O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Onze ware existentieGestalte en GeestDe nevelen van Pasen →

Verzamelde Werken, deel 8 · Gestalte en Geest · Deel II · Boek 2: De getuigen van Gods gestalte · p. 311–313

Idee en werkelijkheid

En zij werden indachtig aan zijne woorden; en wedergekeerd zijnde van het graf, boodschapten zij alle deze dingen aan de Elve en aan alle anderen.

Lukas 24 : 8 en 9 (St.V.)

De Statenvertaling verdient hier de voorkeur boven de nieuwe vertaling, welke laatste het indachtig worden weergeeft met een zich herinneren. De herinnering is te zeer een eigen werk en gaat vooral ook op zaken terug, terwijl in het paasevangelie, zoals Lukas dat weergeeft, de gedachten der vrouwen die Jezus' dode lichaam in het graf zochten, plotseling inkeerden tot zijn levende woorden, tot het evangelie, dat Hij haar gebracht had. Volgens dat evangelie was God niet een God der doden, maar der levenden (Luk. 20 : 38). Het is niet genoeg, als men zich zulke woorden Gods herinnert. Zij moeten inslaan in ons denken, zoals een meteoor in de dampkring. Zij moeten licht scheppen in de duisternis. Zij brengen ons een ontdekking; zij laten ons een pas geschapen wereld zien.

De herinnering is een ziekte, waaraan wij allen lijden. Wanneer God niet tussenbeide komt, zullen wij er aan sterven. Wij hebben echter die krankheid lief, zoals de opiumschuiver zijn dromen. Wij houden van die beelden, de ideeën, die op de achtergrond van ons bestaan zich schuil schijnen te houden, omdat zij de bezoedeling met de werkelijkheid vrezen. Haar schoonheid verleidt ons om van het leven een spel te maken en ons eveneens verre te houden van de vieze zaken, die er op de markt des levens verhandeld worden.

Daarom staan wij voor dezelfde keuze, waarvoor de vader van het Europese denken en leven, Augustinus geplaatst werd: herinnering of indachtig worden; otium of negotium; filosoferen of geloven; Plato of Jezus.

Plato is door de politiek van zijn dagen teruggedrongen in de wereld der ideeën. De herinnering is voor hem de hoogste functie van ons bestaan geworden. Hij zag de opperste schoonheid van de dingen, zoals zij bij God Zijn, en wenste ook in die 'gestaltenis Gods' te zijn, en 'Gode evengelijk' te wezen (Fil. 2 : 6). De weg om daartoe te geraken kende hij echter niet (Augustinus).55 Hij kon niet indachtig worden. Het Evangelie was hem niet gepredikt. - Jezus heeft het omgekeerde gedaan. Hij was in de gestaltenis Gods en was Gode evengelijk en toen heeft Hij zichzelf vernietigd en ontledigd. Hij heeft de toestand achter zich gelaten en de herinnering daaraan verzaakt. Hij heeft de bestaansvorm van een slaaf aangenomen (Fil. 2), de uiterste en onderste werkvorm. En de enige filosofie, die Hij daarbij nog overhield was het indachtig worden aan de woorden Gods. Van de ideeën wist Hij niets meer. Hij ging zijn weg van woord tot woord, van profetie tot profetie, van psalm tot psalm, tot in de engten van de zeven kruiswoorden, alle uit de profetie genomen. En langs deze weg, door de dood en het graf en de hel heen, is Hij gekomen tot de opstanding en is de Heiland der wereld geworden.

De Europese christenheid heeft deze twee wegen, de weg van Plato en de weg van Jezus, zoeken te verbinden. Zij heeft in de linkerhand haar leven willen behouden, terwijl zij met de rechter het kruis voor zich uitdroeg. Zij heeft zich mengvormen geschapen, ook in haar kerken. In haar leeft, diep verborgen, reeds van Augustinus af, het heimwee naar 't schone heidendom, naar de vergoddelijkte mens. Zij is eigenlijk innerlijk afkerig van de dienstknechtsgestalte, de onderste werkvorm van het leven. Wel is de dienst eeuwenlang sterk verweven geweest met haar bestaan. Staatsdienst, militaire dienst, eredienst, ridderlijke dienst gaven aan haar leven de voornaamste vormen. Tot in het gezellig verkeer is het dienaar-zijn een vaststaande titel geworden. Maar men zoekt daarin toch vaak meer de gedaante of de heerlijkheid, de gestalte of de idee. Jezus had deze niet (Jes. 53 : 2 v.); Hij had ze verlaten en er zich van ontledigd.

God is bezig deze gedaante en deze heerlijkheid voor onze ogen te verbreken, opdat wij aan zijn woorden indachtig zouden worden. Er is wel een weg door de troosteloze situatie dezer wereld, maar het is de vraag of wij die wensen te bewandelen. Deze wereld is door God bestemd niet voor de dood, maar voor de opstanding. Daartoe moet men zich echter niet achterwaarts keren naar de idee, maar voorwaarts naar de werkelijkheid, hoe vreselijk die ook moge zijn. Op die weg is er voor iedere situatie een woord Gods. De wereld wordt door het Woord Gods toebereid (Hebr. 11 : 3). Maar, zo staat er bij, wij verstaan dat door het geloof. Het geloof beschaamt echter niet. Wie het met het Woord waagt, die ontmoet een werkelijkheid, een nieuwe wereld. Dat is de heerlijke betekenis van het paasevangelie. Er is geen weg naar de idee, wel naar de wereld en dat is de weg, die Jezus heeft gekozen.

Plato is voor de politieke omstandigheden teruggeweken. Het lijkt wel, alsof Jezus dat ook gedaan heeft. Zijn spreken en handelen in de evangeliën schijnt soms geheel onwerelds. Hij zegt het ook: "Mijn koninkrijk is niet van deze wereld" (Joh. 1 18 : 36). Maar toch is de gerechtigheid, die de ruggegraat is van het Koninkrijk der hemelen dat Jezus predikt (Matth. 6 : 33), niet enkel particulier. Het is een publieke gerechtigheid, die wel in het verborgen geoefend kan worden, maar die in het openbaar vergolden zal worden (Matth. 6 : 4). Zij heeft ook niet enkel betrekking op de innerlijke mens, doch in de evangeliën zeer duidelijk ook op het openbare leven. Op rijken en armen, op gezonden en kranken, op de eredienst, op stad en land.

Waar het hier alles op aankomt is echter, dat Jezus zijn koninkrijk niet vestigt op een idee, hoe verheven dan ook, maar dat Hij alles verwacht van het Woord zijns Vaders, waaraan Hij steeds indachtig is. Hij is geen wereldhervormer, maar veel meer. Hij is zelf de koning in het komende rijk. Zijn komst op aarde, zijn zelfvernietiging en -vernedering is een troonsbestijging. Dit koninkrijk is de bewegende kracht voor de toekomst. De opstanding van Jezus bewijst, dat het een nieuwe schepping is. Hij is de tweede Adam geworden (1 Kor. 15 : 45). Er is niets, wat buiten deze alomvattende beweging omgaat. Pasen heeft betrekking op de hele toestand dezer wereld. De Europese christenheid, en thans daarmee de hele wereld, staan weer voor dezelfde keuze, die haar altijd heeft benauwd. Het gaat niet om ideologieën, maar om de verborgen werkelijkheid van Gods koninkrijk.

Eindnoten

  1. 55

    In De Civitate Dei zijn de boeken 8-10 vooral aan de uiteenzetting met Plato en het Platonisme gewijd, waarbij de gedachte van een gedeeltelijke (maar verdraaide) kennis der heidenen, en daarin Plato voorop (8, 4), sterk naar voren komt. Voor de gedachte van het zoeken van een weg, die alleen het christelijk geloof kan aanwijzen, vgl. 10, 32, waar echter eerder van het Platonisme (Porphyrius) dan van Plato zelf gesproken wordt. Dit is overigens in overeenstemming met de gezichtshoek, van waaruit Augustinus Plato in het algemeen ziet.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Onze ware existentieGestalte en GeestDe nevelen van Pasen →