Het sacrament
Toen leidde Hij hem uit naar buiten en zeide: Zie nu op naar de hemel en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt,- en Hij zeide tot hem: Zó zal uw zaad zijn.
Genesis 15 : 5 (St.V.)
In Genesis 14 wordt ons verhaald, hoe Abraham zijn neef Lot, en met hem de koningen uit het Siddim-dal, verloste uit de handen van een vijftal krijgsheiren uit het oosten. Hij weigerde ook maar een draad of een schoenriem als loon aan te nemen, opdat men niet zeggen zou: Ik heb Abram rijk gemaakt.
Deze daad behaagde de Here. En wij lezen in het boek Genesis dadelijk daarop, in hoofdstuk 15, hoe Hij tot de vader der gelovigen kwam "in een gezicht" en tot hem zeide: "Vrees niet, Abram, Ik ben u ten schild; uw loon zal Ik zeer groot maken" (Le.V.). Ook wanneer dit hoofdstuk oorspronkelijk achter Genesis 13 heeft gestaan, dan kan toch de eind-redactor verband gelegd hebben ook met het slot van Genesis 14. Wie niet voor zichzelf zorgt, voor die zorgt God. Abram, die zijn leven wil verliezen, zal het vinden (Matth. 16 : 25). En wie zijn loon van God ontvangt, zal zeker niet te kort komen.
Abram maakte een tegenwerping. Bescherming en loon kan hij zich als aartsvader en in verband met het beloofde land alleen maar denken in verband met kinderzegen en nakomelingschap. En hij vreest, dat zijn huisbewaarder, de slaaf Eliëzer, zijn erfgenaam zal worden. Want hij is kinderloos. God kan hem niets geven. Geen groot loon, maar dan ook niets. ⚑Op deze bittere klacht, waarin de tranen van de lijdzaamheid op de weg der gehoorzaamheid schier uitbreken en waarin het ongeduld des geloofs hoorbaar wordt, geeft God een antwoord, zoals niemand anders dan de Schepper des hemels en der aarde dat kan. Hij neemt Abram mee naar buiten en vraagt hem de sterren te tellen. Hij zal het niet kunnen. Welnu, zó zal Abrams nakomelingschap zijn. - God is niet zuinig in zijn beloften. In dat opzicht passen de gelovige Abram en zijn royale God bij elkaar. Luther zei eens: "Zoveel gij gelooft, zoveel hebt gij ook."3⌫
Met andere woorden: God geeft zoveel, als gij, in het geloof, waagt te nemen. God merkt ook wel die tranen in Abrams tegenwerping en het ongeduld in zijn geloof. Hij komt hem tegemoet met al de middelen waarover Hij beschikt. Ook daarin wil Hij niets nalaten. Hij roept alles wat Hij geschapen heeft als getuige op van de waarheid van zijn belofte. Al het licht, dat Hij rondom zich wierp, toen Hij het op de eerste dag schiep, wordt aan Abram getoond.
God heeft twee manieren om met ons te spreken. Eerst spreekt Hij met Abram in diens tent. Dat is zijn gewone handelwijze. Dan gaat Hij huiselijk met de mens om en spreekt met Abram als met een vriend en bijna als een gelijke. Dat is de vleeswording des Woords, en zo lag Jezus later in de kribbe en ging Hij drie jaar lang met zijn discipelen en met andere mensen om. Wanneer God zo doet, dan maakt Hij zich gering en is nederig. Zijn taal is als die der mensen en Hij geeft er als 't ware zelf aanleiding toe, dat dezen Hem niet geloven. Abram zegt bijna oneerbiedig: "Here, Here, wat zult Gij mij geven?" Met andere woorden: Gij kunt mij niets geven.
Zo spreekt God tot ons, als Hij tot ons komt, door de Heilige Schrift, die wij naast andere boeken op een plank kunnen zetten. Zo doet Hij, als Hij gewone mensen opdracht geeft om ons zijn evangelie te prediken. Dan is Hij met ons samen in ons huis of wij met Hem in zijn huis. En daar is niets geweldigs in die samenkomsten. Zij zijn zo gewoon en zo nederig, dat wij ze soms verachten en weinig acht slaan op wat God op die wijze tot ons zegt.
Maar dan kan het gebeuren dat Hij ons, evenals Abraham, uitleidt naar buiten. Het is dezelfde God. Maar welk een majesteit opeens! Hij, die zich zopas nog willig boog om onze tent of onze huisdeur binnen te gaan, staat nu onder zijn eigen dak, het werk zijner handen. Zijn taal wordt anders: Tel de sterren, indien gij ze tellen kunt. God heeft sacramenten om zijn woord te bevestigen. Alles kan Hem daarbij dienen: het water; het brood; de wijn. Daarmee gaat Hij dan min of meer naar buiten, ofschoon Hij zich meestal dicht bij de nederigheid en de huiselijkheid van zijn woord houdt. Maar dat Hij daarmee toch naar buiten gaat en ons ongeloof wil tegemoet komen en beschamen tegelijk, dat leren wij uit deze geschiedenis van Abram. Het gehele heir des hemels staat Hem ten dienste. Voor Hem is het niet nodig dat Hij zich zo klein en verachtelijk maakt, als Hij het meestal doet. Hij doet het enkel om ons. Als Hij zich opricht, is het sterrendak Hem nog te laag. Zou Hij Abram niets kunnen geven! Geen zoon en geen land?
Wanneer wij door God zo mee naar buiten worden genomen, moeten wij ons wel gering en beschaamd gevoelen. Beschaamd omdat wij Hem niet hebben geloofd, toen Hij zich voegde tot onze geringe staat. Maar wij zullen dat nog veel meer zijn, als wij bedenken, waarom God er een welbehagen aan heeft om zich tot de nederigen te voegen. Weet Abram wel, wat het betekent een zoon te hebben? Het wil voor God zeggen: zijn Zoon te moeten geven. Wat dat zeggen wil, zal Hij Abraham ook nog moeten leren, als Hij hem de begeerde zoon geschonken heeft. Dan komt het bevel: "Neem uw zoon, uw enige, die gij liefhebt, Isaäk ... en offer hem" (Gen. 22 : 2).
Deze kennis van het zoonschap was er bij God, toen Hij Abram beloofde, dat Hij hem een zoon zou schenken. Deze zijde is er aan alle beloften van het Evangelie. Is het dan een wonder, dat de Here zich liever buigt om onze tent binnen te gaan, om in nederbuigende goedheid en gewone samenspraak ons in te wijden in zijn heilsgeheimen?
"'t Heilgeheim wordt aan zijn vrinden
Naar zijn vreeverbond getoond."4
God is binnen meer God dan buiten. Het sacrament der sterren is wel geweldig en indrukwekkend. Men weet, hoe hoog Kant het schatte.5 Maar het is waar dat die éne beweging der liefde, waardoor God zijn Zoon gaf, meer is dan de ontelbare bewijzen van zijn macht aan het firmament.
Daarom is het, dat de gewone weg, die Hij met ons houdt, bemiddeld wordt door het Woord en niet door een sacrament.