O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← RoepingGestalte en GeestHet Evangelie en Rome →

Verzamelde Werken, deel 8 · Gestalte en Geest · Deel III · Boek 2: De apostel des Geestes · p. 382–384

Zending

Paulus, een dienstknecht van Jezus Christus, een geroepen apostel, afgezonderd tot het Evangelie Gods.

Romeinen 1 : 1 (St.V.)

Wie is Paulus?

Hij stelt zichzelf voor in onze tekstwoorden, aan het begin van zijn brief aan de Romeinen. En op deze of soortgelijke wijze gebeurt dat ook in andere brieven. In de oudheid deed men dat niet aan het eind, maar aan het begin van een brief. Er is weinig persoonlijks in deze groet. Alleen de naam. Alle nadruk valt op het ambt. Hij is een dienstknecht van Jezus Christus, een geroepen apostel, afgezonderd tot het Evangelie Gods. - Op dat apostolaat, op die roeping, op zijn onbeperkte horigheid aan Jezus Christus legt Paulus hier en elders bijzondere nadruk. Zijn leven is niet meer zijn eigen, maar is van Jezus Christus (Gal. 2 : 20). Het prediken van het Evangelie is daarom voor hem levensvoorwaarde (1 Kor. 9 : 16). Tot die dienst is hij door de wil van God afgezonderd.

Inderdaad is het leven van Paulus bijna restloos in zijn apostolaat opgegaan. Wat wij van hem weten uit de tijd vóór zijn roeping, is weinig; maar het is genoeg om ons een indruk te geven van de volledigheid van de ommekeer, die zijn dienstbaarheid aan Jezus Christus heeft bewerkt. Zijn afkomst, zijn temperament, zijn ijver voor de wet, zijn kennis van de toenmalige wereld, het is alles opgegaan in zijn apostolaat (Gal. 2; Fil. 3). ⚑Wanneer wij ons een persoonlijk beeld van hem zoeken te vormen, dan is dat heel moeilijk. Wij worden ook niet in de verzoeking gebracht er over te gaan fantaseren, wat hij geworden zou zijn, als Jezus hem niet had ontmoet. Paulus' eigen leven kan slechts betekenis hebben als materiaal voor zijn zending. Slechts een enkele maal speelt de Jood of de Romein ook hem nog parten. Alleen bij weinige, uitzonderlijke gelegenheden moet men er toch even aan denken, dat hij ook een eigen Joodse naam, Saulus, draagt en dat hij als Romeins burger als Paulus staat ingeschreven. Ik denk hier aan de handigheid, waarmee hij zich aan een vonnis door de Joodse raad onttrekt (Hand. 23) en aan de fierheid, waarmee hij zich in de Romeinse legerplaats tegen een geseling verzet. - Maar meestal is Paulus naamloos, een dienstknecht van Jezus Christus, een geroepen apostel, een afgezonderde tot het Evangelie Gods. Wie hem ontmoet, komt eigenlijk in aanraking met zijn Zender, overeenkomstig de aard van zijn ambt. Zijn leven is geen roman, maar een dienst.

In dit opzicht is de apostel slechts overtroffen door zijn Heer. Het leven van Jezus Christus zelf gaat niet bijna, maar werkelijk geheel op in zijn ambt. Wij hebben in de bijbel ook niet een korte voorgeschiedenis van de Heiland der wereld, zoals wij die nog hebben bij zijn apostel. Van zijn geboorte af aan was Hij reeds in de dingen zijns Vaders (Luk. 2 : 49). Jezus was ook geen Jood; Hij droeg geen Joodse naam, maar een van God gegeven naam (Matth. 1 : 21 vv.; Jes. 7 : 14). En Hij was geen Romeins burger. In de Joodse raad heeft Hij zich niet aan een vonnis onttrokken en Hij deed dat met de geseling voor Pilatus evenmin. Er is niets in de evangeliën, waarin wij een eigen leven van Jezus zouden kunnen vinden, buiten zijn ambt om. Pascal heeft gewezen op deze volmaakte obscuriteit van Jezus in deze wereld.83

Van deze Heer is Paulus een dienstknecht geworden. Voortaan achtte hij alles waarop hij zich zou kunnen verheffen, de hele romantiek van zijn leven, schade en drek (Fil. 3 : 8). Daar is niets in zijn brieven, wat hij meer van ganser harte heeft gedicteerd dan dit opschrift, waarin hij belijdenis doet van zijn horigheid, zijn roeping en zijn afzondering.

Wel weet hij, dat hij het nog niet gekregen heeft, waartoe hij van Christus Jezus gegrepen is, maar hij jaagt daarnaar, of hij het ook grijpen mocht. Het doelwit van zijn roeping is, dat zijn leven restloos in zijn apostolaat zal opgaan (Fil. 3 : 12). Er schijnt in dit opzicht een zekere wederkerigheid te bestaan tussen de dienstknecht en de Heer. Het lijkt alsof de Opgestane na Pinksteren de apostelkeuze uit de evangeliën in die éne roeping van Paulus heeft samengevat. Alsof Paulus eigenlijk de apostel van Jezus Christus geweest is, waardoor de Twaalve tot op zekere hoogte werden vervangen. Paulus, die zichzelf de minste van de apostelen noemt, zegt toch ook dat hij, door de genade Gods, overvloediger gearbeid heeft dan zij allen (1 Kor. ⚑15 : 10). In ieder geval is de structuur van de Handelingen der Apostelen door een dergelijke opvatting bepaald. In het eerste gedeelte van dat boek wordt ons de gemeente te Jeruzalem getekend, met de twaalf apostelen in haar midden. Maar dan verder is alle aandacht op Paulus gericht en op zijn brieven. Die laatste werden de bijbel van de eerste christengemeenten en werden in de kerkdiensten gelezen.

Zo vinden wij voor het Nieuwe Testament een zekere twee-eenheid in Jezus en Paulus, zoals wij die voor het Oude Testament vinden in Mozes en de profeten. Jezus' werk is nog niet af, als zijn omwandeling met de Twaalve is afgesloten. Ook nog niet, als de pinkstergemeente te Jeruzalem gevestigd is en Joden uit alle landstreken zich daarbij hebben aangesloten. Er blijft nog over de grote katholiciteit, het alles tot één vergaderen in Christus (Ef. 1 : 10); het wegbreken van de tussenmuur, die scheiding maakte (Ef. 2 : 14 Vert. NBG.); het prediken van het Evangelie aan alle creaturen. Daarbij vergeleken was al het andere, ook de stichting van de Jeruzalemse gemeente met de Twaalve, voorbereiding. De houding, die Paulus tegenover Petrus en Jakobus aanneemt, gaat daar ook van uit.

Paulus heeft zijn jodendom 'schade' en 'drek' geacht. Dat hij een koningsnaam, Saul, droeg, interesseert hem niet meer. Dat hij één van de Twaalve was, een Benjaminiet, evenmin. Alleen zijn geweldig ambt gaat hem ter harte; zijn dienen van Jezus Christus; zijn apostolische roeping; zijn afgezonderd zijn tot het Evangelie Gods. - Daarom kunnen wij het Nieuwe Testament met de namen Jezus en Paulus betekenen. Het zijn de beide naamlozen en statenlozen in de wereld. Jezus en Christus, dat zijn beide ambtsnamen: God-met-ons en Gods Gezalfde. Het leven gaat hier restloos op in de vervulling dier ambten. Saulus gaf zijn naam prijs en droeg achteloos een andere, die hem slechts diende om zich overal als burger te kunnen legitimeren. Hij leerde de mensen alles te doen in de naam des Heren Jezus (Kol. 3 : 17), in welke naam hij zelf ook zijn zending vervulde. - Christus' koningschap en Paulus' burgerschap waren in de hemelen. Op aarde waren zij gezonden om te dienen. Paulus is daartoe door Jezus gegrepen. Zijn zending bestond hierin, dat hij een dienstknecht zou zijn van Hem, die gezegd heeft: "Ik ben in 't midden van u als een die dient" (Luk. 22 : 27). Deze verdubbelde en zeventigmaal zevenmaal vermenigvuldigde dienstbaarheid vormt de heerlijkheid van de christelijke zending.

Eindnoten

  1. 83

    Pascal, Pensées et Opuscules, ed. Brunschvicg, Parijs 1951, p. 694 (Pensée 786): "Jésus-Christ dans une obscurité (selon ce que Ie monde appelle obscurité) telie que les historiens, n'écrivant que les importanties choses des P-tats, I'ont à peine apergu." (Vgl. ook p.695, Pensée 787 vv.)↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← RoepingGestalte en GeestHet Evangelie en Rome →