Vastheid
Zijt Gij het, die komen zou, of hebben wij een ander te verwachten?
Mattheüs 11 : 3 (Vert. NBG.)
Men zou onze tekstwoorden de gevaarlijkste vraag kunnen noemen, die er in het Evangelie voorkomt. Zo nu en dan kwam er later ook wel eens een Farizeeër of een Sadduceeër tot Jezus met een opwerping (Matth. 22 : 15-40). Maar vergeleken met zulke splinters mag de vraag van Johannes wel een balk heten. Hier wordt de hele zending van Jezus in de waagschaal gesteld. Maar juist daarom is het van zoveel belang om op te merken, hoe Jezus daarop reageert. De vraag waarmee zijn zending in de waagschaal wordt gesteld, veroorzaakt niet het minste spoor van onzekerheid. Ook niet voor één enkel ogenblik.
Er heerst rondom deze gevaarlijke vraag in dit gedeelte van het Evangelie een monumentale rust. Niet minder, maar meer dan elders. 't Doet denken aan een beeldhouwwerk, uit graniet gehouwen. Jezus zelf, midden in zijn heilandswerk (4 vv.). Daartegenover Johannes de Doper, de engel, die de weg bereidt (7-15). En daaromheen de mensen, aan wie het Koninkrijk gepredikt wordt. Zij zijn voorgesteld als spelende kinderen. Zij zijn moeilijk en verwend. Wil men hen een begrafenis laten spelen, zoals Johannes, dan heet dat te ernstig. Probeert men het met een bruiloft, zoals Jezus, dan is het weer te vrolijk. Het ontstaan van deze beelden, van deze monumentale figuren, dat is nu het resultaat van Johannes' gevaarlijke vraag. Er wankelt niets; er waggelt niets. Johannes heeft vroeger gepredikt: "Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen" (Matth. 3 : 2). Sedert is hij gevangen en zijn hoofd zal spoedig liggen op een schaal in de handen van een koningsdochter. Maar Jezus heeft intussen de prediking al overgenomen: "Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen" (Matth. 4 : 17). - Thans echter schijnt niet alleen Johannes' hoofd op zijn romp te wankelen, maar ook het hart binnen in hem te sidderen: "Zijt Gij het, die komen zou, of hebben wij een ander te verwachten?" En weer schaadt dat het Koninkrijk niet en Jezus niet en - Johannes zelf ook niet. In het monument van het komende Koninkrijk, midden in het Evangelie in Mattheüs 11, staat zijn figuur ten aanschouwen van de wispelturige mensheid opgesteld, gemodelleerd door de Meester zelf. En iedere lijn, die er aan op te merken valt, is er een van kracht en van vastheid des geloofs.
Het verhaal van de vraag van Johannes, in Mattheüs 11, staat zeker niet in de bijbel om hem als twijfelaar te tekenen. Het is er om de beschrijving van het Koninkrijk der hemelen te doen. En bij dat Koninkrijk staat Johannes de Doper naast Jezus, ook in dit verhaal.
Wij koketteren soms met de twijfel. Wij maken er dan iets gewichtigs, iets groots van. Wij doen alsof men altijd beginnen moet met eerst dapper te twijfelen, voor men aan de waarheid kan toekomen. Het zou, meent men, niet goed staan zich daaraan over te geven zonder terughoudendheid. Men zal zich te weer stellen, mannelijk en kritisch, voor men daartoe overgaat. Het lijkt dan wel alsof de twijfel waarheid voortbrengt en of het Koninkrijk der hemelen een produkt is van onze kritische werkzaamheid. Dat noemen wij dan eerlijke twijfel en wij stellen die soms boven een oprecht geloof.
Van dat alles vinden wij niets in ons teksthoofdstuk. Van Johannes zagen wij het al. Zijn gevaarlijke vraag komt er voor Jezus toch op neer, dat hij zijn medespeler is in het Evangelie. Zijn twijfel wordt niet tragisch genomen en nog minder interessant geacht. De evangelisten schrijven geen psychologische romans, maar verkondigen de grote werken Gods. De echte twijfel - niet die pedante gewichtigdoenerij van zoëven - maar de twijfel, die zijn naam terecht draagt, die een mens in tweeën scheurt, als een wild dier, - die is niet interessant, maar vreselijk. Hij heeft met eerlijkheid niets te maken. Het is het geloof der bedriegelijkheid. De bedriegelijkheid der werkelijkheid; de leugenachtigheid van God. Daar is de zonde mee begonnen (Gen. 3 : 1) en daar zal zij mee eindigen. Daarom heet de duivel ook de vader der leugen (Joh. 8 : 44).
De echte twijfel betekent niet, dat wij de werkelijkheid loslaten, maar dat zij ons loslaat. Wij hebben dan geen vat meer op de waarheid. Zij bedriegt ons aan alle kanten. Wat de twijfelaar zoekt te grijpen, ontglipt aan zijn vingers. Het verandert onder zijn handen. Het was er en is er niet meer. Het moest er zijn en is er toch niet. De wachter op de toren ziet de morgenstond komen, maar toch blijft het nacht (Jes. 21 : 11). Vader Isaäk meende Ezau te zegenen en het was Jakob. En de bedrieger Jakob meende Rachel getrouwd te hebben en zie, het was Lea (Gen. 27 : 19; 29 : 25). - Niet de subjectieve eerlijkheid van een twijfelaar komt hier op de voorgrond, maar de objectieve bedriegelijkheid van de werkelijkheid zelve. Deze geeft geen aanleiding tot zelfvoldaanheid en trots, maar tot een "verschrikken met zeer grote verschrikking gans zeer" en tot een "schreeuwen met een grote en bittere schreeuw gans zeer" (Gen. 27 : 33 v.). Dit is een voorportaal der hel, als de grote ontbinding komt en de leugen het fundament aller dingen wordt. Als alle dingen elkaar gaan tegenspreken en alle woorden elkaar gaan logenstraffen.
Van deze twijfel is de vastheid van het Koninkrijk der hemelen het tegendeel. Johannes de Doper was nog iets minder dan de minste in dat Koninkrijk (Matth. 11 : 11). En toch kan hij wel met zijn gevaarlijke vraag tot Jezus komen. Het Koninkrijk stort daardoor niet ineen. Het enige gevolg is, dat Johannes in Jezus' rede zijn standbeeld krijgt bij de ingang van dat vast gebouw van Gods gunstbewijzen, dat naar zijn vast bestek in eeuwigheid zal rijzen. En Jezus zelf zal aan het kruis een nog veel gevaarlijker vraag kunnen stellen, als Hij roept: "Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?" De grond der zaligheid wordt er niet door bewogen. "Heden" gaat Jezus nog in het paradijs en ten derden dage zal Hij opstaan.
Daarom, wanneer uw hart eens siddert voor uw leven en uw lip eens beeft om uw lot, neem het niet te tragisch. God doet het ook niet. Aan uw leven en uw lot gaf Hij van eeuwigheid gestalte in zijn Koninkrijk.
Ons geslacht moet weer eens kiezen tussen deze vastheid en de bedriegelijkheid ener zondige werkelijkheid. Tussen de waarheid en de leugen.