O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← De misdeeldenGestalte en GeestJezus op straat →

Verzamelde Werken, deel 8 · Gestalte en Geest · Deel II · Boek 1: Gods gestalte · p. 296–298

Jezus als rechter

Johannes 8 : 1 -1 1

De perikoop, die hierboven staat aangegeven, schijnt oorspronkelijk niet in het evangelie van Johannes gestaan te hebben. Zij zal aan de overlevering ontleend zijn en later in dat evangelie zijn opgenomen. Althans, zo oordelen de beste kenners van de oud-christelijke letterkunde.49 Uit de kritische tekstuitgaven wordt zij dan ook meestal weggelaten. Uit de vertalingen gelukkig niet; zij het dan ook dat dit verhaal misschien beter gepast had in een der synoptische evangeliën, - deze overlevering heeft het volle canonieke gehalte.

Zij deelt mede, hoe Jezus in de tempel bezig was het volk te leren en hoe er toen een aantal schriftgeleerden en Farizeeën kwamen met een vrouw, die op overspel was betrapt. Mozes had bevolen, dat zulk ene gestenigd moest worden. Nu wilden zij weten wat Jezus er van zou zeggen. Daarachter school de bedoeling Hem in moeilijkheden te brengen. Zou Hij zich tegen de steniging uitspreken, dan was Hij geen rechtzinnige Jood. Verklaarde Hij zich er voor, dan viel Hij uit de toon van het Evangelie.

Jezus nam geen notitie van deze lieden en tekende als in gedachten met zijn vinger figuren op de grond. Toen zij echter aanhielden, richtte Hij zich even op en zeide, dat volgens eenzelfde wet van Mozes, de aanklagers gehouden waren de eerste stenen te werpen (Deut. 17 : 7); de beurt was aan hen en niet aan Jezus. Hadden zij de zedelijke moed tot die eerste steen? Toen bukte Jezus zich weer en ging door met zijn figuren. Van deze gelegenheid maakten de aanklagers gebruik om, te beginnen met de oudsten, zich te verwijderen. Zij lieten Jezus alleen op zijn leraarszeteltje, met de vrouw in de kring van zijn toehoorders tegenover zich. Jezus richtte zich nu weer op en zeide tot haar: "Vrouw, waar zijn ze? Heeft niemand u veroordeeld? En zij zeide: Niemand, Here. En Jezus zeide: Dan veroordeel Ik u ook niet. Ga heen, zondig van nu af niet meer!" Ik heb, tegen mijn gewoonte, bijna de gehele perikoop weergegeven; op het einde met de eigen woorden van de overlevering. Het tafereel zelf, als 'levend beeld', afgezien nog van de woorden, die er gesproken worden, voert een eigen taal. De handeling is even welsprekend als de tekst. Daarom mag de meditatie zich in dit geval niet te ver van het Evangelie verwijderen; zij moet, om zo te zeggen, plaats hebben van de kring uit, waarin de vrouw zich bevindt.

Wat beoogt die leraar toch, als Hij op zo opvallende wijze laat merken, dat Hij niet gestoord wil worden? Wil Hij niet betrokken worden in het aards gedoe, evenals toen iemand Hem vroeg als rechter op te treden bij het delen van een erfenis (Luk. 12 : 13)? Of wil Hij enkel een dispuut over de toepassing van een wetsartikel vermijden, zoals toen men Hem vroeg naar de belastingplicht tegenover de keizer (Mark. 12 : 13-17)? Vond Jezus het op zichzelf wel goed, dat ook in dit geval het Mozaïsche recht zijn loop had en diende de herinnering aan het voorschrift van 'de eerste steen' hem slechts om er buiten te blijven? Boezemde de afloop van dit rechtsgeding hem dus eigenlijk geen belang in en was Hij bereid deze vrouw aan haar lot over te laten?

Wat zou men moeten aannemen, als die uitleggers gelijk hadden die, zoals Calvijn doet, er zoveel nadruk op leggen, dat Christus de mensen de zonde op zulk een wijze vergeeft, dat de politieke orde daardoor niet wordt opgeheven en de vonnissen en straffen daarbij niet worden afgeschaft.50 De hervormer doet dat tegenover de Roomse uitlegging, die deze perikoop gebruikte voor een verzachting van het strafrecht in zulke gevallen, en tegenover de Wederdopers, die genade en recht zo grondig vermengden, dat de hele rechtsorde daarbij te gronde dreigde te gaan.

Toch speurt men aan deze exegese van Calvijn een harde trek, die bij deze evangelische geschiedenis niet past. Het is een hardheid, die de calvinistische kerken en staten in West-Europa lang bijgebleven is en die nog niet geheel is uitgesleten. In die nationale rechtsstaten heeft de doodstraf orgiën gevierd, zoals de middeleeuwen die niet hadden gekend. Niet het minst in het bijna totaal hervormde Engeland was dat het geval en wij kunnen daarvan tot in onze tijd het naspel beleven. Maar overal bestaat er, op het stuk van de doodstraf, op het reformatorisch erf een achterstand in barmhartigheid tegenover Rome. Nimmermeer mag de genade zo bruusk halt houden tegenover het recht en nooit mogen kerken en staten zich zo veilig stellen tegen de inbreuken van het koninkrijk Gods. De doperse onrust mag in calvinistische landen nooit geheel tot rust komen. Er moeten overal Kwakers blijven, die het geweten van de natie kunnen zijn.

Jezus heeft de kranken niet helemaal aan de dokters overgelaten, maar heeft er velen genezen, al was Hij onbevoegd. Zo heeft Hij ook de schuldigen niet altijd in de handen van de rechters gelaten, maar Hij heeft van zijn Koninkrijk uit met zijn genade soms een inval gedaan in de gebieden van hun harde vonnissen. In dat licht moeten wij deze overlevering omtrent de vrijspraak van een overspelige vrouw lezen. Jezus kent zulk een scheiding tussen genade en recht niet. Hij maakt er één rechtbank van, waarbij Hijzelf de rechter is en de aanklagers de gezworenen. Zij mogen naar eer en geweten vonnis vellen. De jury heeft niet de moed het 'schuldig' in de zin der wet uit te spreken. En het spreekt vanzelf, dat de rechter het dan ook niet doet. Deze oplossing is zo eenvoudig en zo subliem, dat wij niets anders begeren te doen dan stil toe te zien bij deze hemelse rechtspraak. Zie Hem zich bukken en oprichten! Zie die aanklagers wegsluipen! Hoor dan die merkwaardige dialoog binnen de kring der omstanders: "Heeft niemand u veroordeeld? En zij zeide: Niemand, Here. En Jezus zeide: Dan veroordeel Ik u ook niet. Ga heen, zondig van nu af niet meer!" - Hoe zakelijk is de genade.

Eindnoten

  1. 49

    Vgl. bijv. Th. Zahn, Johannes, p. 712, die, naast de auteurs der apparaten als Westcott en Hort, H. von Soden noemt.↩

  2. 50

    Comm. in Ev. Joannis, t.p. (CR. 75, 191); vgl. ook Inst. IV, 1, 20; 20, 1.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← De misdeeldenGestalte en GeestJezus op straat →