Boek 2: De getuigen van Gods gestalte
Onze ware existentie
Markus 16 : 1-8
Wij kunnen ons leven op aarde op twee manieren opvatten. In de eerste plaats kunnen wij doen alsof wij hier zijn neergegooid, zoals een parachutist uit een vliegtuig. Wij zijn hier dan geworpen, zoals dat tegenwoordig heet.53⌫ En wij moeten dan uit de toestanden en de dingen waarop onze gedachte in haar naaste omgeving stoot, maar opmaken waar wij zijn en wie wij zijn. Wij zullen dan zelf een verklaring van ons bestaan moeten geven en er wat van moeten zoeken te maken.
De andere opvatting en aanpak van het leven gaat er van uit, dat wij hier op aarde verwacht zijn. Er is, om te beginnen, een gezin, waar alles voor ons gereed staat. In zulk een omgeving ontwaken wij van herkenning tot herkenning, van lach tot lach. Van openbaring tot openbaring worden wij wakker en die openbaringen brengen inhoud in ons leven en geven het een aanvankelijke zin.
En zo blijft het. Wij komen nooit in een toestand van geworpen-zijn. Nooit zijn wij op onze eigene ervaringen alleen aangewezen. Steeds zijn de herkenningen ons beste deel. En deze laatste hebben betrekking op openbaringen, die boven ons eigen bestaan uitgaan.
De machtigste daarvan is wel de verkondiging van het paasevangelie. Zo wij hier geworpen zijn, wat nood! Wij zullen opstaan. Wij zijn niet opgesloten binnen de fatale kring van geboren worden en sterven. Ons leven is open en het beste wat tot ons bestaan behoort, buigt zich over de randen daarvan over ons heen. Wij hebben moeite met onze herkenningen, evenals het kind in de wieg. Maar als wij ze zouden willen afbreken, worden wij als doden. In een toestand van geworpenheid en verworpenheid kunt gij alleen geraken, als gij uzelf ontdoet van ervaringen, die geen ervaringen meer zijn, maar openbaringen. "Waarom zou ik moeten beginnen met een positie in te nemen, die de mijne niet is? En waarom zou ik mijn geest moeten ontkleden van die rijke uitzet van bestaansmogelijkheden, gedachten, beginselen, verlangens, begeerten en verwachtingen, die mij maken tot wat ik ben?" (Newman).54⌫ Die verwachting wekt het paasevangelie. Enkele vrouwen zijn getuigen geworden. Wat zij te zien en te horen kregen, ging ver boven hun bevatting uit. Wij lezen van beving en ontzetting die hen bevingen. In hun gedachten waren zij bezig met een zware grafsteen en met specerijen en zalf, waarmede zij Jezus wilden balsemen. En in plaats daarvan zien zij een engel en horen de boodschap van Jezus, dat Hij is opgestaan en hen voorgaat naar Galilea. Het ene past slecht bij het andere. Zo slecht, dat Pasen begint met verwarring in ons leven te stichten. Maar daarin schuilt hoop voor ons. Dat zijn nu ditmaal niet onze ervaringen en gedachten. Het zijn niet de overleggingen van iemand, die ergens ligt, heel of half in een graf; die om zich heen tastend het huisraad des doods aanraakt en daaruit zijn wereldbeschouwing opmaakt. Pasen is de boodschap van iemand die staat, die is opgestaan uit de doden. Drie vrouwen en vier evangelisten vertellen ons in een zekere verwarring van wat zij gezien en gehoord hebben. Maar zij voegen nieuwe dingen toe aan onze ervaringen; aan de trieste overleggingen van een gevallen mens. Dit geeft een nieuwe dimensie aan ons midden in de dood liggende leven.
Wij hebben moeite met die dimensie. Zij is voor ons een mysterie. Wij vergissen ons in de afstanden, als wij grijpen naar de dingen, die in deze nieuwe ruimten liggen. Soms zijn ze veel dichter bij dan wij denken, soms ook verder af. Datgene wat onder ons bereik ligt, midden in de dood, hebben wij zeer zeker meer bij de hand. De specerijen bijv. en de zalf, die de vrouwen droegen. En dan zoveel meer, wat wij van onze zijde aanbrengen in het geheel van Gods koninkrijk.
Daarom stokt ons geloof, als het aan Pasen toekomt. Tot het kruis toe gaat het ogenschijnlijk goed. Maar dan komt in de evangeliën dat kritieke slothoofdstuk. En dan ontstaat bij ons dezelfde aarzeling en beving als bij de vrouwen en iets later bij Petrus en Johannes en dezelfde ontsteltenis als bij de Emmaüsgangers (Luk. 24 : 22) en zelfs hetzelfde ongeloof als bij Thomas (Joh. 20 : 24-31). - Ook Paulus vindt het geloof in de opstanding geen vanzelfsprekende zaak. Hij vindt al het andere wat hij in zijn leven zou kunnen opnoemen, verwerpelijk, schade en drek (Fil. 3 : 8), specerijen en zalf des doods, vergeleken bij de kennis van Christus en van de kracht zijner opstanding. Hij wil wel gelijkvormig worden aan Christus' dood, als hij dan maar mag komen tot de wederopstanding der doden (10, 11). Paulus noemt dit een jagen daarnaar, of hij het ook grijpen mocht. Hij strekt zich tot hetgeen vóór is (14). - Neen, het kost moeite, zich te bewegen in de nieuwe dimensie, in die laatste hoofdstukken der vier evangeliën.
Nochtans staan ze er; op de vier hoeken van het Koninkrijk der hemelen staan de evangelisten en steken de bazuinen der opstanding. De verbazing, de ontzetting, het ongeloof in hun eigen kring hebben zij niet bemanteld. Hun verhalen tonen zelf nog een zekere verwarring. Maar de bazuin geeft geen onzeker geluid: Christus is opgestaan!
Daarin ligt onze ware existentie. Grafstenen worden afgewenteld, zweetdoeken opgerold. Maar de uitzet van onze geest kan behouden blijven. Onze mogelijkheden, onze verlangens, onze verwachtingen, waarover wij Newman hoorden spreken, daarvan zullen wij ons niet behoeven te ontkleden. Zij zullen ons maken tot wat wij zijn: kinderen der opstanding.