O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← LegitimiteitGestalte en GeestDe zaak van de Hethiet Uria →

Verzamelde Werken, deel 8 · Gestalte en Geest · Deel 1 · Boek 2: Gestalte en Geest · p. 228–230

Rizpa

Toen nam Rizpa, de dochter van Aja, een stuk grove stof en spreidde het voor zich uit op de rots; (het lag er) van het begin van de oogst af tot er water van de hemel op hen neerstroomde; en zij liet overdag het gevogelte des hemels niet toe zich op hen neer te zetten, noch het gedierte des velds bij nacht.

2 Samuël 21 : 10 (Vert. NBG.)

De geschiedenis van het huis van Saul is met de dood van Isboseth nog niet uit. Zij zet zich voort in de zielige figuur van Jonathans kreupele zoon Mefiboseth, die door David aan zijn hof werd opgenomen (2 Sam. 4 : 4 en 9 : 1-13) en van zijn tafel at. Maar de tragiek van dat huis bereikt nog een hoogtepunt in de daad van Rizpa, de dochter van Aja, een bijvrouw van Saul.

Er was een hongersnood in Israël gedurende drie jaren. En de Here zeide tot David, toen deze Hem naar de oorzaak vroeg, dat het was om een bloedschuld, die op Saul en zijn huis rustte. Saul had getracht de Gibeonieten, een rest van de vroegere bewoners van Kanaän, uit te roeien. Dezen hadden echter vroeger een verbond met de Israëlieten gesloten (Jozua 9). Die eed had Saul gebroken. - Als boete voor deze bloedschuld levert David nu twee zonen van Rizpa en vijf zonen van Sauls oudste dochter Merab aan de Gibeonieten uit.

Op een aan de Here gewijde berg te Gibeon (Le.V.) werden deze zeven mannen opgehangen om verder overgelaten te worden aan het gevogelte des hemels en het gedierte des velds; de dood der gevloekten, die geen eerlijke begrafenis kregen. Dan volgt de daad van Rizpa, die in onze tekstwoorden beschreven wordt. Zij nam een treurgewaad, zoals rouwdragenden dat droegen, en spreidde het onder zich uit op de rots. Zij hield de wacht bij de gehangenen van het begin van de gersteoogst in april, tot de najaarsregens in oktober. Zij keerde zich tegen de roofvogels, die neerstreken om te azen op de lijken en hun hart en lever te ontrukken, en tegen de roofdieren, die aanslepen om hun vlees te eten. Dag en nacht hield zij haar eenzame wacht tegenover de toornige God op zijn berg, die de vloek aan zijn zoenoffer tot het bittere einde toe wilde voltrekken.

Er zijn vrouwen, wier leven gesteund wordt door een standvastige goedheid en geleid door een onwankelbare victorie. Zij schijnen geschapen om het leven zijn vormen te geven en het met kleuren te overtrekken. Een zodanige was Abigaïl, die David van het 'eigen recht' afhield en hem door haar wijze woorden overwon.

Er zijn andere vrouwen, die triomferen in de nederlaag en die dat doen vanuit een plaats en een toestand, waarin de gedaante des levens vergaat en zijn glanzen in het tegendeel verkeren. Zulk een vrouw was Rizpa. Zij zit daar op de berg des Heren onder de zeven gekruisigden in een situatie, die grenst aan het onwaarschijnlijke. Het tafereel, dat ons in 2 Samuël 21 beschreven wordt, lijkt meer op een fictie dan op een feit; meer op het voorbeeldige dan op het historische. Reeds de lange duur van Rizpa's wacht doet denken aan een leermiddel, aan het ophangen van een doek op een expositie; men moet tijd hebben om het te beschouwen. Het gegeven zou het onderwerp kunnen zijn voor een profetisch drama, waarin de trekken van het Evangelie, vergroot en nog niet geheel in menselijke afmetingen, worden uitgebeeld. Zeven Jezussen aan zeven kruisen en één moeder op een berg, vlak voor Gods aangezicht.

En toch is het geen fictie. Het verhaal is, ook volgens de gewoonlijk zeer kritische commentaar van de Leidse Vertaling, 'volkomen geloofwaardig'. Het beschrijft de daad van een vrouw, die daarmee een zeer bijzondere plaats inneemt in de heilsgeschiedenis. Wanneer Abigaïl in staat is koningen met raad te dienen, dan kan Rizpa aan goden waarheden voorhouden en hun veranderingen afdwingen in hun besluiten. Zij gaat tot de grenzen en tot over die grenzen. Want het zitten van deze vrouw, van de gersteoogst af tot de herfstregens toe, onder die zeven kruisen op de berg, strijdende tegen Gods gevogelte en Gods gedierte, de voltrekkers van zijn vloek en de gasten van zijn zoenoffer, - deze houding hoort niet meer geheel thuis in ons mensenleven.

Rizpa zit midden in de nederlaag. Maar zij verheft zich daaruit om God zijn vaten te ontroven. Zij vecht tegen God zelf en tegen zijn vloek. Zij gunt Hem het vlees der gehangenen niet, evenmin als de beenderen. Zij verdrijft zijn disgenoten. Toch is het haar om God te doen. Maar zij neemt geen genoegen met die zijde van Hem, die haar op de berg ontmoet. Zij eist, dat Hij ook anders zal kunnen zijn. Zij roept, uit haar schier onneembare staat, om gerechtigheid; een andere dan die Sauls huis hier wedervaren is. En dat andere recht is haar geworden. Toen David van haar doen hoorde, liet hij het gebeente der gehangenen afnemen en met dat van Saul en Jonathan in hun familiegraf bijzetten. Rizpa had in Israël de wet verzet. Later moest een gehangene nog vóór zonsondergang begraven worden (Deut. 21 : 23).

Wie is God en hoe zijn zijn wegen? Tenslotte is de heuvel Golgotha, met het kruis en de moeder onder dat kruis, in de geschiedenis van het huis van Saul, de verworpene, nog duidelijker afgebeeld dan in die van het huis van David, de uitverkorene. Nergens in die laatste komt een tafereel voor dat zo ver is uitgeheven boven ons dagelijks bestaan en waarin God zoveel geweld wordt aangedaan om een ander koninkrijk, als hier bij Rizpa.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← LegitimiteitGestalte en GeestDe zaak van de Hethiet Uria →