de Leidse vertaling doet het hier ook niet, maar ik kan dat niet helemaal beamen. Is er, in de historische situatie, die ik zopas beschreef, geen reden te over voor de dichter om in deze 'godsspraak' (vs. 1) te bezingen, dat God deze afwijkingen van het mozaïsche recht heeft toegelaten 'om der wille van' Melchizedek, zijn gezalfde priester-koning uit Abrahams dagen, toen het mozaïsche recht nog niet bestond? De wet 'is er bijgekomen' (Rom. 5 :20 NBG.); maar in de dagen van Abraham bestond er toch eigenlijk 'een beter verbond' (Hebr. 7 :22 NBG.). Ook in dit opzicht is onze psalm een springplank naar het Nieuwe Testament.
Men zal mij, met het oog op deze plaatsing van de psalm in het jaar 141 v. Chr. misschien wijzen op het opschrift: 'Een psalm Davids'; en op het gebruik, dat Jezus daarvan heeft gemaakt (Matth. 22 : 43 vv.). Het zou te ver voeren daarop thans in te gaan. Alleen wil ik opmerken, dat de psalm naast dit 'opschrift' ook een 'inschrift' voert. Men heeft opgemerkt, dat in het oorspronkelijke de beginletters van de eerste vier regels van deze godsspraak de naam 'Simon' opleveren. Als ik goed zie, geven de beginletters van de laatste drie verzen zijn bijnaam: 'de geweldige' of 'de heerlijke'.
Onze meditatie heeft ons tot dusverre wel diep in de historie, in de aardse geschiedenis, getrokken. Hebben wij de psalm niet neergehaald? Historisch is hij zeker een springplank geworden en het jaartal 141 v. Chr. ook. Maar hebben wij daarmee het profetisch gehalte, het messiaans karakter, het nieuwtestamentisch gebruik van dit lied niet getorpedeerd? - De evangeliën denken er blijkbaar zelf anders over. Zij beginnen van Adam (Luk. 3 : 38) en van Abraham (Matth. 1 : 2) af en leggen zo twee springplanken naar het Nieuwe Testament. Deze liggen dwars door de bijbelse geschiedenis heen en er komen figuren op voor, die, zoals Thamar en Rachab, heel wat minder netjes waren dan Simon de Geweldige. Men kan, zo heeft Luther, meen ik, gezegd, Christus nooit diep genoeg in het vlees trekken.45 En een ander groot theoloog zeide zelfs, dat men Hem nooit diep genoeg in de zonde kon trekken.46 Jezus is, volgens de evangeliën, niet met de engelen aan komen zweven, maar Hij is geboren en in zijn geslacht komen de beide stammoeders voor, wier namen ik daar straks noemde. Zelfs haar namen zijn donker en zwaar vanwege het aardse.
Zo moeten wij ook het messiaans karakter van onze psalm beschouwen. ⚑Uit dit geuzenliedeke, gemaakt in het midden van de Joodse vrijheidsoorlog, is een adventslied geboren. De Heilige Geest heeft er zich meester van gemaakt, zoals van Jezus' vlees en bloed en heeft het geheiligd tot een samenspraak tussen God de Vader en God de Zoon, achter de evangeliën hoorbaar, en waarnaar de apostelen niet moede worden te luisteren. Reeds lang voor hen hadden de tempelzangers dit er in vernomen en het lied in hun gezangboek opgenomen. En zo heeft het dan in de tempel geklonken, de ware Priester-koning tegemoet.
Om der wille van Melchizedek, ter wille van Abraham zijn vriend, om der wille van 'het betere verbond', moest deze koning van het Godsrijk tevens priester zijn. Nog eerder priester dan koning. Degenen die met hun hart gezondigd hadden, meer nog dan met hun verstand en hand, de zondige aardbewoners met hun donkere namen, zwaar van dwaling en verlangen, moesten ook met het hart gewonnen, genezen en verzoend worden, meer dan met een sterke, straffe hand en een verstandige raad. Veel zou het God kosten, dat Hij dit deed ter wille van Melchizedek en Abraham, deze oude priester-vorsten, wier voorbede en zegen reeds de oordelen Gods over een verdorven wereld trachtten af te wentelen. Maar Hij wilde de derde zijn in hun verbond. Hij wilde het offer Zelf brengen, dat Hij Abraham bevolen had, maar hem niet had kunnen laten voltrekken. Hij wilde zijn eniggeboren Zoon geven (Joh. 3 : 16), om de wereld te behouden.
Deze Zoon zou de 'Priester in der eeuwigheid' zijn, die in de dagen zijns vleses gebeden en smekingen tot degene, die hem uit de dood kon verlossen, met sterke roeping en tranen, geofferd hebbende, en verhoord zijnde uit de vrees, hoewel hij de Zoon was, nochtans gehoorzaamheid geleerd heeft (Hebr. 5 : 6-8). God heeft Hem het lijden en de dood niet gespaard, zoals Hij het bij Abraham had gedaan, ofschoon Hij de Zoon was. Dit priesterlijke geheimenis heeft der Joden geuzenliedeke van de Heilige Geest ontvangen en voldragen, zoals Maria het kindeke Jezus. En zoals Simon de Heerlijke op de burcht te Jeruzalem zat aan de rechterhand van God, die daar op de Tempelberg woonde (Ps. 110 : 1), zo zal de Zoon, die zichzelf geofferd heeft, in de hemel ook zitten aan de rechterhand des Vaders.