O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← God gevangenGestalte en GeestOnschendbaar →

Verzamelde Werken, deel 8 · Gestalte en Geest · Deel 1 · Boek 2: Gestalte en Geest · p. 212–213

Verworpen

Er was een man uit Benjamin, Kis geheten ... deze had een zoon, Saul geheten, jong en schoon; onder de Israëlieten was er niemand schoner dan hij,- hij stak een hoofd uit boven al het volk.

1 Samuël 9: 1 v. (Vert. NBG.)

Omdat gij het woord des Heren verworpen hebt, heeft Hij u verworpen.

1 Samuël 15: 23 (Vert. NBG.)

Onze Statenvertaling had: "van zijn schouderen en opwaarts was hij hoger dan al het volk". Dat was meer letterlijk naar het Hebreeuws, zoals ook de Septuagint, en het had tevens zijn voordelen. De nieuwe vertaling is hier meer gewoon; de oude meer dichterlijk en beeldend. Men ziet dat machtige hoofd uit de nek oprijzen als het kapiteel uit een zuil. Het is er hier niet om te doen Saul de maat te nemen voor de nationale militie, maar om het koninklijke van zijn gestalte te doen uitkomen te midden van zijn toekomstige onderdanen. En dat wordt nu juist in de nieuwe vertaling verwaarloosd. Saul is een zeldzame, vreemde figuur in de bijbelse geschiedenis. Behoort hij ook bij wat wij de bijbelheiligen noemen? Neen? Vreemd! Dit koninklijk hoofd en dit koninklijk hart; vol gratie voor zijn vijanden (1 Sam. 11 : 13); rechtvaardig tot in het ongerijmde en absurde (1 Sam. 14: 44); bereid om schuld te bekennen bij ongelijk (1 Sam. 24 : 18), en toch geen bijbelheilige? De profeten kunnen de ogen niet van hem afhouden. Zij hebben zijn historie beschreven met een liefde en een kunst, die, ook in de bijbel, ongeëvenaard zijn. Hun verhaal tovert ons een tragiek voor ogen, die in diepte het Griekse treurspel verre overtreft. En geen enkel van Shakespeares Tales is zo levenswaar als het reciet van Israëls eerste koning.12⌫ - Was Saul ook zelf niet onder de profeten? Was dat zelfs niet spreekwoordelijk geworden (10 : 11 v.)? Hadden zij hem niet omzwermd als bijen hun koningin, toen Samuël hem had gezalfd (10 : 5)? En toch geen bijbelheilige?

En Jonathan dan, zijn zoon! Leefde ergens elders een koningszoon van zulk een hoge adel des harten en zulk een moedige inborst? En Michal, zijn dochter? Heeft ooit een andere prinses het hart zo hoog gedragen?

Nog altijd, over de eeuwen heen, worden wij op zeldzame wijze aangetrokken tot deze koningsloot uit de stam Benjamin. Hoe konden zulk een adel en zulk een hoogheid ontluiken in een omgeving als ons beschreven wordt in de laatste drie hoofdstukken van het boek Richteren? - Soms schijnt het alsof God een straal van het demonische, het bovenmenselijke laat spelen over zijn eigen schepping. Daar, waar die straal het leven treft, ontstaat dan een uitstulping, die zich aan de wet der schepping schijnt te onttrekken om onder en boven die wet een eigen bestaan te gaan voeren. God slaat het ook zelf gade met een verraste, onzekere en kritische blik. Deze verschijning maakt de indruk van jeugd, schoonheid en hoogheid en boeit zelfs het goddelijk oog uitermate. Maar kan zij ook heilig genoemd worden? - Ook buiten de bijbel, vooral bij de Grieken, zijn zulke vragen telkens gesteld. Maar in de bijbel is alles er om gaan draaien. God overwint zijn aarzeling; Hij trekt zijn blik van welgevallen van Sauls schone gestalte en hoog hart af en de profeten doen dat spoedig met Hem mee. Het berouwde Hem, dat Hij Saul tot koning had aangesteld, want deze wilde barmhartiger zijn dan Hij zelf. Samuël zegde de koning aan, dat de Here hem verworpen had (15 : 26). Hetzelfde is later met Michal gebeurd, omdat zij zich geërgerd had aan Davids nederigheid (2 Sam. 6: 23). Alleen Jonathan, die zijn hart geheel aan David verloren had, is niet onder dit oordeel gekomen.

Laten wij bekennen dat wij moeite hebben, deze wending van de Here en van zijn profeten mee te maken. De bijbel onderworpen te lezen is niet altijd gemakkelijk. Wij komen in verzet en weigeren de verwerping van de schone koning en van de hooghartige prinses te aanvaarden. Als wij tenslotte kijken in de uitgebrande krater van Sauls leven, dan zijn wij meer geneigd opstandig op te komen voor het mensenlot dan ons ootmoedig te buigen voor God. De tragiek spreekt ons meer toe dan de heiliging des levens. De demonische uitstulping dan de goddelijke ontlediging (Fil. 2 : 7).

Wij mogen God echter wel op onze knieën danken, dat Hij, na enige aarzeling, de laatste gekozen heeft. Dat Hij berouw gehad heeft van zijn eerste keuze en dat een andere koning de man zijns harten geworden is. Daarom heet ook Jezus de Zone Davids en niet de Zoon van Saul. Dat slaat niet alleen op het bloed, maar meer nog op de geest.

Was het andersom gegaan, dan zou Jezus een demon geworden zijn en de kerk zou zijn godheid niet hebben kunnen belijden. Zijn gedaante zou een uitstulping van het humane vertoond hebben en God had ook Hem moeten verwerpen. Maar Hij koos een menswording, bestaande in ontlediging, en als mens koos Hij de vernedering tot de dood des kruises. En nu kon God Hem verhogen (Fil. 2 : 7 vv.).

Daarom moet men eens ophouden met te zeggen en te schrijven, dat Christus door zijn incarnatie de mensheid heeft willen eren, zoals een aanzienlijke gast zijn intrek neemt in het beste hotel van de stad. En men moet ophouden met al de gevolgtrekkingen, die men daaruit afleidt. Dat betekent een demonisering van ons christelijk geloof.

Eindnoten

  1. 12

    Bedoeld zullen zijn de toneelstukken; het woord 'Tales' is hier waarschijnlijk afkomstig van de proza-uitgave Tales from Shakespeare door Mary en Charles Lamb.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← God gevangenGestalte en GeestOnschendbaar →