Schatten in de hemel
Vergadert u geen schatten op de aarde, waar ze de mot en de roest verderft en waar de dieven doorgraven en stelen, maar vergadert u schatten in de hemel, waar ze noch mot, noch roest verderft en waar de dieven niet doorgraven noch stelen. Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.
Mattheüs 6 : 19-21 (St.V.)
Uit de bergrede in Mattheüs 5-7 en de strafrede in Mattheüs 23 leert men de geweldige spanning kennen, die er bestond tussen de vroomheid van een deel van het Joodse volk en de prediking van Jezus. Deze wordt als 't ware op formule gebracht in de bekende woorden van de Heer, die wij lezen in Matth. 5 : 20: "Want Ik zeg u, tenzij uw gerechtigheid overvloediger zij dan der schriftgeleerden en der Farizeeërs, dat gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins zult ingaan." Daarachter, maar veel minder gespannen, schuilt de tegenstelling met de heidense religies, als Jezus bijv. zegt: "Al deze dingen zoeken de heidenen" (Matth. 6 : 32); of: "Doen ook de tollenaars niet hetzelfde?" (5 : 46). Dat zijn, wat ik zou willen noemen, bewijzen uit het ongerijmde. Wanneer men een Jood kon laten zien, dat een handelwijze heidens is, dan sprak hij niet meer tegen. Maar hard wordt het conflict pas, als het gaat over de gerechtigheid, die in geding is tussen Jezus en de Joden zelf. De laatsten meenden die gerechtigheid ook te hebben in hun wetsbetrachting. ⚑Jezus echter acht, dat deze met de gerechtigheid van het Koninkrijk der hemelen heel weinig te maken heeft. Ofschoon nu sommige uitleggers, o.a. de bekende kenner van het Nieuwe Testament Theodor Zahn, menen dat Jezus zich ook in onze tekstwoorden tegen de Farizeeërs en schriftgeleerden blijft richten en niet tegen een heidense denk- en leefwijze,30⌫ meen ik toch dat wij ze niet als zulk een polemiek moeten beschouwen. Daarvoor zijn ze te algemeen. Zij zijn, om zo te zeggen, tot Joden én heidenen gericht. Tot de discipelen, zonder daarbij aan de Joden te denken. Zij zijn gericht tot de velen, die zullen komen van oosten en westen en die met Abraham en Izaäk en Jakob zullen aanzitten in het Koninkrijk der hemelen (Matth. 8 : 11). Zij zijn regelrecht tot ons gericht en de spanning is er af en de toorn en de polemiek is er uit.
'Schatten vergaderen' behoeft hier dan ook geen ongunstige betekenis te hebben. Het is geen bestrijding van geldgierigheid en hebzucht. Het gaat nu niet over een bijzondere ondeugd, maar over een levenshouding, een richting in heel ons doen en laten. Het woord heeft hier de meer neutrale betekenis van "iets wegleggen" (1 Kor. 16 : 2), "bijeenbrengen" (2 Kor. 12 : 14). Ik geloof daarom ook niet, dat de Canisius-vertaling gelijk heeft, als zij denkt aan een schat, zoals die voorkomt in de gelijkenis van de "schat in de akker" (Matth. 13), en als zij de dieven niet laat doorgraven, maar opgraven. 't Is geen buitengewoon geval.
Neen, deze woorden zijn bedoeld voor alle mensen, voor zovelen als maar mogelijk is, voor de tien-miljoenste Nederlander en voor de acht miljoen mensen, die er in India ieder jaar bijkomen. Voor de wereld van vandaag en voor de mensen van nu. Zij gaan over de dingen waarop dat leven gericht is en over de mot en roest, die daarin en daaraan kan komen en over de dieven, die daarop loeren. Zij zijn gericht tot die Indiër, die zijn bezorgdheid er over uitsprak dat er geen persoonlijkheden, geen eeuwigheidsmensen gekweekt worden.31⌫ En tot die Amerikaanse senator, die onlangs zijn vrees uitsprak, dat, zo wij niet rechtsomkeert maken, onze hele aardse cultuur, alle schatten op aarde, vernietigd zou worden.32⌫ Tot deze hedendaagse mens zegt Jezus: vergader u schatten in de hemel, waar ze noch mot noch roest verderft en waar de dieven niet doorgraven noch stelen.
Zo geloof ik ook niet dat Jezus hier aan een stuk van het leven gedacht heeft of aan een scherp bepaalde levensvorm. De woorden van Jezus zijn van universele toepassing. Wanneer men vraagt, welke schatten op aarde Jezus hier bedoelt en welke schatten in de hemel Hij hier op het oog heeft, dan kan men misschien in de evangeliën wel een antwoord vinden. Ik denk daarbij aan zijn gesprek met de rijke jongeling, die Hij aanried al wat hij had te verkopen en het de armen te geven, terwijl Hij er aan toevoegde: "En gij zult een schat hebben in de hemel" (Matth. 19 : 21). Dat is een antwoord, dat wij niet mogen uitschakelen uit Jezus' prediking van het Koninkrijk der hemelen en uit zijn aanspraak tot de mens van heden. Er is zoveel wilde boosheid in onze tijd, dat er zeker ruimte en reden is ook voor wilde goedheid. Zonder die laatste zal de wereld niet uit het moeras komen, waarin zij verzonken is. Van het Koninkrijk der hemelen geldt zeker wel wat de Fransen zeggen: "Aux grands maux les grands remèdes" (tegen erge kwalen moet men ook krachtige middelen aanwenden). Wij mogen zulk een met-geweld-nemen van het Koninkrijk der hemelen (Matth. 11 : 12) niet als een naïeve extravagantie beschouwen. Eén zulk een extravagantie, als van Albert Schweitzer of van Gandhi, weegt bijna tegen een wereldoorlog op.
Maar wij mogen Jezus' woorden daartoe niet beperken. Het koninkrijk Gods bestaat op de wijze van een toonladder of een zonnespectrum. Jezus is niet met een program gekomen, maar heeft zijn Geest gezonden. En van de verscheidenheid die daardoor ontstaat, heeft Paulus ons een beeld gegeven, toen hij 1 Kor. 12 schreef. "Hij moet zo doen", zeggen de Quakers, als iemand een goede extravagantie begaat. "Hij moet zo doen", en zij tonen daarmee een goed begrip voor het werk des Heiligen Geestes te hebben.
Dat is de reden waarom wij Jezus' geboden niet mogen beperken tot enkele toepassingen. Zij bestrijken het hele veld van ons bestaan.
Daarom kunnen onze tekstwoorden naar gelang van tijd en omstandigheden ook verschillen in toon en kleur. Zij kunnen ook af- en toenemen in sterkte. Misschien zijn zij nooit zo vol van duiding en drang geweest als juist nu. De vraag of 't nog mogelijk is op de aarde iets weg te leggen en te bewaren, te hebben en te houden, wordt, als ik het zo noemen mag, door de planeet zelf aan ons gesteld. En zij brengt ons daardoor in een verlegenheid, die slechts door onze beperktheid en bekrompenheid enigszins wordt bemanteld. Ons rijdier keert zich naar ons om en gaat spreken, als de ezel van Bileam (Numeri 22). De verwarring, waarin dat ons brengt, is zo groot, dat alleen de stem van Jezus ons nog rust kan geven.