De dwaas
Verdwaasd is de boze in zijn hartstocht. En de winzuchtige zegt Jahwe vaarwel. De boze hoont met opgetrokken neus Jahwe,- Hij straft niet,- er is geen God! zo zijn al zijn overleggingen.
Psalm 10 : 3 en 4 (Le.V.).
De dwaas zegt in zijn hart: Daar is geen
God.
Psalm 14: 1a (St.V.)
De psalmen behoren ook tot de vijf boeken der wijsheid, die een bijzondere plaats innemen in het Oude Testament, in onderscheiding van de wet en de profeten. Onder de wet verstaan wij de vijf boeken van Mozes; onder de profeten de andere boeken, behalve Job, Psalmen, Spreuken, Prediker, Hooglied. - Tussen die laatste nemen de Psalmen weer een eigen plaats in. Als liederenboek voor de tempel zijn ze natuurlijk anders van inhoud en vorm dan de chokma- of wijsheidsliteratuur.
Toch zijn er enkele psalmen, die, wat de vorm en ten dele ook wat de inhoud betreft, grote verwantschap met die literatuur vertonen. Ik denk hier o.a. aan de alfabetische psalmen. In het Hebreeuws begint dan ieder vers of een groter onderdeel van de tekst met een letter van het alfabet, op de rij af. In onze Statenvertaling staan de namen van die letters dan voor de verzen: bijv. bij Psalm 25.
De Psalmen 9 en 10, die oorspronkelijk één psalm waren en het in de Septuagint nog zijn, vormden samen ook zo'n alfabetisch lied. In onze Statenvertaling kan men dat niet meer zien. De letters staan er niet naast. In de Leidse vertaling, waaruit ik twee verzen heb overgeschreven, is dat wel het geval. Daar heeft men een Hebreeuwse tekst tot grondslag genomen, die men eerst door emendaties weer zuiver alfabetisch moest maken, omdat die kunstvorm in de grondtaal opzettelijk was verstoord. Neemt men die tekst over, dan geven Psalm 9 en 10 samen weer alle letters van het alfabet te zien. Dit wat de vorm betreft. Ook wat de inhoud aangaat, merkt men overeenkomst met de manier der wijzen. Zo in Psalm 10 : 3, waar men hierboven leest: "Verdwaasd is de boze." Doch 'verdwaasd' kan de lezer in de Statenvertaling ook niet terugvinden. Het berust op een verbetering van de Hebreeuwse tekst, waardoor tegelijk de letter M weer in de alfabetische rij hersteld wordt. Voor die verbetering is veel te zeggen. Ook in Psalm 14 (zie boven) is het de dwaas, die zegt: "Daar is geen God." Welnu, de boeken der wijsheid verdelen de mensen in wijzen en dwazen; een onderscheiding, die men in het Oude Testament bijna uitsluitend daar aantreft. En zo doen onze teksten daaraan mee. En zo wordt er in deze psalmen een ferment gebracht, dat men buiten de wijsheidsprediking zo niet vindt; iets wat ik de heilige karikatuur zou willen noemen. De boze of goddeloze moet men uittekenen, als men hem goed wil zien. Datgene wat hem tot een dwaas maakt, moet in de tekening een beetje vergroot worden. Bijv. de omhoog gestoken neus, zoals in onze eerste tekstwoorden gebeurt. In dat opzicht heeft de Statenvertaling het penseel beter gehanteerd dan de Leidse. Psalm 10 roept om een pentekening. Ik heb de dwaas eens in effigie gezien. Meer dan een halve eeuw geleden op een dorp in Beieren, waar pastoor Kneipp bij de gratie Gods geneesheer was. De hele wereld was er. De dwaas uit Psalm 10 was er ook. Het was een individu, dat zich overal indrong, met niet geheel zuivere bedoelingen. Hij spande een net in het verborgene (Ps. 9 : 16) en loerde op de onschuld (Ps. 10: 8). Een oudere Franse dame, een van die alomtegenwoordige en alwetende figuren, die men op badplaatsen aantreft, had hem in de gaten. Op een zekere dag verscheen zijn konterfeitsel op de deur van een winkel. Men zag een ruime overjas, een flambard en een omhoog gestoken neus. Meer niet. En daaronder de woorden: 'Le vois-tu?' Meer niet. Maar genoeg om deze boze met de noorderzon te doen verdwijnen.
De neus is een merkwaardig lichaamsdeel. Ogenschijnlijk zoudt ge hem beter kunnen missen dan het oog of het oor. En toch? Wie zijn neus schendt, schendt zijn aangezicht, zijn menselijkheid. De eenogige reus Claudius Civilis inspireerde Rembrandt voor zijn bekend kunstwerk.39 Maar een geschonden profiel verliest het menselijk wezen. Wie dit orgaan op de wijze van Psalm 10 omhoog steekt, keert zijn menselijkheid tegen God. Er ligt een ontkenning in opgesloten. En die ontkenningen staan er bij in deze psalm en in Psalm 14.
Alleen zou ik ze minder theoretisch willen opvatten dan in de beide vertalingen, die ik gebruikte, is gedaan. Ik geloof niet, dat de dwaas uit de psalmen een godloochenaar is. Hij zegt, als hij zijn neus omhoog steekt, niet: 'Er is geen God', maar: 'God is er niet'. Ik zie Hem niet, dus doe ik wat ik wil. Hij let er niet op; Hij onderzoekt het niet. Werkelijk, ik zie Hem op 't ogenblik nergens. Ziet gij Hem? - Dat zijn precies de ontkenningen, die in het omhoog steken van de neus des dwazen liggen opgesloten. Deze dwaas is geen Mefisto, geen geest die steeds ontkent. Hij ontkent, als het hem te pas komt. Hij gelooft ook nog wel, evengoed als de duivelen. Maar hij siddert niet, zoals deze laatsten (Jak. 2 : 19). Dat houdt hij van zich af door zijn neus omhoog te steken.
Deze boze uit de karikatuur komt men overigens niet zo vaak tegen in het leven, evenmin als de volmaakte Farizeeër. Bij Dickens misschien, maar in het leven zelden. Het boek Job staat naast de Psalmen. De mens is uit een vrouw geboren (Job 14: 1) en dat behoedt hem er vaak voor zijn neus omhoog te steken. Hij zit te vaak in de as. God kan ook wel van hem afkomen als Hij wil. Hij kan een karikaturist op hem afsturen en Hij deed het in Psalm 10. Dan kan Hij zeggen: 'Le vois-tu?' en dan is de dwaas er niet meer, in plaats dat God er niet zou zijn. - Hij doet dat echter maar zelden. In de bijbel merkt men er buiten een enkele psalm en de Spreuken niet veel van. Daarvoor neemt God de mens te veel in ernst. Hij heeft zelf de adem in zijn neusgaten geblazen (Gen. 2: 7) en hem daardoor tot mens gemaakt. God spot niet graag met hem, ofschoon Hij het een enkele maal moest doen (Ps. 2 : 4). Vaker toornt Hij over hem. Maar ook dan nog is er "een ogenblik in zijn toorn, maar een leven in zijn goedgunstigheid" (Ps. 30 : 6).