Kerkorde
Er is verscheidenheid in genadegaven, maar het is dezelfde Geest.
1 Korinthiërs 12 : 4 (Vert. NBG.)
Geest is op zichzelf voor mensen een gevaarlijk speelgoed. Dat bleek ook reeds heel spoedig in de eerste christelijke gemeenten en wel zeer bijzonder in de gemeente te Korinthe, aan welke Paulus deze brief heeft geschreven. Want de mens is nu eenmaal, zoals hij uit de hand Gods is voortgekomen, vlees. En zo wordt hij in de bijbel ook steeds genoemd. Wanneer hem daar een geest wordt toegeschreven, dan heet God nog in het bijzonder de God der geesten van alle vlees (Num. 16 : 22). Die geesten van alle vlees blijven nadrukkelijk aan God toegeëigend. Zoals het verstand niet denken kan, als het niet met 'god'lijk licht bestraald' (Ps. 119 : 17)85 is, kan het vlees niet heilig zijn, als het de geest niet voortdurend van God blijft ontvangen.
Daarom heet de Geest, die aan de gemeente van Jezus Christus werd gegeven, ook de Heilige Geest en van Hem wordt gezegd, dat Hij werd uitgestort op alle vlees (Hand. 2 : 17). Hij was zelf ook God en degenen die Hem ontvingen kregen Hem regelrecht van Jezus Christus en van de Vader. ⚑Hij was een gave en wie deze gave ontvingen, leefden nu niet meer naar het vlees, maar naar de Geest (Rom. 8 : 4). Zij waren geestelijken, begenadigden en daardoor begaafden. Zij konden op hun beurt ook weer iets geven aan de gemeente, aan hun medeleden in het lichaam van Christus. Er ontstond een heilige uitwisseling van genadegaven, waardoor allen werden verrijkt. Maar ieder bleef er zich van bewust, dat deze geestelijke gaven genadegaven waren. Dat zij niet aan het vlees als zodanig toebehoorden, maar dat het werkingen waren van dezelfde God, die alles in allen werkt (1 Kor. 12 : 6).
Althans, zo behoorde het te zijn. Maar ook toen reeds, in die eerste christelijke gemeenten, in de tijd der eerste liefde, bleek het niet zonder gevaar de Geest aan mensen te schenken. Het was een waagstuk Hem uit te storten over alle vlees. Zolang het Jezus Christus alleen gold, wie God de Geest "niet met mate" (Joh. 3 : 34) gegeven had, ging alles goed. Maar nu de Geest zo roekeloos was uitgestort over alle vlees, en nu er verscheidenheid ontstond in gaven, bedieningen en werkingen (1 Kor. 12 : 3-6), nu bleek het, hoeveel risico God had willen nemen om zijn Koninkrijk op aarde te grondvesten. Nu werd het een hachelijk avontuur, zoals het dat ook reeds geweest was, toen God de adem des levens de mens in de neusgaten geblazen had. - Die schepping was uitgelopen op het bestaan van heidenen en Joden, van welke de laatsten het niet zoveel beter gemaakt hadden dan de eersten. Zij deden - zegt Paulus - dezelfde dingen (Rom. 2 : 1). - En nu Christus op aarde gekomen was en nu God in de volheid der tijden wederom alles tot één wilde vergaderen in Christus (Ef. 1 : 10), nu het ging om de oprichting van zijn Koninkrijk, nu liep dat Koninkrijk uit op een kerk, met al de verscheidenheden van dien. Verscheidenheid van gaven, verscheidenheid van bedieningen, verscheidenheid van werkingen. Paulus heeft er genoeg mee te stellen, vooral in die meest geestelijke en tegelijk meest vleselijke gemeente van Korinthe. Men leze maar deze hoofdstukken 1 Kor. 12 vv., waarin hij een eerste kerkorde zoekt te ontwerpen. Het grote gevaar, dat hier dreigt en waarmee ook de apostel hier te strijden heeft, is dit, dat het vlees zelf over de geest zal gaan beschikken. Dan moet de geest dadelijk met een kleine beginletter geschreven worden. Want over de Geest kan niemand beschikken. Dit is het grote gevaar voor de kerk op aarde. En dit is het risico, dat God met haar neemt. Hij liet het Koninkrijk der hemelen nabijkomen, en zie, Hij moet met een kerk genoegen nemen. Het verschil is, dat de kerk altijd meer of minder zelve over de Geest beschikt. Dat is haar erfzonde, waaruit al haar verdere feilen voortkomen. Iedere kerkorde behoort eigenlijk niet anders te zijn, dan een correctie op deze grondfout.
Paulus ziet dat althans zo. Hij wil niet dat de broeders te Korinthe onkundig zullen zijn omtrent deze dingen (1 Kor. 12 : 1). Zij moeten weten hoe het gesteld was met de verhouding van mens en Geest. - Geest op zichzelf, los van alles, is een wild en onberekenbaar beginsel. Als er iets is, dat God in handen moet houden, dan is het juist de Geest.
De losse, ongebonden geest is een spook of een demon. Van die kant gezien is het geen schade noch schande, dat wij vlees zijn. Het brengt de mens geen voordeel, als hij zich God gelijk wil maken of zich tegenover Hem stellen. Geest zonder God werkt als dynamiet en richt de wereld en de mensheid te gronde. De mensen te Korinthe wisten uit de eerste hand, welk een wild en woelig element de geest is. De heidenwereld in het algemeen weet dat. En wij weten het ook.
In het koninkrijk Gods echter wil God ons regeren door zijn Woord en Geest (zondag 48). En overal en altijd waar wij bij dit Koninkrijk achterblijven, overal en altijd waar de kerk ontstaat, omdat het Koninkrijk nog niet komt, daar ontstaat ook deze nieuwe erfzonde, van zelf over de Geest Gods te willen beschikken.
Daarom hebben alle artikelen van Paulus' kerkorde deze strekking: alle genadegaven op dezelfde Geest terug te brengen. De kerk is dan misschien niet zo pompeus, niet zo indrukwekkend. Maar zij blijft in Gods handen. Wat wil zij meer?