O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Het sacramentGestalte en GeestDe droom →

Verzamelde Werken, deel 8 · Gestalte en Geest · Deel 1 · Boek 1: Over de toppen des levens · p. 187–189

Het mensenleven

Doch Jakob bleef alleen over; en een man worstelde met hem, totdat de dageraad opging.

Genesis 32 : 24 (St.V.)

Vader Abraham is een hemelse vader, een afspiegeling van God, die wij in het allervolmaaktste gebed als zodanig aanspreken. De engelen dragen de zaligen in zijn schoot (Luk. 16 : 22). Zijn beeld, gesteld dat men het kon en mocht maken, zou op dat van God gelijken.

Niet alzo vader Jakob. Hij is een aardse vader, met alles wat daarin ligt opgesloten. Wat men van hem leest in het boek Genesis, ontrolt voor ons de geschiedenis van een mensenleven en geeft ons een indruk van het lot der stervelingen. Bij geen andere figuur in de bijbel is dat zo sterk het geval. Hij is een moederszoon, die de smarten der geboorten erft en ze op zich neemt, om er levenslang mee te tobben. Hij doet het met de listen en de lagen, die zijn moeder hem geleerd heeft. Maar hij blijft levenslang de jongere, de zwakkere, behalve, evenals de vrouw, tegenover God.

Tegen God houdt hij stand (Gen. 32). Dan weet hij van geen wijken. Zijn leven wordt dan worstelen. Hij doet het boven zijn macht tot zijn sterkste spieren zijn verrukt (Gen. 32 : 31). - Maar overigens is vader Jakob iemand, die in het leven aan het kortste eind trekt. Bij de geboorte is Ezau hem voor (Gen. 25 : 26). Als hij Rachel meent te trouwen, is het Lea (Gen. 29 : 25). Zijn loon wordt telkens veranderd (31 : 41). Waarlijk, Jakob is een echte moederszoon. Hij is geen man, zoals Ezau. Hij is een mens, de zwakke en hulpbehoevende tegenspeler Gods. De een is niet zonder de Ander te denken. Zulk mensenleven is als een ladder. Als Jakob aan het benedeneind daarvan ligt, staat God op de hoogste sport (Gen. 28 : 10-15). Wanneer de figuur van deze mens het kleinst, het geringst, het nietigst is, zijn eenzaamheid het meest beklemmend, zijn angst het meest adembenemend, dan is God vlak tegenover hem. Wij lezen: "Doch Jakob bleef alléén over; en een man worstelde met hem, totdat de dageraad opging" (32 : 24). Kent gij treffender beschrijving van het mensenlot? Van zijn lot in volle omvang? In het leven, maar evengoed in het sterven? Wanneer men vraagt naar de zin van dit leven, hét mensenleven, dan moet het antwoord zijn, dat het bestaat in het zoeken van een zegen. Heel het jonge leven van Jakob, zoals de bijbel ons dat beschrijft, gaat daarin op (25 : 29-34 en 27). Niets wordt er verder van gezegd.

Het gaat daarbij weliswaar niet toe op een erg goddelijke manier. Het gebeurt op een wijze, die beantwoordt aan de betekenis van de naam Jakob. Men mag nimmer vergeten dat deze mens, de mens, geen God is. Hij is Gods tegenspeler; God is boven op de ladder, hij beneden. Voorlopig betekent het niet meer dan dat hij niet alléén kan zijn; hij kan niet bestaan zonder God; hij zoekt een zegen.

Maar onder dit zoeken wast deze mens, wast de mens onder de zegen Gods. Als hij in het land zijner vaderen terugkeert is hij tot twee heiren geworden (32 : 7). Maar ook dan nog zijn deze twee niet zijn leven. Nooit was hij meer alleen dan in die nacht. Nooit had hij meer behoefte aan de zegen, aan de aanwezigheid van die Ander, dan toen. Nimmer was hij meer mens geweest en had onstuimiger naar zijn machtige tegenpartijder verlangd dan in die nachtelijke uren. - Maar ook nergens kunt ge een aangrijpender en een meer ware tekening vinden van een mens, die als mens zijn leven uitoefent. Paulus wist wat dit betekende, toen hij schreef. "Als ik zwak ben, dán ben ik machtig" (2 Kor. 12 : 10). ⚑Aan die zegen moet de mens meestal moeilijk dragen. Ook daarin is Jakob meer mens dan man, dat hij de zegen zelf ter wereld moet brengen en de smarten van de dracht moet ondergaan. Hoe vruchtbaar is deze mens en hoe vruchtbaar is alles wat hij aanraakt en zich om hem heen vermenigvuldigt. Leven is hier letterlijk gezegend worden. Het leven van vader Jakob lijkt op een akker, waarop het koren zwaar van korrel over zichzelf gebogen staat. Twaalf zonen en een dochter telt het volmaakt complete gezin, dat als zodanig de volheid van Israël en de mensheid in de voltooiing afbeeldt. En rondom hem breken de kudden evenzo uit in menigte. Ook bij dat laatste laat ons het boek Genesis een wondere, raadselachtige samenwerking zien van de mens en zijn God (30 : 31-43 en 131 : 1-13). Ook hier weer zoekt Jakob de zegen op menselijke wijze en ontvangt hem op een goddelijke manier.

Maar hoe moet de mens aan die goddelijke zegen torsen. Welk een angst moet hij uitstaan, als de have en het vee eindelijk voorgoed zijn eigen bezit zullen gaan worden; als hij van Laban wegtrekt (31 : 17-55)! Hoe ternauwernood gelukt het hem een grenssteen te plaatsen voor zijn bezittingen! En dan flikkert al dadelijk aan de andere zijde daarvan het zwaard van Ezau. Hoe zwaar draagt de mens, ons geslacht, aan de zegen van de particuliere eigendom. Is zij van Jakob of van God, deze uitgebroken menigte? Is het een zegen of een vloek? Is zij vrucht van menselijke listen (30 : 31-43) of van goddelijke wonderen (31 : 1-13)?

En hoe kwetsbaar is de mens, is Jakob, ten opzichte van de kinderzegen. Zie zijn angst, als hij Rachel met Jozef achterop stelt, bij de nadering van Ezau (33 : 2). Kwetsbaar is hij in elk van zijn kinderen. Het is een telkens gehavende zegen, die hij in zijn leven meedraagt. Als hij Benjamin moet meegeven naar Egypte, dan zegt deze vader van twaalf zonen: Als ik dan kinderloos moet worden, laat mij het dan maar worden.

De mens kan Gods zegen eigenlijk niet dragen. Dat, wat hij het meest begeert, wordt zijn grootste smart. In het geloof, als bij Abraham, staat hij ook zijn enige zoon af (Gen. 22). Men hoort geen klacht, geen zucht. Maar in het leven, als bij Jakob, wordt een geschonden twaalftal tot kinderloosheid.

De mens kan God niet dragen, zelfs zijn zegen niet. Als dat moet, voelt hij zich angstig en blootgesteld. Zie hoe paradoxaal, hoe tegenstrijdig het leven is! Hoe ongelijk zijn deze twee, God en zijn tegenspeler, de mens! Als de baren van de zee wordt het leven, dat door hun verkeer ontstaat. Hoog en onstuimig verheft het zich, in een niet te stillen verlangen. Maar dan valt het door zijn eigen volume en door eigen gewicht op zijn onmacht en holheid terug. Zo rolt het naar de eeuwigheid, om het geheim van eigen onrust te gaan aanschouwen.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Het sacramentGestalte en GeestDe droom →