De prediking
En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest en spraken het woord Gods met vrijmoedigheid.
Handelingen 4 : 31 (St.V.)
Het werk van een apostel is in de eerste plaats de prediking. Hem die verbieden staat gelijk met hem zijn ambt te ontnemen. Toen de Joodse overheid dat toch deed, antwoordden Petrus en Johannes dan ook, dat zij meer naar God zouden luisteren dan naar haar (Hand. 4: 19). En dat deden zij toen ook blijkens de tekstwoorden die hierboven staan. Zij spraken het Woord Gods onbevreesd.
Wanneer een apostel van Jezus Christus predikt, dan brengt hij een boodschap over van zijn Heer. Dat zegt alreeds het woord 'apostel'. Het is een koninklijke bode, achter wiens woord het gezag staat. Deze bode kan maar niet zeggen wat hij wil; zijn prediking is geen vrije vinding, maar heeft een duidelijke opdracht tot vooronderstelling. En de christelijke kerk blijft bij haar verkondiging daaraan gebonden.
Toch moeten wij ons die opdracht ook weer niet te zakelijk en notarieel voorstellen, alsof Jezus het hun om zo te zeggen, op een papiertje had meegegeven. Dan waren zij discipelen gebleven en geen apostelen geworden. Zij waren geen leerlingen, zoals de Joodse rabbi's die hadden, en die het alleen van de letter moesten hebben. Er staat in ons tekstwoord uitdrukkelijk bij, dat zij vervuld waren van de Heilige Geest. Dat wil heel duidelijk zeggen dat zij niet enkel een aantal woorden van Jezus moesten overbrengen en daarbij zelf ledig blijven. Neen, terwijl zij de boodschap brengen, worden zij ook vol des Heiligen Geestes en zij spreken met vrijmoedigheid; dat wil ook zeggen: met macht, zoals Jezus (Mark. 1 : 22) en in de vrijheid. Zij bidden ook om de wondermacht, die Jezus had, om daarmee hun prediking te kunnen bevestigen. Hun vrijmoedigheid staat daarmee in verband (Hand. 4 : 29 v.). Zij brengen ook niet één dor bevel over of één droge leer; integendeel, de Geest leidt hen in alle waarheid (Joh. 16 : 13). En terwijl dat gebeurt, wordt de wereld om hen heen bewogen (Hand. 4: 31).
Dit alles moet men wel bedenken, als er sprake is van prediken. De Amerikanen spreken op zendingsgebied gaarne over een 'to deliver the message', de boodschap overbrengen. Dat is het ook wel, maar onder voorbehoud dat wij niet vergeten, dat het een boodschap van God is en dat de Heilige Geest die leert overbrengen. Dat wisten die Amerikaanse negers, waarvan ik eens las, heel goed. Als hun dominee in de kerkdienst niet recht op dreef kon komen, dan riepen zij niet: 'Zeg nou gauw je boodschap', maar zij ondersteunden hem met de liturgische roep: 'Cheer him up', 'Leid hem in alle waarheid.. .,31 En dan begon allengs het spreken met macht.
Er lopen in de prediking twee lijnen waarvan geen van beide gemist kan worden en die met elkaar corresponderen; elkaar ook wel doordringen. De ene is die, waarbij de wil en het recht en de liefde Gods bij u worden thuisgebracht, zodat zij niet alleen voor anderen, maar ook voor u blijken te gelden en te zijn. Gods Woord is dan niet alleen een waarheid, maar ook een goed, dat u geschonken wordt. Het vindt op een wondere wijze zijn weg naar uw hart of mond, zodat gij smaakt dat de Here goed is (Ps. 34 : 9). Dit is zaligheid, waartoe men met de mond belijdt (Rom. 10 : 10). Deze zijde der prediking kan men de sacramentele noemen. Het heil wordt daardoor aan ons betekend en verzegeld.
De andere lijn der prediking keert zich van het goed naar God. Dat lezen wij al dadelijk van de eerste prediking, hoe de apostelen de grote werken Gods verkondigden (Hand. 2 : 11). De prediker laat dan het goed, dat hij uitdeelt, liggen en waagt zich in de waarheid. Waarheid is ook een goed, maar zij is, om te beginnen, niet een goed voor ons zelf alleen, maar ook voor anderen. En verder zien wij niet van alle waarheid, dat zij goed is voor ons of voor anderen. Er is veel meer goed in de waarheid, dan wij in onze harten gevoelen. Daarom zijn de martelaren ook niet gestorven voor het goed, dat de prediking hun belooft, hun eigen zaligheid, maar voor de waarheid zelf, dwz. voor de zaligheid ook van anderen en voor al het goed, alle zaligheid die er nog verder in de waarheid verborgen blijft en die wij niet kunnen bevatten. Alle zaligheid, die in alle eeuwigheid uit God vloeit, als uit 'een overvloedige fontein aller goeden' (Ned. geloofsbelijdenis, art. 1).
Dit is het element, waarin de prediking zich waagt en waarin zij zich beweegt, wanneer zij niet zal verdorren. Daar vindt zij de vrijmoedigheid, waarvan in onze tekstwoorden sprake is, de geestelijke vrijheid, de macht; als het zijn moet, het geweld. Haar wiekslag vindt hier steun aan alle kant. Het is alles waarheid rondom, naar alle zijden, en naarmate de prediking zich verder waagt van het eigen verkregen goed; naargelang zij zich toevertrouwt aan de 'volheid der Godheid', die in Christus woont (Kol. 2 : 9), wordt de draagkracht der waarheid groter en beweegt de prediking zich vrijer, wordt haar aanspraak en uitspraak vrijmoediger. Zij wordt dan ook steeds meer van haar individualiteit ontheven en wordt het werk van allen tezamen. Allen werden vervuld van de Heilige Geest, staat er in onze tekstwoorden. De prediker kan dan niet meer zeggen van wie de woorden zijn, die hij spreekt; van hem zelf of van zijn gehoor. Hij geeft ze en zij worden hem dan gegeven en het enige bewijs dat gegeven kan worden, is dan het geloof. Het geloof dat dan even natuurlijk en eenvoudig de woorden bevestigt als de waarheid, waarin de prediking zich gewaagd heeft, haar steunt en draagt. Ook de aanneming des persoons valt weg. De prediking richt zich dan niet meer tot deze of die bijzondere christenen. Zij gaat door tot 's harten en 's levens grond. Doven horen, blinden zien, kreupelen wandelen, doden worden opgewekt, de armen wordt het Evangelie verkondigd (Matth. 11 : 5).
De grootste apostel is de apostel der heidenen, Paulus. Iedere goede preek richt geen 'middelmuur des afscheidsels' op, maar verbreekt hem (Ef. 2 : 14).
Het 'amen', dat aan het eind van de preek door de gemeente of in haar naam door de voorganger gezegd wordt, is de liturgische uitdrukking daarvoor, dat de prediking zich in de waarheid heeft bewogen. De gemeente wil niet zeggen: Het is goed, het is een begeerlijk goed en ik neem het aan. Neen het betekent: Het zal waar en zeker zijn; veel meer waar dan ik in mijn hart gevoel, dat het een begeerlijk goed is (Heid. cat., vr. en antw. 129). Het wil zeggen: Het is 'van u af en verder'(1 Sam. 20 : 22) tot daar waar God zal zijn alles in allen (1 Kor. 15 : 28).
Dit 'amen' is in de preek het enige woord in een vreemde taal (in de zin van het pinkstergebeuren) dat ieder in zijn eigen taal verstaat (Hand. 2 : 8). Wanneer het goed is, moeten allen die het zeggen, tezamen vervuld zijn van de Heilige Geest. Het is de glossolalie, het spreken met tongen, dat in die vorm iedere prediking vergezelt.