O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← KapernaumGestalte en GeestDe schare →

Verzamelde Werken, deel 8 · Gestalte en Geest · Deel II · Boek 1: Gods gestalte · p. 257–258

Jeruzalem

Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt.

Mattheüs 23 : 37 (Vert. NBG.)

Wanneer wij de beelden uit de evangeliën voor ons laten opdoemen, dan verschijnt tegenover het hel-gekleurde van Kapernaüm, dat van Jeruzalem in duistere tinten. Het eerste wekt bij ons een vermoeden van een komend koninkrijk. Het tweede geeft ons de zekerheid van de ondergang daarvan. In Galilea lijkt het, alsof alle kwalen der mensheid door Jezus van de aardbodem zullen worden verjaagd. In Judea zien wij al dat lijden terugkeren om op Hemzelf aan te lopen. - De discipelen, die bij het meer Gennesareth rondom Jezus werden vergaderd en daar als 't ware zijn lijfwacht uitmaken, worden in de hof Gethsemané weer verstrooid (Matth. 26 : 56). En het Hosanna-geroep, waarmede de Galileeërs zijn intocht te Jeruzalem begeleidden, wordt daar heel spoedig vervangen door het Kruisig Hem van de bewoners der hoofdstad.

Deze kapitale wending in het Evangelie is niet te verklaren als een betrekkelijk toevallige afloop van een episode in de geschiedenis van het volk Israël. - Zij is wel historisch. Kapernaüm en Jeruzalem zijn geen ideeën, die zich tegen elkaar uitspelen en die dan in een derde idee zich met elkaar zouden verzoenen. Neen, het is wél een geschiedenis, met een begin en een afloop. De wending in het Evangelie is niet ideëel, maar reëel. Doch zij is historisch in hogere zin. Er waren profetieën die vervuld moesten worden (Luk. 24 : 44). En deze waren gesproken door profeten, die eerder geleefd hadden. Jeruzalem had ook vroeger die profeten gedood. En God had zich daardoor niet laten afschrikken, maar had tenslotte zijn Zoon gezonden (Matth. 21 : 33-44). Jezus' dood is wel een feit in de geschiedenis, maar hij is tevens een goddelijke noodwendigheid. Het Evangelie is een geschiedenis Gods, waarin Kapernaüm en Jeruzalem beide even werkelijk en tevens even waar zijn. Zij dienen samen de Raad Gods. Wanneer men het eerste een prediking van waarheid en het tweede een mislukking in de werkelijkheid zou noemen, dan gaat dat niet op, want Golgotha bekleedt een veel grotere plaats in de prediking dan het meer Gennesareth. En als mislukking der werkelijkheid zou Kapernaüm nog eerder gezien kunnen worden dan Jeruzalem. Men leze slechts wat Jezus er van zegt: "Kapernaüm, dat tot de hemel toe zijt verhoogd, gij zult tot de hel toe nedergestoten worden" (Matth. 11 : 23). Het Koninkrijk der hemelen in Galilea schijnt zich op te lossen als een droom of een nevel. En daartegenover staat, dat het kruis op Golgotha zijn betekenis ziet bevestigd door de opstanding op de paasmorgen. Zo staan dan deze beide, het heldere en het donkere beeld, tegenover elkaar in de evangeliën. Wij mogen ze niet van elkaar scheiden, om dan tussen die twee te kiezen. Van beide geldt: "Gelooft het Evangelie!"

Wanneer wij nu vragen, hoe de ene zijde van dat Evangelie zo licht is en de andere zo donker; hoe in de eerste Jezus het lijden kan verdrijven en in de laatste door het leed der wereld ten dode geperst kan worden, dan staan wij voor het grote goddelijke geheim, dat Israëls profeten reeds bezighield (Jes. 53) en dat nu in de wereld gepredikt wordt. Iedere poging om het verstandelijk op te lossen, moet mislukken. Alleen de Heilige Geest kan ons de waarheden en de werkelijkheden daaruit stuk voor stuk verklaren. Een samenvattend gezicht op het geheel heeft God zelf alleen maar.

Maar het stamelen der prediking van profeten en apostelen laat ons dan toch wel iets bevroeden van die eenheid. Zo denk ik nog eens terug aan dat wonen van Jezus te Kapernaüm. Het miste zo geheel het zelfzuchtige, dat het bij ons vaak heeft. Wel noemen de evangeliën het een zich-terugtrekken: "Toen Hij vernam, dat Johannes overgeleverd was, trok Hij zich terug naar Galilea" (Matth. 4 : 12 Vert. NBG.). Men zou zeggen, dat Jezus niet, evenals de profeten en Johannes, gedood wilde worden in Judea. Maar het gaat toch van het begin af die kant uit. Jezus bereidt zichzelf geen plaats, als Hij onder ons gaat wonen. Als Hij straks aan het kruis hangt, is er niets meer over van een zich-terugtrekken. Dan is Hij ook in zijn dood geheel blootgesteld. Geen bedekking is Hem overgelaten.

Jeruzalem, dat de profeten doodt, is de magneet, die Jezus aantrekt. De donkere schaduwen vallen van achteren naar voren in het Evangelie. Zij verdiepen de trekken van het beeld, dat aanvankelijk zo stralend voor ons opgaat. De goddelijke achtergronden nemen steeds meer alles in zich op. Wonen, zelf-een-plaats-beslaan, wordt nu plaatsbekleden, staan voor een ander, voor allen. En zo gaat het met al het andere en met het Koninkrijk der hemelen zelf. Het stond daar even te vibreren als een regenboog boven het meer. In de onweersluchten rondom Jeruzalem krijgt deze boog weer zijn oorspronkelijk karakter van een belofte.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← KapernaumGestalte en GeestDe schare →