O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← De schatgraverGods PoortenBrood voor morgen →

Verzamelde Werken, deel 8 · Gods Poorten · p. 117–119

De naaste

Gij zult uw naaste liefhebben.

Mattheüs 5 : 43

Naast God komt de naaste in de bijbel voor. Dit boek is als 't ware verdeeld tussen deze beiden. God en de naaste. Lees er de Tien geboden op na; vier hebben betrekking op de eerste, zes op de ander. En Jezus vat de hele wet aldus samen: God liefhebben en de naaste (Matth. 22 : 34-40). ⚑Deze deling is anders dan wij haar zouden willen of verwachten. Want nu schieten wij er zelf op over. Ja, er staat wel bij dat wij onze naaste moeten liefhebben als ons zelf, maar er blijft niet veel over, als wij met al die naasten gelijk-op moeten delen. Daarom voelen wij er meer voor om zelf met God te delen, zoals de jongste zoon uit de bekende gelijkenis van Lukas 15. Die gelijkenis zegt er wel duidelijk bij dat dit de beste weg is om tot de bedelstaf te komen, maar wij vergeten dat telkens weer. Wij denken er dan niet aan, dat alleen de naaste met God kan delen.

Toch overkomt het ons altijd weer. Wij spreken en denken en schrijven dan over God en de mens. En met die mens bedoelen wij ons zelf. En de naaste moet er dan op overschieten.

Maar op die manier laat God zich van de naaste niet scheiden. Beiden horen in de bijbel onverbrekelijk bijeen. Wanneer wij ons om de naaste niet bekommeren, dan doen wij dat ook niet om de Allernaaste. Omdat Hij ons nog veel nader is dan de anderen, moeten wij Hem boven alles liefhebben. Maar wij zullen Hem daarom juist des te meer haten, als wij 't rijk alleen willen hebben. Want achter God en met Hem komt de hele bende op ons af en de God die alléén komt, is niet de Vader van onze Here Jezus Christus.

Dit is een kwaad ding voor een mens die op zijn gemak en zijn rust gesteld is. Een oud leerboek, de Heidelbergse catechismus, zegt dan ook ronduit, dat wij van nature geneigd zijn God en de naaste te haten. Dat is heel zacht gezegd, met omwegen en verzachtingen. 'Van nature', alsof wij 't metterdaad niet helemaal waren; en 'geneigd', alsof het er maar zelden toe kwam. En toch, wat is er een kritiek op dat 'antwoord' van dit boekje geoefend. Deze kritiek is echter achterhaald, al was het alleen maar door de woningnood. De naaste is ons nader gekomen; meer dan God, vlak bovenop ons; alwetend, alziende, almachtig. En door die intensivering van het begrip van de naaste weten wij ineens, dat wij geneigd zijn - laten wij 't even voorzichtig zeggen als de catechismus - geneigd zijn dus, hem in zijn kwaliteit te haten; niet als mens maar als naaste. En omdat God de aanvoerder van de bende is, zijn wij (alweer geneigd) Hem met de bende te haten; God en de naaste te haten.

Men heeft het vaak precies de andere kant uit gezocht. Dan meende men het begrip 'de naaste' te moeten ontspannen, door het een wijder omtrek te geven. Mozes zou er dan mee bedoeld hebben een medeburger, een volksgenoot (wat zo is) en Jezus zou er onder verstaan hebben een medemens, een kosmopoliet. Het gebod van de naaste zou in het Evangelie niet meer tot het positieve recht behoren, maar tot het natuurrecht.13 Zo zou op dit punt de hele spanning uit de prediking van het koninkrijk verdwijnen. - Het is juist andersom. De Samaritaan en de Jood uit Lukas 10 zijn elkaars naasten in de hinderlijke zin. Zij zijn buren, die elkaar, elk met een eigen tempel, God afhandig zoeken te maken. Ieder van de twee ziet God aan zijn kant. De God die met die naaste is, haat hij. Zoals de Joden en Arabieren van nu. Welnu, zoveel spanning brengt Jezus in het woord. Zo ook in Mattheüs 5 : 43 en 44. Degenen die men lief moet hebben zijn hier niet degenen die verre zijn, maar die ons te na komen, die ons vervolgen. Hen moet men samen met God liefhebben.

Dit is de nood van de wereld en dit zijn de weeën der wedergeboorte. Daaraan lijdt de schepping en wanneer het voorbij is zal de wolf met het lam verkeren. Wij zijn geneigd de naaste in zijn kwaliteit te haten. Wij willen alléén met God delen en slechts met God. En omdat Hij het hoofd van alle naasten is, de allernaaste, zijn wij het allermeest geneigd Hem in zijn kwaliteit te haten. Bij deze haat ontmoeten wij Hem als onze tegenpartij, al hebben wij ook, menselijkerwijze gezien, honderdmaal gelijk.

Men kan de haat een absolute zonde noemen. Daarbij vergeleken zijn andere zonden begrijpelijk en vergeeflijk. Zij schijnen, naast de haat geplaatst, uitwendig of secundair te zijn. Zelfs het sadisme blijkt dan een half-psychologisch, half-lichamelijk nevenprodukt. Alleen de haat is gans inwendig. Hij is een onheilig vuur, waarin de geest ontstoken is, zonder zelf verbrand te worden. Het aangezicht vervalt (Gen. 4 : 5), de beenderen verrotten (Spr. 14 : 30), maar de haat brandt door en de geest wordt niet verteerd, evenmin als het braambos in de gloed van Gods heiligheid (Ex. 3). De haat is het tegenbeeld daarvan.

Dit is de toestand van de ziel, die het tegen God en de naaste opneemt. Die het grote gebod vergeet, het Evangelie in tweeën scheurt. Hier kan maar één middel helpen: het geloof in Jezus Christus. Wanneer ergens de naaste in de liefde tot God is opgenomen, als het geloof ergens compleet is, dan hier. Alleen Jezus' woord en werk kan de brand van de haat blussen. Waar hij blijft, daar ontstaat de hel.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← De schatgraverGods PoortenBrood voor morgen →