Kinderen der opstanding
Zij zijn kinderen Gods, dewijl zij kinderen der opstanding zijn.
Lukas 20 : 36 (St.V.)
Of de doden ook zouden opstaan, was in Jezus' dagen onder de Joden een brandende vraag. Sommigen zeiden: ja, anderen: neen. De Farizeeën antwoordden bevestigend; de Sadduceeën ontkennend. Hoe hartstochtelijk deze vraag behandeld werd, zien wij ook uit de geschiedenis van Paulus, die haar eens midden onder de Joden wierp, wat hem bijna het leven kostte (Hand. 23). Het is opmerkelijk, dat de opstanding van Jezus evenmin door de Farizeeën is geloofd als door de Sadduceeën. Het paasevangelie heeft de Joodse kerk niet in tweeën gesplitst. Die opstanding werd door de Farizeeën misschien nog heftiger ontkend. Het gaat op Pasen niet om een leerstuk, maar om een feit. En daarachter om een oordeel Gods. Wij oordelen niet, maar God oordeelt de levenden en de doden. De artikelen van ons christelijk geloof zijn geen van alle axioma's. Het zijn geen vanzelfsprekende waarheden. Lees maar in de evangeliën, hoe Jezus' eigen discipelen tot het geloof in zijn opstanding zijn gekomen. Let er op, hoe dat toeging bij de vrouwen, bij de Emmaüsgangers, bij de discipelen, bij Thomas. Dat er een opstanding uit de doden was, geloofden zij wel. Dat had voor hen altijd wel vastgestaan. Maar dat Jezus op de derde dag van zijn kruisiging door de Vader was opgewekt, dat moesten zij nog ontdekken. Jezus had het hun wel gezegd, maar zij hadden het niet aangenomen.
Achter de opstanding, die op Pasen gepredikt wordt, schuilt dan ook veel meer dan achter de lessen der Farizeeën. Niet een geboorte-zonder-meer, doch de vleeswording des Woords. Niet een dood op het eind van een leven, maar het verzoenend sterven aan het kruis. Niet de schepping van voor zesduizend jaren, maar het Koninkrijk, dat nabij gekomen was. Bij deze dingen hoorde de opstanding van Jezus.
Vergelijk dat nu eens met die vraag van de Sadduceeën, hoe het in de opstanding moest met die vrouw, die zeven mannen gehad had (Luk. 20 : 27-40). Er is hier en daar wel enige afstand tussen de filosofie en het Evangelie; ook wel tussen de theologie en het Evangelie. De les, die de discipelen en die wij moeten leren op Pasen, is deze, dat God de plaatsbekledende liefde tot hoeksteen maakt van zijn koninkrijk. Achter de opstanding dringt het hele Evangelie. Paulus zegt daarom ook, dat als Christus niet is opgewekt, de prediking en het geloof ijdel zijn (1 Kor. 15 : 14).
Toen Jezus met de Sadduceeën sprak, was dat geen eigenlijke prediking. Zij deden Hem strikvragen en Hij zocht daaraan te ontkomen. In dat licht moeten wij onze tekstwoorden bezien.
Jezus zegt, dat de vraag omtrent die vrouw en de zeven mannen niet slaat op wezens, die aan de engelen gelijk zijn. Deze zullen, omdat zij kinderen der opstanding zijn, dwz. omdat zij niet meer op aarde thuis horen, kinderen Gods zijn. Dat betekent: zij zullen hemelse wezens zijn. Hiermee heeft Jezus juist zoveel gezegd als er nodig was om aan een listige vraag van zijn vijanden te ontkomen. - Het is een soortgelijk antwoord als dat, wat Paulus geeft, als het gaat over het hoe van de opstanding en over hemelse lichamen (1 Kor. 15 : 30 vv.). Paulus begint dan met te zeggen: Gij dwaas! En dat is toch de bedoeling van Jezus ook bij zijn antwoord aan de Sadduceeën. Naar die kant kan men op Pasen niet ver komen.
De woorden kinderen Gods en kinderen der opstanding hebben echter in Jezus' mond ook nog een vollere betekenis. En deze heeft Paulus in zijn brieven naar alle kanten wel ontvouwd. Wanneer wij willen weten wat dat inhoudt: kinderen der opstanding te zijn en dan als zodanig kinderen Gods te wezen, dan moeten wij niet, zoals de Sadduceeën, even met Jezus bij de weg gaan staan praten, maar, als de discipelen, met Hem door het hele Evangelie gaan, van het begin tot het eind. Om een kans te hebben op de wederopstanding uit de doden moet men, zoals Paulus zegt, eerst gemeenschap hebben aan zijn lijden en aan zijn dood gelijkvormig worden (Fil. 3 : 10). En daarmee bedoelt de apostel niet alleen het einde van Jezus' leven, maar "de ganse tijd zijns levens op de aarde" (zondag 15). Hij bedoelt, dat zijn apostolaat het beeld moet vertonen van het Evangelie. Zo meent hij het ook als hij schrijft, dat hij in zijn vlees aanvult wat er ontbreekt aan de verdrukkingen van Christus (Kol. 1 : 24 Vert. NBG.).
Op die wijze krijgt de titel 'kinderen der opstanding' een voller inhoud. Van de hemelse zijde daarvan kunnen wij ons zo moeilijk een voorstelling maken. Dan komt men bij die zeven mannen terecht.
Maar daarom is het Woord vlees geworden en heeft onder ons gewoond (Joh. 1 : 14). Nu kunnen wij op aarde, in het Evangelie, aflezen, wie God is en wat de hemel is. Het Koninkrijk der hemelen is dicht bij ons gekomen.
Lezen wij dan uit het Evangelie, wat de kinderen der opstanding aan zich moeten hebben. Wij vinden: vernedering, aanvechting, overgave, offer en alles, waardoor de naam van Jezus tot een Evangelie wordt.
Daarom, zegt Paulus, heeft God Hem verhoogd (Fil. 2 : 5-11). Wij weten, van die zijde, alles van de opstanding. Wij weten van die kant het hoe daarvan. Wij weten hoe men er, evenals Paulus, naar jagen moet (Fil.3 : 12-16).
Op deze wijze zal het met die heerlijke titel 'kinderen der opstanding' gaan, zoals het gegaan is met de naam: 'kinderen Gods'. In onze nieuwe vertaling is dat minder duidelijk geworden, omdat men daar het zonen Gods, als dat er in de Griekse tekst staat, niet, zoals de Statenvertaling, meestal met kinderen heeft overgezet. Daardoor komt in die eerste vertaling de hemelse staat meer naar voren. Onze oude vertaling heeft dat soort zonen Gods, die wij uit Genesis 6 kennen, een beetje teruggeschoven. Zij hadden, als zij zich zo van de hemel af met de aardse dingen bemoeiden, nooit veel goeds verricht. Om dat te kunnen doen, moest men eerst met Jezus de lijdensweg door het Evangelie gaan. Daarom waren onze oude vertalers wat bang van dat 'zonen' en maakten er 'kinderen' van. Het hemelse ging er dan wat af, maar het was duidelijker, dat God ze alleen kan aannemen, als zij de Geest van Christus hadden (Rom. 8 : 15). En zo denken wij nu de titel kinderen Gods altijd gevuld met de hele inhoud van het Evangelie en geladen met al de stukken van ons geloof.
Zo moeten wij dat 'kinderen der opstanding' ook leren gebruiken. Hier, in Jezus' mond tegen de Sadduceeën, betekent het nog hemelse wezens, zoals dat 'kinderen Gods' in onze tekst ook. Er staat ook beide keren 'zonen' in de grondtekst en de nieuwe vertaling heeft ook 'zonen'. Toch vind ik dat 'kinderen', afgezien van deze bijzondere gelegenheid, beter. Het is blijer. Zonen is trotser. Als wij deze zeldzame titel: kinderen der opstanding, niet zoals hij voorkomt in Jezus' twistgesprek, maar in zijn verlossingswerk, willen gebruiken, dan moeten wij er mee doen, zoals de Statenvertaling met het kinderen Gods.