Uit de lijst
Zo dan, mijne broeders, streeft er naar te profeteren, en belemmert het spreken in tongen niet.
1 Korinthiërs 14 : 39 (Vert. NBG.)
Wij hebben in vorige meditaties gelegenheid gehad op te merken, hoe de perspectieven in Paulus' brieven verschieten en hoe van achter de ene betekenis der woorden een andere te voorschijn komt. Dat hing samen met de verhoudingen van personen en zaken in de eerste christelijke gemeenten. Men mag dus de taal van deze brieven niet te schools verklaren. Steeds moet men er aan denken, dat het een apostel van Jezus Christus is die ze schrijft, en dat hij zich beweegt tussen de genadegaven, die na de uitstorting van de Heilige Geest openbaar geworden waren. Wanneer Paulus dus spreekt over zijn gebruik van het woord, dan denken wij niet dadelijk aan zijn vorderingen in de retoriek op het gymnasium te Tarsus, maar veeleer aan zijn houding tegenover het spreken in tongen (1 Kor. 1 : 5; 14 : 39). En daarachter dan de evangelische overlevering en de mate waarin hij daarin bedreven is. En daarachter weer wordt belangrijk voor ons, meer dan voor Paulus zelf, de schriftelijke optekening van die overlevering en de verhouding daarvan tot Paulus' geestelijk evangelie in zijn brieven. Men kan daaromtrent enige vreemde vragen stellen, die echter niet zonder betekenis zijn voor verleden, heden en toekomst van ons allerheiligst geloof.
Wat is, zo vragen wij allereerst, in de economie, de bedeling des Heiligen Geestes, de betekenis van deze optekening van wat Jezus gedaan heeft? Had Jezus niet gezegd van de Heilige Geest: "Hij zal het uit het mijne nemen en het u verkondigen" (Joh. 16 : 14)? Was daarmee bedoeld, dat de evangelisten de overlevering later zouden opschrijven? Dat zij daaruit een keuze zouden doen? Zou de Heilige Geest zich als 't ware terugplooien op Jezus' daden en zou Hij het aan de gemeente zelve overlaten om uit de stereotype beelden van de evangelisten haar geloof op te bouwen?
Wanneer dit het geval was, zou Jezus in de evangeliën opgesloten geraakt en gebleven zijn. Het spreken in tongen ware dan een langgerekt jubilerend slot, waarin de gemeente de toon zo lang mogelijk aanhield, totdat het lied door Mattheüs, Markus en Lukas werd genoteerd. Een eigenlijke vertolking door de Geest en een apostel des Geestes, Paulus, waren dan onnodig geweest. Dit is echter niet de weg des Heren geweest. Hij is na Pinksteren tweemaal verschenen uit de hemel: aan Stefanus en aan Paulus. En daarmee is zijn pad na de uitstorting des Geestes getekend. Het kan niet zijn bedoeling zijn geweest achter de rug van die Geest een stelling te blijven innemen, van waaruit het Evangelie, buiten de Geest om, een eigen werking zou moeten oefenen en eigen vormen zou moeten scheppen. De Heer is met de Geest in de Handelingen der Apostelen. Het geestelijk evangelie van Paulus was er vóór de boeken der evangelisten. En wanneer Jezus - als ik dat eens stellen mag - had moeten kiezen tussen de vier evangeliën en de Handelingen, zou Hij zeker zijn leven in de Geest gekozen hebben. Paulus is voor Hem in voller zin apostel geweest dan Petrus. De profetie was Hem meer dan de glossolalie; dan de evangelische overlevering, die zich daarin uitjubelde; ook dan de boeken der synoptici, waarin deze jubel tot rust kwam.
Zo komen wij dan te staan voor de tweede vraag: Wat betekenen de overlevering en de evangeliën als boek voor ons, als de Geest toch steeds voor het boek uit trekt en Jezus - om zo te zeggen - Petrus in de evangeliën verlaat om zich bij Paulus in de Handelingen te voegen? - Newman heeft een scherp oog voor deze dingen gehad. In zijn Grammatica des geloofs merkt hij op, dat in zijn dagen de nationale religie in Engeland in zijn lengte en breedte bijbel-religie was. Maar - schrijft Newman - dat is geen religie, dit bijbellezen. 't Is geen religie van personen en dingen, van geloofsdaden en directe devotie, "maar van heilige scènes en vrome sentimenten". "De leerstellingen van die religie" - aldus Newman - "zijn niet zozeer feiten, als wel stereotype aspecten van feiten."96
Dit is een merkwaardige uiting voor een kardinaal van een kerk, die geneigd is meer met Petrus in de evangeliën, dan met Paulus in de Handelingen te rekenen. Die wel eens gepoogd heeft in de liturgie en in de geloofsleer de Heilige Geest iets terug te zetten, omdat Hij anders te veel uit de lijst komt. Toch wil ik Newmans opmerking ten volle laten gelden. Zij is van oecumenische strekking en gaat ons regelrecht aan, zoals zij Rome zelf aangaat. Wij zijn hier een beetje aan gene zijde van de tegenstelling van bijbel en overlevering. - Newman wil de bedoelde 'bijbel-religie' niet minachten. Het lijden des Heren - zo zegt hij - wordt ons daardoor zeer nabijgebracht. Paulus veracht de glossolalie ook niet. Men moet haar, schrijft hij in ons tekstwoord, niet belemmeren.
Maar beiden - Paulus en Newman - menen dat de zaak pas echt wordt, als de Heer en de apostelen uit de lijst van de evangeliën naar voren komen. Welnu, Jezus doet dat bij Stefanus (Hand. 7). Dan is het uit met de tempel. Hij doet het ook bij Paulus (Hand. 9). Dan is het ook uit met de wet. En Paulus volgt de Heer bij het uittreden uit de lijst.