Uitzichten
Want dewijl de dood er is door een mens, is ook de opstanding der doden door een mens.
1 Korinthiërs 15 :21 (Vert. NBG.)
Aan het slot van een vorige meditatie (p.306) merkte ik op, dat uit de opstanding Christus' mensheid blijkt, zoals zijn godheid blijkt uit het kruis. Deze ietwat paradoxale uitspraak wordt zeer helder belicht door wat Paulus schrijft in onze tekstwoorden. Pasen heeft ook een andere zijde; bijv. als men het Evangelie op dat feest laat klinken als een goddelijk bazuingeschal over de doden, van boven af. Of wanneer het, zoals onze Heidelbergse Catechismus dat zo schoon formuleert (zondag 17), de dag der uitdeling is van de goddelijke gerechtigheid, van het kruis af. Dat is de meer theologische zijde van het feest. Pasen heeft echter ook, wat ik zou willen noemen, een biologische kant. En het is daarop, dat Paulus, zoals hij dat een enkele keer meer doet, hier het oog heeft.
Christus wordt dan tegenover Adam geplaatst. Ofschoon de apostel Hem later de hemelse mens noemt tegenover Adam als de aardse (vs. 47), staat deze gedachte nu nog meer op de achtergrond. In onze tekstwoorden is niet aan een verschijning gedacht, maar aan een ontwaken. De opstanding is hier als 't ware betrapt op haar eerste ritseling, toen het nieuwe leven zich begon los te maken uit de dood. Dit is een mens, die daar ontwaakt. Een God behoeft niet op te staan om te verschijnen. Hij staat met ons in de rij, zoals wij dat ook doen met Adam. Er is ook opvolging in de betrekking waarin wij tot Hem staan, evengoed als bij Adam en ons. Het is de volgorde van een oogst, waarin de eerstelingen, die God gewijd worden, voorafgaan, om later gevolgd te worden door het hele gewas. "Christus als eersteling, vervolgens die van Christus zijn bij zijn komst" (vs. 23). Ja, deze Christus was een waarachtig mens. Hij was vlees geworden (Joh. 1 : 14). Hij had de volle erfenis van Adamswege aanvaard en had met ons in die afstamming een plaats ingenomen (Luk. 3 : 23-38).
Men mag Pasen niet geheel in de verschijningen laten opgaan maar moet ook, wat ik noemde, de biologische kant van de opstanding in gedachtenis houden. Die verborgen werkingen Gods, die een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, een nieuwe mens formeren, als zijn oordelen de schepping doorwoeien en als Hij daarbij de dood en het leven uiteenwerpt, zoals Hij dat deed op de eerste dag met het licht en de duisternis.
De ouderen onder ons hebben nog heugenis aan een tijd, waarin Pasen in het schootsveld lag van een wijsgerig determinisme. Om zich veilig te stellen vluchtte men dikwijls in natuurlijke analogieën, zoals het ontwaken van de plantenwereld in het voorjaar. Dat het bij dat feest uitgesproken om de mens gaat en dat juist bij deze de grote werken Gods zichtbaar worden, die wetenschap was men kwijtgeraakt. Men zag hem zeer eenzijdig als doodskandidaat. Men wist van de eerste helft van ons tekstwoord, doch niet meer van de tweede.
In die verhouding tussen wetenschap en paasevangelie is in de laatste halve eeuw veel veranderd. Enige tijd geleden kreeg ik een boek in handen van de Franse bioloog en filosoof dr. Du Noüy, in 't Engels geschreven onder de titel Human destiny. Daarin vond ik een paar zinsneden, die als samenvatting van de hele inhoud van dit geschrift kunnen gelden en die tegelijk lijken op een wetenschappelijke, nader: een biologische omschrijving van de inhoud van onze tekstwoorden. Zij luiden in vertaling: "Aan de ene kant zijn wij verbonden met alle wezens die ons voorafgingen en wij dragen de last van deze erfenis in alle opzichten. Aan de andere kant zijn wij de voorvaders van een ras, dat oneindig boven ons verheven zal zijn en dat zich van ons zal zoeken te bevrijden, zoals een kuiken zijn schaal tracht te breken en zich probeert te bevrijden van zijn kalken gevangenis." 69Bij deze wetenschappelijke beschouwing worden de menselijke aspiraties dus niet lam gelegd, zoals vijftig jaar geleden; zijn kansen worden hem niet ontnomen. Zegt iemand, dat de dood door een mens is, dan kan het antwoord luiden: ja, maar de opstanding ook. Het uitzicht wordt hier niet bepaald door de regel, maar door de uitzonderingen. Dat is het verschil tussen toen en nu, wetenschappelijk gesproken. En nu treft het zo dat, biologisch, bij de mens de regering der uitzonderingen pas recht begint. Zijn toekomst wordt geheel door het uitzonderlijke in zijn levensbereik bepaald. Hier ontstaat een psychische activiteit - aldus deze schrijver - die de mens het werktuig in handen geeft, waarmee hij zijn toekomst kan smeden. - Paulus zou dit werktuig het geloof noemen, waarmee de mens de wereld overwint.
Ik kan op deze dingen hier niet verder ingaan. Ik denk er ook niet aan een soort exacte onderbouw onder het paasevangelie te schuiven. Het maakt groot verschil of men, zoals dr. Du Noüy, een biologisch humanisme uitbeeldt, waarin aan God en Jezus een plaats wordt aangewezen om mensen, die hun geloof verloren hebben, weer vertrouwen in de toekomst te geven of wanneer men, zoals Paulus, in de prediking een enkele maal van een biologische analogie gebruik maakt, eveneens om zwakke broeders te steunen. Het was er mij alleen om te doen te laten zien, dat wij ons paasfeest vieren in een wereld, die uitzichten zoekt, die een zekere gelijkenis vertonen met wat Paulus predikte. In dat opzicht lijkt onze tijd op die der eerste christengemeenten.