Onschendbaar
Toen de ark des Heren de stad Davids binnenkwam, keek Michal, de dochter van Saul, door het venster en zag koning David huppelen en dansen voor het aangezicht des Heren; en zij verachtte hem in haar hart.
2 Samuël 6: 16 (Vert. NBG.)
Het is een waagstuk, een meditatie te schrijven over Michal, Sauls jongste dochter. Het gevaar voor schepselvergoding is daarbij zo groot. Haar naam alleen klinkt reeds als een echo op de roep van de zesde dag. Die van haar oudere zuster, Merab, wekt eerder neerslachtige gevoelens.
Men moet, om Michal naar haar uiterlijk en innerlijk wezen te leren schatten, deze koningsdochter niet tegemoet gaan om te trachten haar blik op te vangen of haar stem te horen. Deze beide zijn haar tolken niet. Zij zijn niet voldoende gericht en bepaald om die functie te vervullen. De figuur en de gestalte hebben dit ambt op zich genomen, zoals in een domkerk de zuilen het werk van de kansel overnemen. Volg haar liever op een van haar gangen. En gij zult zien hoe haar leden als een vuurvlam uit haar hielen omhoogslaan en haar schreden als door een stalen veer bewogen worden. Het is alles rijzen en schrijden wat aan haar is. Haar menselijkheid ligt van haar "schouderen en opwaarts hoger", evenals bij haar vader, en niet op haar aangezicht. Onder het gaan schijnt zij zich steeds meer op te richten. Het lijkt, alsof zij bezig is zich uit het leven te verwijderen, eerder dan dat zij het ingaat. Althans dat zij zich daarin eigenmachtig en onverplicht beweegt. Zij blijft bij haar geschapenheid staan en weigert het vervolg daarop, de geschiedenis, recht mee te maken. Aan de val en zijn gevolgen kan zij niet volledig deelnemen. En daarmee hangt het samen dat zij blijft verwijlen in de verwondering over eigen existentie en dat de figuur de eigenlijke vertolking daarvan blijft. Het woord, dat vooral om der zonde wil zijn betekenis krijgt, schijnt voor haar niet recht gesproken te zijn en in haar mond niet geheel te passen. Het kan geen voldoende zin en inhoud krijgen in haar leven. En zo houdt zelfs haar blik, zoals wij opmerkten, iets vaags en onbepaalds. Zij staat te vroeg in de schepping en het leven om geheel geboeid te raken.
Zo is er bij Michal niets of te weinig van wat het charisma is van de ware vrouw: het buigen, het zich-buigen-over; over het kind, de kranke, de ellendige. En van het spreken en spelen daarbij met mond en oog. Haar menselijkheid blijft compleet, ook zonder deze mogelijkheden. En daardoor is zij van nature eigenaresse van een titel en een recht, die de wet aan koningen pleegt toe te delen, namelijk die der onschendbaarheid. Zij zelve blijft onder alle omstandigheden boven het 'insult' verheven. En beneden zich heeft zij eigenlijk niets waarin men haar zou kunnen treffen.
Michals levensloop levert een treffende bevestiging van bovenstaande karakteristiek. Het verhaal van haar uithuwelijking aan David (1 Sam. 18) is niet geheel duidelijk; laat in ieder geval verschillende opvattingen toe. Waarom Merab niet aan David wordt gegeven, wordt niet vermeld. Er schijnt sprake te zijn van een romantische liefde, die Michal voor de gevierde held heeft opgevat. Maar deze liefde is toch minder een persoonlijke dan een nationale. Zij voelt zich aangetrokken door de man, van wie gezongen wordt dat hij zijn tienduizenden verslagen heeft. De prijs, die haar bruidegom voor haar betalen moet, is dan ook een bij uitstek bloedige. Het is de Jaël in haar, die David liefheeft; het uit bloed en bodem geboren schepsel Gods (Richt. 5).
Wanneer straks het getijde keert en David bij Saul geheel in ongenade is gevallen, schijnt Michal haar held trouw te blijven en hem boven haar vader te stellen (1 Sam. 19). Zij helpt hem bij zijn vlucht. Maar in de wijze waarop zij dat doet, het uitlaten uit een venster en het leggen van een beeld in zijn bed, is iets zeer gereserveerds en koels; het heeft iets van een spel met het leven. Zij laat haar man aan zijn lot over; geeft haar vader een ontwijkend antwoord en laat zich uithuwelijken aan een ander (1 Sam. 25 : 44).
Als David straks, koning geworden over Juda, met Abner onderhandelt over de onderwerping van de tien stammen, is zijn eerste voorwaarde, dat Michal hem zal worden teruggegeven (2 Sam. 3 : 14). Maar ook dan ziet hij in haar blijkbaar meer een nationaal pand en een claim op de troon dan iets anders.
David had meerdere vrouwen, naar de gewoonte der koningen in die dagen: Ahinoam en Abigaïl; later ook nog Bathseba en Haggith. Maar Michal is nooit, ook na haar terugkeer niet, een van de vier of vijf geworden. Zij bleef de enige en ook daarin haar schepping trouw. De drama's aan het hof laten haar koud. 't Laatst zien wij haar voor het venster, naar de wijze van een koningin (Richt. 5 : 28; 2 Kon. 9 : 30), kijken naar het staatsbedrijf (2 Sam. 6). David danst voor de ark, die hij inhaalt in Jeruzalem, omgord met een (korte) linnen lijfrok, zoals de priesters die droegen. In dit godvruchtig priesterlijk betoon ziet Sauls dochter een afleggen van de koninklijke waardigheid en een zich ontbloten voor de geringsten des volks en zij verachtte hem in haar hart. Als hij de priesterlijke zegen ook in zijn huis komt brengen, verwijt zij hem dit met snerpende woorden. David aanvaardt het verwijt, maar beroept er zich op, dat God er anders over denkt. God heeft hem verkoren boven Saul en boven diens trotse dochter Michal. David wil doorgaan met zich nederig aan te stellen voor de nederige God met de geringen des volks. Daar zal hij zijn ere zoeken. Wat is het moeilijk, de bijbel gehoorzaam te lezen!
Wij bewonderen de trotse koningsdochter, de onschendbare. Maar God kan haar en haars gelijken niet gebruiken voor zijn Koninkrijk. "Michal nu, de dochter van Saul, bleef kinderloos" (2 Sam. 6 : 23).
Jezus is bij de schepping niet blijven staan. Hij is door de val heengegaan en is geboren uit David en Bathseba, uit echtbreuk. Een geschonden koning.