Roeping
En als zij de Here dienden en vastten, zeide de Heilige Geest: Zondert Mij af beide Barnabas en Saulus tot het werk waartoe Ik ze geroepen heb.
Handelingen 13 :2 (St.V.)
In de eerste christelijke gemeente te Jeruzalem kan men enkele dingen opmerken, die wijzen op een werkzaamheid, men zou bijna zeggen: een ingrijpen van Jezus zelf in de loop der gebeurtenissen. Er is een radicaal christendom naast een meer gematigde houding. Men zou het kunnen noemen een los-van-de-tempel-beweging. Los van Jeruzalem.
Natuurlijk denk ik hier aan de lijn, die van Stefanus naar Paulus loopt (Hand. 6, 7 en 9). Jezus is én aan Stefanus, toen hij gestenigd werd, én aan Saulus, op de weg naar Damascus, verschenen. Op die ogenblikken blijkt zijn regering het duidelijkst. Dan is Hij onmiddellijk bij de geschiedenis der gemeente betrokken. En dan blijkt zijn wil, het Evangelie aan alle creaturen te doen prediken. Hij wil niet, dat het te Jeruzalem blijft hangen in een vroege gematigde orthodoxie. Stefanus en Paulus zijn de beide grote radicalen in het Nieuwe Testament.
Van Stefanus af loopt er echter nog een tweede lijn, naar Antiochië toe, waar de dingen uit onze tekstwoorden zich afspelen. Dit is de passieve, zoals die van Stefanus naar Damascus de actieve is. Door het radicalisme van Stefanus ontstond er een vervolging en van de daardoor verstrooide christenen ging er ook een deel naar Antiochië, de grote handelsstad aan de Orontes, in Syrië. En nu waren er onder hen weer sommigen, die de Here Jezus niet aan de Joden, maar aan de Grieken, aan de heidenen verkondigden (Hand. 11 : 20). Op dat werk wordt men dan te Jeruzalem opmerkzaam gemaakt en men zendt Barnabas, "een goed man" (11 : 24), uit om te gaan kijken. Deze constateert, dat er een grote schare wordt toegebracht.
Wij merken op, dat deze beide invloeden, die van Stefanus uitgaan, de ene door zijn getuigenis, de andere door zijn martelaarschap, de ene naar Damascus en de andere naar Antiochië, beide van de tempel, van Jeruzalem, van de Joden af wijzen. En dit zijn de beide bewegingen in de eerste gemeente, waarbij Jezus het nauwst betrokken was.
Het is merkwaardig, hoe spoedig zij naar elkaar toegebogen werden. Barnabas, te Antiochië, ging uit om Saulus te zoeken. Hij vond hem te Tarsus, Saulus' geboortestad, en bracht hem naar Antiochië (11 : 25). En niet minder opmerkelijk is ook, dat deze radicalen, wier getuigenis en arbeid zo duidelijk door Jezus werden bewogen, de eersten zijn geweest, die zich naar Hem noemden. De discipelen werden te Antiochië het eerst christenen genoemd (vs. 26). Actief of passief, als erenaam of als scheldnaam, dat doet er niet toe. Beide lijnen droegen een karakter, dat in de naam 'christen' tot uitdrukking kwam. Die naam wilde zeggen: een nieuw testament. En die naam hield een opdracht in: de hele wereld in dat testament op te nemen en voor Christus te winnen.
Daar nu, te Antiochië, ontvangt Paulus zijn roeping. Wanneer deze kring er niet geweest was, als deze vluchtelingen-gemeente door het martyrium van Stefanus er niet gekomen was, dan zou Paulus' verkiezing op de weg naar Damascus misschien 'ijdel', leeg, gebleven zijn. Het licht, dat hij gezien had, zou alles geworden zijn. De stem, die hij gehoord had, zou zijn leven niet met arbeid en zijn hart niet met liefde gevuld hebben. De kennis van Jezus, de uitnemendheid der openbaringen (2 Kor. 12 : 7) zou hem opgeblazen gemaakt hebben. Hij zou de weg der verdrukking, van Jeruzalem naar Antiochië, niet gekend hebben. Hij zou niet geweten hebben wat het zeggen wil, een scherpe doorn in het vlees te hebben (2 Kor. 12 : 7). De verschijning van Jezus had hem reeds als 't ware los gemaakt van de aarde. Het licht had hem blind gemaakt voor wat hier te zien was. Hij zou een extaticus geworden zijn. Hij weet immers te spreken van de derde hemel, van het paradijs, waarin hij is opgetrokken geweest (2 Kor. 12 : 3 v.). De bliksem, die van Jezus uitging, zou hem belet hebben de broeders te zien. Paulus gedraagt zich, voor hij te Antiochië tussen de broeders komt, als een ontworteld mens. Hij is hier en hij is daar, in Damascus, in Arabië, te Jeruzalem (Gal. 1), maar hij is nergens thuis. Hij keert maar naar Tarsus terug.
Dan komt de roeping, door Barnabas en door de Heilige Geest, waarvan onze tekstwoorden berichten. Van de hemel heeft Saulus zijn naam horen noemen en hij weet wat het betekent, onder allen alleen door Christus aangesproken te worden. Maar ... te Tarsus gebeurt datzelfde in een heel andere dimensie. De ene broeder roept hier de andere en de roep gebeurt van stad tot stad; van Tarsus naar Antiochië, horizontaal over de wereld.
De verkiezing door Jezus dreigde Paulus een tijdlang tot een eenling te maken. Deze roeping door Barnabas brengt hem in de kring der Antiocheense profeten en leraars, waarin de zin zijner verkiezing hem openbaar wordt. De stem, die Paulus gehoord had, toen het licht hem omscheen, krijgt hier haar volle betekenis.
Hier, in onze tekstwoorden, wordt de Heilige Geest dan ook als de Spreker genoemd. In de gemeenschap des Geestes krijgt alles zijn plaats. De uitnemendheid der openbaringen, maar ook de doorn in het vlees. De verschijning van Jezus, maar ook de handdruk van Barnabas, toen hij Saulus te Tarsus ontmoette. De Heilige Geest maakt de vleeswording, de verschijning van Jezus op aarde, tot waarheid. Nu wordt de verkiezing van de enkeling door Jezus geen afzondering, als in een woestijn, maar een invoeging in een geestelijk lichaam, waarin elk zijn eigen plaats en eigen taak heeft. De een de dienst van de hand, de ander van de voet (1 Kor. 12). En zo blijft de verkiezing niet ledig, maar komt er plaats voor de liefde (1 Kor. 13), die maakt, dat de stem geen "luidende schel" wordt, maar een volle openbaring des Geestes.
In zulk een kring krijgt Paulus de opdracht, die zijn leven zal vullen.