Levende woorden
En hij (Mozes) ontving levende woorden om die u te geven.
Handelingen 7 : 38 (Vert. NBG.)
Salomo bouwde Hem een huis. De Allerhoogste echter woont niet in wat men met handen maakt.
Handelingen 7 : 47, 48 (Vert. NBG.)
De woorden van onze teksten komen voor in een lange rede van Stefanus, die Lukas in Handelingen 7 heeft weergegeven. Zij bevat zijn verdediging tegen de aanklacht, die in de vorige meditatie onze aandacht heeft gehad en waarbij aan deze Griekse apostel ten laste werd gelegd, dat hij lasterlijke woorden tegen de tempel en de wet had gesproken.
Valse getuigen zouden dit hebben gezegd (6 : 13). Maar daarbij moet men wel bedenken, dat het getuigenis alleen in hogere zin zo genoemd wordt. Het was een getuigenis tegen de Heilige Geest.
Wie deze lange rede leest, heeft aanvankelijk enige moeite om in dit historisch stuk de draad der verdediging in handen te krijgen. Men vraagt zich dan af, wat deze verhalen met de aanklacht te maken hebben. En ook, hoe het toch komt dat zij bij Salomo plotseling afbreken en dan overgaan in een felle aanklacht van de beschuldigde tegen zijn rechters. Misschien is het pleidooi ook meer toegespitst geweest dan bij Lukas. Maar ook bij deze laatste is het bij goed toezien wel duidelijk, hoe de partijen tegen elkaar over hebben gestaan.
Reeds van huis uit zijn de posities gegeven. De Palestijnse Joden zijn de mensen van de tempel; de Griekse die van de synagoge. Dit onderscheid gaat niet absoluut door, maar betrekkelijk toch vrij sterk. De buitenlandse Joden kenden reeds enigszins wat Paulus later een redelijke (geestelijke) eredienst zal noemen (Rom. 12 : 1) en wat elders (1 Petr. 2 : 5) geestelijke offers genoemd worden.
Zulke offers noemt Paulus levend en heilig; het zijn geen slachtoffers; geen gedode dieren. Het zijn levende woorden, geestelijke gaven (Rom. 12 : 6 vv.). Welnu, Stefanus ziet het nu zo, dat dit op de Sinaï reeds Gods bedoeling met Israël was, toen Hij aan dat volk door Mozes levende woorden liet geven (Hand. 17 : 38). Maar de vaderen wilden niet luisteren - zo laat hij er op volgen - zij maakten een kalf en brachten een offerande aan de afgod (vs. 41). - Nu Stefanus christen geworden is en de Heilige Geest ontvangen heeft, ziet hij de hele geschiedenis van Israël duidelijk in dit licht en hij kan niet laten er tegen zijn volk van te getuigen. Zoals Jeruzalem de stad geworden is, die de profeten doodt (Matth. 23 : 37; Hand. 7 : 52), zo is de tempel een rovershol geworden, in plaats van een bedehuis (Matth. 21 : 13). Men hoort er geen levende woorden, die de Heilige Geest geeft, maar het geblaat en geloei van slachtvee. Dat is ook pas met Salomo begonnen (vs. 47). Deze concentratie van de eredienst tot één plaats ziet Stefanus als de hoofdzonde van Israël. Het is een verzet tegen de Heilige Geest in optima forma (vs. 51). Zo zijn degenen, die de wet, de levende woorden, ontvangen hadden op beschikking der engelen, door hun tempeldienst geworden tot moordenaars van Gods Zoon, die zij vermoord hadden, overdrachtelijk gesproken, "tussen het tempelhuis en het altaar", zoals zij dat in letterlijke zin gedaan hadden met Zacharia, de zoon van Berechia (Matth. 23 : 35; Hand. 7 : 52).
God had overal tot zijn volk gesproken. Tot Abraham in Mesopotamië, tot Jozef in Egypte, tot Mozes in Midian en op de berg Sinaï en op die wijze had Israël zijn "redelijke (geestelijke) eredienst" van God gekregen; die levende woorden, die de Heilige Geest geeft. Zou men tegen Stefanus willen opmerken, dat Israël in de woestijn toch ook aan de Here bloedige offers had gebracht, dan beroept hij zich daartegenover op de profeet Amos, die het ontkent (Hand. 7 : 42 v.). Zij hadden een tent, "de tent der getuigenis" (vs. 44) en die hadden zij meegenomen naar Kanaän. Die tent stond nu eens hier, dan daar. Men merkt, deze zoon der synagoge, die een man vol des Heiligen Geestes geworden is, spreekt anders dan een godsdiensthistoricus het heden ten dage in de katheder zou doen.
Zijn argumenten, evenals die van Paulus en ook die van Jezus, zijn van een andere snit. Die historicus zal opmerken, dat Abraham ook al dieren offerde en Abel ook, en dat Salomo bij de tempelinwijding reeds gezegd had, wat Stefanus hem nu nazegt.
In zijn commentaar op de Handelingen zal hij daarover beschermend glimlachen.
De rechters van Stefanus deden dat niet; zij namen stenen op en wierpen hem dood. Zij ondergingen de rede van Stefanus niet als een historische les, maar als een oordeel. De Heilige Geest, die de heilige Schriften had geïnspireerd, was onder dat werk geen letter geworden, maar Geest gebleven. Hij sprak hen aan en zij konden hun vonnis zelf lezen in de teksten, waarin Jezus en Stefanus tot levende woorden en vlammende letters geworden waren. Tegen zulk een uitlegging van de Schriften bestond geen verweer. De rede van Stefanus betekende het einde van de tempel.
Van zulk een oordeel is geen beroep mogelijk. Men kan zich niet van de Geest op de letters beroepen. Evenmin als men zich van Jezus of Paulus op de historie beroepen kan. Jezus en Paulus, dat is de bijbelse geschiedenis zelve. En de uitlegging van de letters, dat is de Geest zelf.