O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← God als gaveGestalte en GeestLevende woorden →

Verzamelde Werken, deel 8 · Gestalte en Geest · Deel III · Boek 1: De vertolker van Gods gestalte · p. 369–371

Incarnatie en inspiratie

Deze mens spreekt onophoudelijk lasterlijke woorden tegen deze heilige plaats en de wet.

Handelingen 6: 13 (Vert. NBG.)

Lukas, de metgezel van Paulus, heeft in zijn tweede boek de betekenis van de Griekse gemeente voor de Godsopenbaring sterk laten uitkomen. Het begint al in Handelingen 2, waar de landen der verstrooiing opgenoemd worden, waar Joden in het Grieks dachten, lazen en schreven (vs. 9 v.). Dan komt Petrus verder wel sterk op de voorgrond (vs. 14-40), maar dat neemt niet weg, dat de Heilige Geest zelf tot de buitenlandse Joden gesproken heeft (vs. 5-13) en dat Petrus daarna slechts een verklaring daarvan gegeven heeft.

Wel komt er dan nog een naspel van de evangeliën in Handelingen 3, 4 en 5 : 12-42, waar Petrus en Johannes, evenals Jezus opgaan naar de tempel om te helen en te leren. Zij komen evenals Hij in conflict met Farizeeën en schriftgeleerden; worden ook als Hij gegeseld, maar dan, op raad van Gamaliël, vrijgelaten (5 : 40). Deze christenen worden voorlopig als een Joodse sekte erkend en met rust gelaten.

Maar dan wordt, reeds in Handelingen 5: 1-11 en vervolgens in de hoofdstukken 6, 7, 8 en 9 : 1-31, het eigenlijke motief van Lukas' tweede boek weer opgenomen. Wij horen van de heiligheid van de liefdedienst; van de afsplitsing van een Grieks apostolaat, dat daarmee samenhangt; van Stefanus en Filippus, de twee vooraanstaanden dezer Griekse 'apostelen', mannen wier roeping en leiding door de Geest bijzonder op de voorgrond wordt gesteld. En eindelijk van de wording van Paulus' zending onder de heidenen. Dit alles sluit weer regelrecht aan bij Pinksteren, toen de Geest tot de buitenlandse Joden sprak. Deze hoofdstukken geven tegelijk het verhaal van een vervolging, die tegen de Griekse gemeente uitbrak (8 : 1 vv.), waarbij de Hebreeuwse apostelen ongemoeid bleven (8 : 1). Het bestand, dat ten opzichte van de Twaalve werd in acht genomen, blijkt niet te gelden voor de Griekse geloofsgenoten. De eersten hebben een heel andere geschiedenis gehad dan de laatsten. En het zijn deze laatsten, die aan Lukas de perspectieven hebben verschaft voor zijn tweede boek. Want wel komt Petrus, ook na Paulus' verschijning, nog enkele malen op het toneel, maar van Handelingen 13 af wordt de volle belangstelling het apostolaat des Geestes toegekeerd. De evangeliën zijn dan ten volle afgewikkeld; Petrus en Johannes verdwijnen uit het gezichtsveld.

Het verschil tussen de beide apostolaten, de Twaalve en de Zeven, wordt door onze tekstwoorden duidelijk tot uiting gebracht. Het ligt in de verhouding tot tempel en wet. De Twaalve gaan op in de tempel en stellen prijs op een rechtvaardigheid uit de wet. De Zeven doen, blijkens onze tekstwoorden en de rede van Stefanus in Handelingen 7, het omgekeerde. Voor Petrus en Johannes waren de tempelreiniging van Jezus (Luk. 19 : 45 v.) en zijn rede tegen de stoel van Mozes (Matth. 23) geen beslissende keerpunten in de heilsgeschiedenis. Voor Stefanus en Filippus betekenden die een afbraak van de eredienst en een verandering van de zeden (Hand. 6 : 14).

Daarom weten de Twaalve als ik het zo eens mag zeggen, niet goed raad met de Heilige Geest. Wel in de zin van een verschijning, een doop, een sacrament, maar niet als van een de wereld herscheppende God. De belijdenis van de incarnatie, dat Jezus als Jood had rondgewandeld en dat in Hem het Woord vlees was geworden, gelukt hun goed. Maar zij verstaan niet volkomen de heilige kunst om na Pinksteren met de evangeliën te breken, om met de Griekse gemeente de volle wending des Geestes mee te maken, waarop Jezus hen had voorbereid. Zij willen liefst met Jezus doorgaan en de evangeliën voortzetten.

Deze wending wél te volbrengen, dat is beter gelukt aan de Zeven; in het bijzonder aan Stefanus en daarna in heilshistorische volmaking aan Paulus. Daarover gaat het in de Handelingen der Apostelen, waarin ons Gods werk na Jezus' hemelvaart wordt beschreven. Dan gaat het niet meer over de incarnatie of over een voortzetting daarvan, maar over de inspiratie, het goddelijk blazen van de Geest over alle vlees, waardoor alle dingen nieuw gemaakt worden. Stefanus ziet het als de grote zonde van Israël, dat het zich altijd verzet heeft en nog verzet tegen die Geest (Hand. 7 : 51). Hun tempeldienst en wetsbetrachting zijn voor hem de vrome vormen, waarin deze zonde tegen de Heilige Geest zich heeft gekleed (Hand. 7 : 48 en 51). Pinksteren is voor hem een beslissende ure in Gods openbaring.

Daarom wil hij de Christus ook niet meer kennen naar het vlees. In zijn sterven ziet hij Hem staan aan de rechterhand Gods in de hemel. De Heer is voor hem de Geest.

Ieder op de voorgrond schuiven van de incarnatie is ook een zonde tegen de Heilige Geest.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← God als gaveGestalte en GeestLevende woorden →