O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← WijdingGods PoortenEuropa →

Verzamelde Werken, deel 8 · Gods Poorten · p. 149–151

De gemeenschap

En zij waren volhardende in de leer der apostelen en in de gemeenschap.

Handelingen 2 : 42 (St.V.)

...de gemeenschap des Heiligen Geestes zij met u allen. Amen.

2 Korinthiërs 13 : 13

Naast het dienen, waartoe Jezus op aarde is gekomen (Mark. 10 : 45), bekleedt de gemeenschap, die door de Heilige Geest wordt gewerkt, in het Evangelie een grote plaats. Zij staan met elkaar in nauw verband. Zonder gemeenschap is er geen dienen mogelijk en ook het omgekeerde is het geval.

Wanneer wij dan ook zoeken naar de voornaamste karaktertrekken van de eerste christenheid, dan vinden wij deze gemeenschap (koinonia) genoemd als een van de beide dingen, waarin de leden der gemeente volhardende waren (Hand. 2 : 42): de leer der apostelen en de gemeenschap. En die gemeenschap wordt dan weer onderscheiden in de breking des broods en de gebeden. Behalve dat zij naar de prediking van Jezus' getuigen bleven luisteren, zochten zij dus ook naar een manier van leven, die daarbij paste. Zij oefenden zich in een levensvorm, waarin de leer der apostelen voor de wereld zichtbaar werd.

Het is goed daaraan te denken. Als in een kerkdienst op het einde de zegen wordt uitgesproken, de apostolische zegenbede zoals wij die gewoonlijk noemen, dan wordt ons toegebeden, dat de Heilige Geest, als wij thuisgekomen zullen zijn, zulke verhoudingen om ons heen moge scheppen, met de mensen en de dingen beiden, dat dit alles past bij de genade des Heren Jezus Christus en bij de liefde Gods, waarvan in die zelfde zegenbede ook sprake is. Ieder kan weten van hoe grote betekenis dat is. Hij herinnert zich wel hoe moeilijk de overgang van de kerk naar het huis of de maatschappij kan zijn. Hoe stroef de baan dan ineens kan worden voor de beweging van zijn geloof. Ongeveer zoals voor een schaatsenrijder, die van het spiegelgladde ijs plotseling op een plek komt waar zand gestrooid is. Zopas kon hij bij een flinke vaart met het grootste gemak zijn evenwicht bewaren en nu, terwijl hij bijna stilstaat, kost het de grootste moeite om niet te vallen.

Zo gaat het nu ook met de gelovige, die onder de prediking van de genade des Heren Jezus Christus en van de liefde Gods zich ontheven voelt aan de lasten des levens en aan de moeilijkheden van de samenleving en die, na het ‘amen’ in de kerk, daarin weer terug moet. Dan ontzinkt hem zijn onthevenheid en hij moet weer een lichtere of zwaardere last opnemen.

Misschien kan één omstandigheid hem daarover voorlopig al enigszins troosten. Het ‘amen’ in de apostolische zegenbede staat niet achter de genade van Jezus Christus of achter de liefde Gods, maar pas heel aan 't eind, achter de gemeenschap des Heiligen Geestes. De zegen blijft niet in de kerk, maar gaat mee naar huis en in de maatschappij. Hij heeft ook betrekking op dat stroeve stuk van het leven, waar de gemeente niet in belijdenis en psalm het hoofd omhoog steekt (Ps. 89 : 8 ber.), maar waar zij zich kromt onder de taak om aan het werk des Heiligen Geestes in de herschepping mee te doen. Dat deze overgang merkbaar is, is niet anders dan vanzelfsprekend. Het zou onnatuurlijk zijn en onreëel, als wij van het ene naar het andere terrein zonder erg overgingen. Wie het onderscheid tussen psalmzingen en kruisdragen niet kent, betoont daarmee, dat hij ze geen van beide kent. De leer der apostelen en de gemeenschap, waarin de eerste christenen volhardende waren, zijn twee heel verschillende dingen. Maar de zegen, die over de gemeente wordt uitgesproken, gaat over beide even goed.

Wie de eerste hoofdstukken van de Handelingen der apostelen aandachtig leest, krijgt de indruk, dat de ordening van de gemeenschap al heel spoedig stroever is gaan lopen dan de verkondiging des Woords. Dadelijk na Hand. 4 : 32-37, waar het uitvoerigst gehandeld wordt over deze dingen, begint het al. Hoofdstuk 5 vertelt van een echtpaar, dat met de beweging niet mee kan en daarbij de toevlucht neemt tot een leugen. Van deze zonde wordt tweemaal gezegd (vs. 3 en 9) dat zij zeer in het bijzonder werd bedreven tegen de Heilige Geest, wiens werk meer bepaald het scheppen der gemeenschap wordt geacht te zijn. Ananias en Saffira worden dan met de apostolische ban geslagen en vallen dood aan Petrus' voeten.

Dan volgt in hoofdstuk 6 een tweede storing in de ordening der gemeenschap. De Griekse Joden klagen er over, dat hun weduwen bij de oefening der gemeenschap achterstaan bij de Hebreeuwse en dit geeft aanleiding tot een splitsing der gemeente.

En nog steeds loopt het met de gemeenschap stroef. Wij rijden soms een flinke schaats in de leer der apostelen, terwijl wij dan tegelijkertijd brekebenen zijn in de gemeenschap, die er in Handelingen 2 vlak naast staat. Toch krijgen wij na iedere preek, na ieder getuigenis van de opstanding des Heren Jezus (Hand. 4 : 33), de gemeenschap des Heiligen Geestes mee naar huis. - Paulus, die niet als de andere apostelen in de Jeruzalemse gemeente geleefd had, was dat nog niet vergeten. Als hij onder de heidenen het Evangelie verkondigde, organiseerde hij tevens een collecte, een christelijke handreiking voor de gemeente te Jeruzalem.

Zo'n collecte heet dan ook een gemeenschap (koinonia). Waarom die collecte-stroom juist naar Jeruzalem? Men heeft wel eens vermoed, dat die armoede van de heiligen te Jeruzalem in verband stond met hun ernst in het beoefenen van de gemeenschap, waarvan Handelingen 2 : 43-47 en 4 : 32-37 getuigenis geven. Hoe dit zij, er moet bij het begin der christenheid, dadelijk na de uitstorting des Heiligen Geestes en onder het volle beslag van de heiligheid van die Geest, dat wil zeggen, van de barmhartigheid van Christus, een levensvorm beproefd zijn, waarbij de leer en de gemeenschap inderdaad tweelingen waren. En ik geloof dat zij gelijk hebben, die menen, dat de breking des broods en de gebeden, waaruit volgens Handelingen 2 : 42 de gemeenschap bestond, nog iets anders en meer is geweest dan wat de latere lezers van dit boek daarbij vaak dachten, nl. het Avondmaal met de daarbij behorende gebeden. De eerste christelijke gemeente heeft niet alleen een liturgische, maar ook een ware levensgemeenschap willen zijn.

Deze levensvorm is onder ons verloren gegaan. In de paulinische gemeenten was het nog slechts een handreiking aan de gemeente van Jeruzalem en bij ons nog minder: een bede in de apostolische zegen. Maar wij zijn het dus nog niet helemaal kwijt. En wij komen er zo niet af. Het is de gemeenschap, niet van ons, maar des Heiligen Geestes, de Herschepper. Na iedere onderwijzing in de leer der apostelen gaat Hij met ons mee uit de kerk om huis en maatschappij te wijden. De breking des broods moet niet alleen in de kerk plaats hebben, maar ook 'van huis tot huis' (Hand. 2 : 46), zoals de apostelen dat deden. Het is een zegenbede, maar tegelijk een taak, die de Herschepper ons meegeeft.

Wij zijn daarmee sedert de dagen der apostelen achterop geraakt. En de achterstand is zo geweldig, dat wij ze vanzelfsprekend zijn gaan vinden. Daarom kraakt de schepping in haar voegen. En de mensen, die het verst in haar geheimste samenvoegselen zijn doorgedrongen, de kenners der atoomkrachten, komen het ons in het openbaar verkondigen: De wereld zal één zijn of zij zal niet zijn.

Merkwaardig! dat heeft de Herschepper dadelijk in het pinksterevangelie al gezegd. De wereld heeft geen toekomst - zo zei onlangs een bekend Amerikaans staatsman - als de mensen niet een of andere radicale verandering ondergaan.34

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← WijdingGods PoortenEuropa →