Legitimiteit
... en zij vestigden zich in de steden van Hebron en de mannen van Juda kwamen en zalfden David daar tot koning over het huis van Juda.
2 Samuël 2: 3 en 4 (Vert. NBG.)
De troonsbestijging van David in Israël heeft plaats langs twee trappen.
De eerste maakt hem tot koning over zijn eigen stam, over Juda. Die stamgemeenschap had David steeds onderhouden. Delen van de buit, die hij als zwervend opperhoofd behaalde, had hij aan de oudsten van Juda doen toekomen (1 Sam. 30 : 26-31).
Zijn vader en moeder en verdere familie hadden zich toen reeds bij hem gevoegd en ook vele andere Judeërs (22 : 1 v.). Het sprak bijna vanzelf, dat deze stam, die in de theocratische crisis op zo gevaarlijke wijze betrokken was geworden, na Sauls dood zich in zijn geheel met David solidair verklaarde. Het echte koningschap, zoals dat in Israël voor altijd voorbeeldig is geworden, was dit echter nog niet. De jaren te Hebron vertegenwoordigen een zekere voorlopigheid. Zij laten de verkiezing Gods meer zichtbaar worden, maar de voor allen openbare verheerlijking laat zich nog wachten. ⚑Daarvoor ontbreekt nog de legitimiteit, die David tot het einde toe geëerbiedigd heeft. Wie zijn hand uitsteekt naar de gezalfde des Heren, aan die wordt het doodvonnis voltrokken; eerst om Saul (2 Sam. 1 : 15), later om Isboseth (2 Sam. 4:11). Het koningschap van den bloede is nog onvolledig. Daaraan ontbreekt de laatste grond. Het is te menselijk; te zeer gebonden aan de continuïteit van het vlees, dat gras is; het hangt aan een keuze, die in het bloed is ingebed en niet vrij daarboven door God, in zijn gratie, wordt uitgeoefend. Ons eigen volkslied belijdt deze dingen. Het weet ook van de betekenis van het bloed, maar het gaat daarboven uit, als er sprake van is dat "David moeste vluchten voor Saul den tyran":
"Maer Godt heeft hem verheven,
Verlost uut alder noot,
Een Coninckrijck ghegheven
In Israel seer groot."
En als het dan achter dat koninkrijk in Israël nog een "eewich rijck" ziet oprijzen.13
Daarin komt de ware legitimiteit Gods uit. Zij is een geopenbaarde verborgenheid. Nergens komt dat in de bijbel zo 'numineus', zo goddelijk ondoorgrondelijk uit, als in deze geschiedenis van de beide koningshuizen: dat uit Benjamin en dat uit Juda. Twee verkiezingen, twee zalvingen, gelijktijdig, beide van Godswege. Van God, wiens roeping onberouwelijk heet (Rom. 11 : 29) en wie het toch berouwt, dat Hij Saul tot koning gemaakt heeft (1 Sam. 15 : 11) en die dan David verkiest en laat zalven. Tweeërlei legitimiteit dus, waarvan in deze geschiedenis, op de voorgrond, de ene met de andere schijnt te spelen. David erkent die van Saul. Als hij in de spelonk van Engedi de slip van Sauls mantel afsnijdt, bonst hem het hart, omdat deze de gezalfde des Heren is (1 Sam. 24 : 6 v.). En omgekeerd belijdt Jonathan zijn geloof aan de verkiezing van David (1 Sam. 20 : 13 v.) en Saul doet dat tot tweemaal toe ook (1 Sam. 24 : 21 en 26 : 25). - Het lijkt wel een `mysterie-spel', dat voor het aangezicht des Heren zelf gehouden wordt en waarin ook de profeten optreden en aan de rand de waarzeggers opdoemen.
Dit gaat nog door, als Saul gesneuveld is en diens zoon Isboseth door de krijgsoverste Abner op de troon van Israël wordt geplaatst. Ook dan schijnt de strijd tussen de beide koningen niet helemaal ernst te kunnen worden, omdat God aan beide kanten is en de een een schroom in zich voelt voor de legitimiteit van de ander. Als Abner en zijn mannen Joab, Davids krijgsoverste, en diens leger bij de vijver van Gibeon ontmoet, stelt Abner voor: "Laten de jonge mannen aantreden en in onze tegenwoordigheid een kampspel houden." Joab antwoordde: "Dat is goed" (2 Sam. 2 : 14). Dat kampspel verloopt dan weliswaar bloedig genoeg en de legers raken slaags, maar op een gegeven moment wordt de strijd op voorstel van Abner gestaakt en Joab zegt dat dat reeds veel eerder had moeten plaatsvinden.
En achter dat alles regeert op de achtergrond Gods ondubbelzinnige verkiezing en wordt de ware legitimiteit toebereid. De zeven jaren te Hebron zijn voor het Israëlitische koningschap slechts een vooroefening. Politiek gezien is het geen verheffend schouwspel. De tragiek van Sauls koningschap zet zich voort. Ook de heldhaftigheid van Saul en Jonathan is niet meer aanwezig bij de zwakkeling op de troon, die een speelbal is in de handen van Abner. Slechts één ding blijft hem nog: de legitimiteit, de berouwelijke keuze Gods, die op zijn vader gevallen was. Zij heeft echter niets meer in en aan zich, wat imponeren kan. En in zijn val wordt Abner meegesleept, die reeds onderhandelingen met David had aangeknoopt. De koning wordt in zijn middagslaap vermoord en Abner valt door het verraderlijke zwaard van Joab. Dan is de weg vrij voor Davids regering over heel Israël.
Voor ons is het onmogelijk de politieke voorgrond en de mystieke achtergrond met elkaar te verbinden. De legitimiteit, de sleutel van het Godsrijk, is op aarde niemand in handen gegeven. Wij kunnen alleen maar om de komst van dat rijk bidden en het begroeten als het nabij komt, zoals Jonathan en Abigaïl. En zoals later Petrus, Jakobus en Johannes en Maria.