O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Jezus als rechterGestalte en GeestOvergeleverd en opgestaan →

Verzamelde Werken, deel 8 · Gestalte en Geest · Deel II · Boek 1: Gods gestalte · p. 298–300

Jezus op straat

Lukas 18 : 35-43

Er bestaat tweeërlei ellende, een geestelijke en een lichamelijke. In de kerk staat de eerste meestal het meest op de voorgrond: de zonde en de schuld, die vergeven moeten worden. In het Evangelie staan ze meer naast elkaar en helpt Jezus soms tegelijk in deze beide noden (Luk. 5 : 17-26).

De verhalen van uitwendige hulp zijn er zelfs talrijker dan die omtrent innerlijke zielzorg. Dat maakt een van de verschillen uit tussen het Koninkrijk der hemelen en de kerk. Deze laatste trekt zich, in een afwachtende houding, enigszins terug en rekent er mee dat Jezus zal wederkomen. Zij gaat met haar 'Kyrie eleison!', dat wij in onze perikoop op de straat horen uitroepen, naar binnen.

De volle heerlijkheid ervan wordt echter pas openbaar, als die roep op de straten gehoord wordt en verhoord wordt. Als het Evangelie een publieke aangelegenheid wordt, zich nergens terugtrekt, maar overal een agressieve houding aanneemt. Zulk een openbaring wordt ons getekend in onze tekstverzen. Jezus trekt daar als een koning met een Hem begeleidende schare langs de weg naar Jericho. De weg is voor Hem, maar Hij moet die merkwaardigerwijze toch delen met een blinde bedelaar, die er verkregen rechten heeft. Deze zit daar dagelijks zijn kost te winnen met zijn geroep en laat zich dat recht van de straat niet ontnemen. Als men hem echter vertelt, dat Jezus van Nazareth voorbijgaat, wijzigt hij zijn dagelijkse liturgie. Hij geeft Jezus de messias-titel: 'Zoon van David', en roept zijn medelijden in. Jezus' volgelingen vinden dat ongepast en menen, dat de blinde bij deze gelegenheid zijn geroep moet staken. Hij schreeuwde echter des te luider, tot Jezus hem bij zich liet brengen en hem vroeg wat hij van Hem wilde. De blinde antwoordde: "Here, dat ik ziende worde!" Jezus zeide: "Word ziende, uw geloof heeft u behouden." En terstond gebeurde het, zodat hij zich bij de schare kon aansluiten, God lovende en de schare met hem.

Ons treft weer de zakelijkheid van Jezus' handelswijze, zoals dat ook het geval was in de vorige meditatie, bij zijn rechtspraak over een overspelige vrouw. Hier is Hij de Koning, die iedere omhaal van woorden kan vermijden en zijn bevelen de kortst mogelijke vorm kan geven, zoals God bij de schepping. Hier, op de straat, is Hij de overwinnende veldheer, die bezit neemt van zijn Rijk en die, met een enkel handgebaar of woord, aan de overste der wereld zijn vaten ontrooft, wanneer Hij ze op zijn weg tegenkomt. Hier hoort Jezus thuis en hier ziet men zijn heerlijkheid voluit. Dit is de ware atmosfeer van het Evangelie. Alles is hier openbaring, opklaring, bevel, op de man af. De geheimenissen uit de gelijkenissen zijn nu uitgebroken en tonen zich voor ieders ogen. Hier is geen mysterie, maar de grote publiciteit Gods.

Men lette er op, wie in die publiciteit te voorschijn komen en men zal weten wie God is en wat het Evangelie is. Men geve er zich rekenschap van wie het zijn, die met Jezus de straat delen; de enigen, die Hem die straat kunnen betwisten en hun rechten daar tegenover de zijne kunnen geldig maken; die hun publiciteit tegenover de zijne kunnen stellen. Het zijn zulke blinde bedelaars, die als 't ware bij de weg horen; het zijn de tollenaars, die in Jezus' dagen ook de naam van publicani, pachters van staatsinkomsten, droegen; het zijn de zondaressen, de publieke vrouwen, waarvan de evangelisten ons verhalen.

Dit is het Godsbeeld en het wereldbeeld dat ons uit de evangeliën tegenkomt. Dit is de straat van het koninkrijk Gods en tegelijk de straat van deze wereld. God heeft zijn werk nooit in een hoek gedaan en Hij doet het nog niet.

Dit moet de kerk steeds in gedachten houden. Haar afwachtende houding, na de hemelvaart, is begrijpelijk en zij kan daaraan in zeker opzicht niet ontkomen. En dat zij zich van de straat in een gebouw terugtrekt, heeft een zekere natuurnoodwendigheid. Maar zij mag de heirweg van het koninkrijk Gods, de grote publiciteit Gods, nooit vergeten. De kerkvader Augustinus vond in die publiciteit het voordeel van de christelijke godsdienst boven de heidense."Wat daar gepredikt werd was voor ieder openbaar; het was geen geheimleer.

Als men de dingen Gods, het Evangelie van Jezus, te zeer naar binnen haalt, gaat er veel verloren. Men kan van de kerk niet weer naar de straat terug. Wie, nu Jezus ten hemel gevaren is, beelden of tekenen uit de kerken langs de straat gaat dragen, begaat afgoderij. Dat is de manier van de heidense godsdiensten; dat heeft met Jezus' processie met de schare niets te maken. De opmars van zijn Koninkrijk, de straat van het Evangelie, mist het typisch-kerkelijke: de plechtigheid. Wij hebben er nog zo weinig idee van, op welke wijze God op weg is in zijn wereld. Het lijken wel figuren uit wat wij wel eens de onderwereld noemen, die dan voor de dag komen! Weinig engelen, ouderlingen en diakenen!

Maar heeft Jezus het ook zelf niet zo gezegd, toen hij leerde, dat de gasten aan het koninklijk bruiloftsmaal van de "kruispunten der wegen" zouden komen (Matth. 22 : 9)?

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Jezus als rechterGestalte en GeestOvergeleverd en opgestaan →