O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← PaulusGestalte en GeestRoeping →

Verzamelde Werken, deel 8 · Gestalte en Geest · Deel III · Boek 2: De apostel des Geestes · p. 378–380

Verkiezing

Handelingen 9 : 1-9

De verschijning van Jezus aan Paulus draagt een ander karakter dan die aan de discipelen tussen Hemelvaart en Pinksteren. Het is merkbaar, dat de Heilige Geest is uitgestort. Jezus toont nu geen handen en voeten, geen vlees en been (Luk. 24: 36 vv.) en Hij laat zijn wonden niet zien. Er is alleen een licht en een stem en de mannen, die er bij waren, zagen ook het licht niet, maar hoorden alleen de stem (vs. 7). Het woord is nu de hoofdzaak geworden, meer dan de verschijning. Het is meer een gesprek dan een ontmoeting. Paulus zegt dan ook in een brief aan de Korinthiërs (2 Kor. 5 : 16), dat deze geestelijke zijde van de verschijning voor hem de voornaamste gebleven is. Hij verlangt in dat opzicht niet met de andere apostelen, die Jezus zo goed `naar het vlees' gekend hebben, gelijkgesteld te worden. Hij wil wel "een ontijdig geborene" (1 Kor. 15 : 8) heten. Een apostel, die pas na Pinksteren geroepen is en die Jezus dus minder naar het vlees en meer naar de Geest kent. Onder die gezichtshoek wil hij zijn hele roeping zien. En daardoor laat hij de keuze van zijn arbeidsveld en de inhoud van zijn prediking bepaald worden.

Dit bijzondere van Paulus' apostolaat is in de kerk niet steeds scherp genoeg opgemerkt. Toch geldt het ook hier, dat God hetgeen niets is heeft uitverkoren en zo de minste der apostelen het overvloedigst heeft laten arbeiden (1 Kor. 15 : 10). Wat Petrus en Johannes grote schade zouden hebben geacht, nl. als zij pas na Pinksteren door Jezus waren geroepen en heel de omwandeling met Hem hadden gemist en ook de verschijningen vóór Pinksteren, dat wordt op de weg naar Damascus voor Paulus tot een voordeel. En daarom acht hij nu voortaan niet alleen zijn besnijdenis ten achtsten dage; zijn afstamming uit Israël, uit de koningsstam Benjamin; zijn hebreeërschap, zijn farizeeërschap, zijn onberispelijkheid naar de wet schade (Fil. 3 : 7), - hij doet dat ook, omdat hij God in de Geest wil dienen, en in Christus Jezus roemen, en niet in het vlees betrouwen (Fil. 3 : 3). Maar dat dienen in de Geest, dat in Christus Jezus roemen, dat niet in het vlees betrouwen heeft nog een verdere strekking voor hem. Dat hij Christus naar het vlees gekend heeft, wil hij eveneens schade achten. Hij zal er niet in roemen, dat hij Hem gezien heeft: waar het voor hem voortaan op aankomt, is dat hij Hem gehoord heeft. Het voordeel, dat Petrus en Johannes op hem hadden, acht hij daarom ook schade. Hij aanvaardt de betekenis van de uitstorting des Heiligen Geestes volledig en gedraagt zich daarnaar in zijn apostolaat en bij zijn prediking. Hij gaat tot de heidenen, die naar het vlees niet met Christus verwant zijn; die Hem ook niet hebben gezien. Hij predikt de genade en het geloof aan degenen, die ook in hun werken geen betrekking met Christus hebben gehad; die de wet niet hebben, waarin Israël Christus naar het vlees zoekt en niet naar de Geest.

Zo is Paulus' ontijdige geboorte, zijn roeping na Pinksteren, geworden tot het beginsel van een dienen van God in de Geest. Voor hem is het Evangelie geworden tot een stem en zo wil hij Jezus voortaan kennen. In die vorm zijn de verschijningen van Jezus in de kerk blijven voortgaan. Het kost de kerk steeds veel moeite dit spoor van de apostel Paulus in het oog te houden en te volgen. Zij komt steeds weer in verleiding om aan het verkeer met Jezus, zoals het ons in de evangeliën getekend wordt, een gestalte te geven. Of om aan de gemeenschap van Jezus met zijn discipelen tussen Hemelvaart en Pinksteren op sacramentele wijze uitbeelding te schenken. Men wil, om zo te zeggen Jezus weer laten verschijnen, omdat men niet genoeg heeft aan zijn stem. Men wil achter Pinksteren terug.

Deze terugkeer in het Evangelie heeft Jezus zelf afgesneden door de roeping van Paulus. Het verschijnen van Jezus, het kennen van Hem naar het vlees, wordt na Pinksteren tot verkiezing, waar een roeping door de stem van Jezus op volgt (Rom. 8 : 29 v.).

De verkiezing en de roeping door de stem van Jezus behouden een zekere overeenkomst met de verschijningen van de Heer. Deze laatste hebben iets zeer persoonlijks. Jezus verscheen aan Maria Magdalena, aan Petrus, aan de beide Emmaüsgangers, aan Thomas. Wanneer de Heer niet meer naar het vlees gekend wordt, maar naar de Geest; wanneer de verschijning tot verkiezing wordt en de verkiezing tot roeping, dan verdwijnt dit persoonlijke niet. Voor Paulus heeft het juist ontzaglijke betekenis gehad. Daarom mogen wij dit eigene aan de verkiezing niet ontnemen. De zoetheid daarvan, dezelfde die de verschijning had voor Maria Magdalena, toen Jezus haar naam noemde, en voor Petrus, toen Jezus hem vroeg of hij Hem liefhad; voor de Emmaüsgangers, toen Jezus op hun droefheid inging en voor Thomas, toen Hij voor hem alleen nog eens terugkwam, - deze zoetheid kan de verkiezing alleen behouden, als zij niet te zeer veralgemeend wordt. Ook het misbruik, dat daar in de kerk soms van gemaakt wordt en de ziekelijke afwijkingen, waartoe deze zoetheid leiden kan, mogen ons er niet toe brengen de mensen af te raden hun roeping en verkiezing vast te maken (2 Petr. 1 : 10).

Na Pinksteren nemen de verschijningen van Jezus deze geestelijke vorm aan. Daarom noemt de Westerse kerk, die Paulus' prediking het best heeft verstaan, de verkiezing dan ook het hart der kerk. Wie daaraan raakt, veruitwendigt het geloofsleven. Ook brengt hij, door een opzettelijk verbreden van het doel der verkiezing, vaak schade toe aan de diepte daarvan.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← PaulusGestalte en GeestRoeping →