Kinderen Gods
Die geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen Gods zijn.
Romeinen 8: 16
De kinderen bekleden in het Evangelie een zeer bijzondere plaats. Men kan gerust zeggen, dat zij er in het middelpunt staan. Jezus heeft een van hen ook eens letterlijk in 'het midden' geplaatst, toen Hij wilde duidelijk maken, wie in het Koninkrijk der hemelen zouden binnengaan (Matth. 18 : 2).
Met een plechtig Amen! hief de Heer zijn spreuk over het kindeke op en gaf daardoor aan zijn handeling in zekere zin een sacramentele betekenis. Datzelfde kan men ook zeggen van de handoplegging, die Jezus bij een andere gelegenheid aan een aantal tot Hem gebrachte kinderen voltrekt. Het is wel merkwaardig, dat deze centrale plaats van het kind in de kerk niet een zichtbare uitbeelding heeft gevonden. Men zou het zich kunnen denken, dat de christelijke gemeente zich bijwijlen op zou stellen in de figuur van een rondom een kind geschaarde kring.
Wanneer wij er ons over verwonderen, dat Jezus' tentoonstelling van een handoplegging aan het kind geen sacramentele gestalte heeft behouden, dan zullen wij goed doen er aan te denken, dat dit tóch wel, onder verschillende, door ons niet altijd als zodanig herkende vormen, het geval is. Ik denk allereerst aan de doop, waarbij het kind ook letterlijk in het midden der gemeente gesteld wordt en waarbij het sacramentele karakter volkomen is. Alleen, het kind zelf is hier geen teken, maar het water, waarmede het besprenkeld wordt. Wel is de doop een afbeelding van de ingang van het kind in het Koninkrijk der hemelen. Men vergelijke Mattheüs 18: 2 v. slechts met Johannes 3 : 3: "Amen, amen, zeg Ik u, tenzij iemand wederom geboren worde, hij kan het koninkrijk Gods niet zien." Dit zijn eigenlijk parallelle plaatsen. Even plechtig, ja nu met een dubbel Amen! verzekert Jezus ook hier, dat men een kind moet worden om het koninkrijk Gods te kunnen binnengaan. Evenwel wordt hier misschien reeds aan de doop, het bad der wedergeboorte (Tit. 3 : 5), gedacht en wordt de voorstelling van het kind-zijn naar het geboren-worden verschoven.
Dit laatste is ook het geval bij de tweede kerkelijke plechtigheid, waarin een kind, nu Jezus zelf, in het middelpunt staat. Ik bedoel natuurlijk het Kerstfeest. Ook hier is het niet de twaalfjarige Jezus, uit het slot van Lukas 2, maar het Kindeke in de kribbe. En in de parallel uit het Johannes-evangelie (hfdst. 1 : 14) waar sprake is van de vleeswording des Woords, wordt alles, ook nu weer, meer verschoven naar het onaanschouwelijke. Zo heeft dan het kind wel een belangrijke plaats gekregen in onze kerkelijke viering en in ons geloofsleven. Maar niet als natuurlijke verschijning; niet als zichtbaar teken. Het deelt dit lot met de moeder uit de evangeliën, die eveneens zulk een merkwaardige plaats inneemt in het verhaal van Jezus' omwandeling op aarde. Een verzet daartegen kan men zien in de Maria-dienst, in de eredienst en in het geloofsleven der rooms-katholieken. Maar Jezus schijnt van te voren deze dienst te hebben afgewezen, als Hij, volgens een merkwaardige plaats in de evangeliën (Matth. 12 : 46-50), deze regelrechte overbrenging van het kindschap en het moederschap naar het Koninkrijk der hemelen afwijst en daarvoor een geestelijke vertolking in de plaats stelt. Men kan zeggen, dat daarbij de Heilige Geest de plaats van de moeder inneemt en het geloof die van het kind. Beiden, moeder en kind, hebben in het Evangelie en in de kerk zelfs geen plaats gekregen als tekenen, zoals dat in een natuurlijke religie het geval zou zijn geweest. In de kerk worden zij vervangen door de tekenen van geboorte en van dood, bij de doop en bij het avondmaal.
Zo verstaan wij dan ook de woorden van de apostel Paulus, die ik boven deze overdenking heb uitgeschreven. Tevoren had hij gezegd, dat wij door de Geest Gods geleid moeten worden, om kinderen Gods te kunnen zijn. Zoals Jezus het zeide op de plaats, die ik 't laatst aanhaalde: "Zo wie de wil mijns Vaders doet, die in de hemelen is, die is mijn broeder en zuster en moeder." De Geest, die ons dat leert en die dat in ons werkt, dat is de Geest der aanneming tot kinderen, zegt Paulus (vs. 15). Als die in ons is, dan worden wij echte kinderen. Dan leren wij te leven, zoals het natuurlijke kind schijnt te leven, nl. zonder vrees, ofschoon het vaak vol angst zit. Men vrage daarnaar maar eens de psychiaters, die zich er mee bezighouden zo'n kinderzieltje te ontleden. Zij trachten het werk van de Heilige Geest te benaderen, door kunstmatig te proberen, wat alleen door wedergeboorte mogelijk is. Als het de echte Geest van Jezus is - die een kindeke in het midden stelde en die het de handen oplegde - die door iemand ontvangen wordt, dan komt de spontane roep uit de ziel: Abba, Vader! Dan wordt de mens pas recht een kind. Dan gaat het vertrouwen op de Vader, die in de hemelen is, in zijn hart regeren en de vrees en de angst worden uitgedreven. Dan staat de deur van het Koninkrijk der hemelen voor hem open. Want dit is het kenmerk van dat Koninkrijk, dat de Koning daarin regeert als een vader over zijn kinderen.
Kunstmatig, ook pastoraal-kunstmatig, door middel van de meest ervaren zielzorg, is deze kinderlijke gesteldheid des harten bij ons niet aan te kweken. Onze eigen geest, hoe ook geholpen, komt tot die gesteldheid nooit. Daarvoor is wedergeboorte nodig. Alles moet anders. Zo niet, dan gaat het ons met het Evangelie, zoals het Paulus ging met de Wet: als wij als een kind willen doen, dan ligt de angst ons bij. Alleen als er een hoger, sterker, machtiger getuigenis in onze harten hoorbaar wordt; als de Geest van de Vader en van de Zoon aan de onderlinge verhouding tussen deze beiden gestalte geeft in ons leven, dan blijft er voor de vrees niet veel ruimte meer over. Dan ontstaat er een vrede tussen alle overleggingen onzes harten en zij kunnen 'als broeders samenwonen'. Dat is de poort des Heren naar het Koninkrijk der hemelen.