Het grote sacrament
Die zal u met de Heilige Geest en met vuur dopen.
Mattheüs 3 : 11 (St.V.)
Kan ook iemand het water weren, dat dezen niet gedoopt zouden worden, welke de Heilige Geest ontvangen hebben?
Handelingen 10: 47 (St.V.)
Wanneer wij de christelijke doop horen noemen, zijn wij gewoon aan de doop met water te denken. Wij weten wel, dat er ook een gedoopt-worden met de Heilige Geest bestaat, maar dit laatste nemen wij dan meestal in overdrachtelijke zin. Wij durven het niet letterlijk op te vatten. Toch leert de bijbel ons, dat Jezus zijn discipelen niet met water, maar met de Heilige Geest heeft gedoopt. Dat had Johannes de Doper al voorspeld (Matth. 3 : 11). Dat zou het onderscheid zijn tussen de doop van Jezus en die van hemzelf. En zo is het dan ook uitgekomen. Een heel bijbelboek is er gewijd aan dat dopen van Jezus met de Heilige Geest. De hele Handelingen der Apostelen zijn er vol van. Het begint met de uitstorting van de Heilige Geest in Handelingen 2. Maar ook verderop, in hoofdstuk 10 en overal, gaat het er over, hoe Jezus zijn hemelse gaven uitgiet. De een krijgt deze gave, de ander een andere. De doop des Geestes is een echte doop. Het is een uitgieten, een overvloedig geven, zodat één-alleen het niet allemaal nemen kan. Er is zoveel geestelijke kracht, er zijn zoveel geestelijke gaven, dat er een verdeling moet plaatshebben. En door die verdeling van gaven wordt dan juist de gemeente gevormd. Daarom moet men zeggen, dat wij uit de evangeliën Jezus' prediking kennen en uit het tweede boek van Lukas zijn doop. Het laatste vertelt van het sacrament, waarmee die prediking werd verzegeld, de doop des Geestes. Daarbij moeten wij niet dadelijk denken aan de sacramenten die wij in de kerk gebruiken. Die heeft Jezus ingesteld en ter bediening aan mensen opgedragen. Het sacrament des Geestes heeft Hij zelf in handen gehouden. Geen mens kan het bedienen.
Zo komt het, dat wij in het Nieuwe Testament achter de evangeliën ook nog de Handelingen der Apostelen hebben. Dat wil niet zeggen, dat Lukas dat boek geschreven heeft om ons te laten zien, wat de apostelen van het Evangelie gemaakt hebben, toen Jezus ten hemel gevaren was. Neen, Johannes en Jezus hebben er beiden nadrukkelijk op gewezen, dat de heilsgeschiedenis met de evangeliën nog niet is afgelopen. De doop door Jezus moet nog komen; de Trooster moet nog gezonden worden. Na Kerstmis, Pasen, Hemelvaart moet Pinksteren nog komen. Het beslissende heilsfeit moet nog plaatshebben.
Wij vinden in de Handelingen der Apostelen de beide sacramenten, die Jezus ter bediening aan de apostelen heeft opgedragen: alle volkeren te dopen (Matth. 28 : 19) en samen het brood te breken (Matth. 26 : 26 vv.).
Al dadelijk in Handelingen 2 is sprake van die doop (vs. 38) en van die breking des broods (vs. 42). Maar deze beide sacramenten staan hier toch geheel in de schaduw van het grote sacrament, dat Jezus zelf bedient. In ons tweede tekstwoord boven deze meditatie staat dan ook uitdrukkelijk, dat de doop met water plaatsvindt na de doop des Geestes. In hoofdstuk 2 en in Handelingen 19 : 1-7 vinden wij een omgekeerde volgorde. In de laatstgenoemde perikoop wordt tegenover de waterdoop van Johannes ook niet meer de Geestesdoop van Jezus gesteld, maar eveneens een waterdoop.
Op zulke plaatsen komt dan de eigenlijke economie, de huishouding in de heilsgeschiedenis, niet meer tot haar volle recht. Zij staan reeds onder invloed van de verhoudingen in de eerste christelijke gemeenten. In ons tweede tekstwoord is dat nog niet het geval.
Vele christenen echter sluiten zich aan bij de vroege kerk en verliezen dan de volle maat van de heilsgeschiedenis uit het oog. Zij menen, dat Jezus tegen het einde van zijn leven het Evangelie - als ik het eens zo noemen mag - heeft opgevouwen tot een mysterie en dat Hij aan zijn hemels Koninkrijk toen een huiselijk-kerkelijke vorm heeft gegeven, die wij vieren aan de avondmaalstafel. Het Koninkrijk der hemelen uit de evangeliën zou zich dan in de vorm van een verborgenheid voortwinden door de Handelingen der Apostelen. En langs die weg zou het zich voortzetten in de kerk.
De prediking zou daarbij ook haar direct aansprekend karakter verliezen.
Zij zou niet, zoals op Pinksteren, bij de uitstorting van de Heilige Geest, als een wind uit het Evangelie over het mensdom waaien, maar een hypothetisch karakter krijgen. Zij zou zijdelings moeten worden afgeleid uit wat de verborgenheden, die wij in de apostolische kerk hier en daar aantreffen, doen vermoeden. Het Evangelie zou geen openbare uitgang hebben in het grote sacrament van de doop des Geestes.
Dit is echter niet de goddelijke economie in het Nieuwe Testament. De Handelingen der Apostelen worden geheel beheerst door de doop des Geestes. Niet door wat wij de sacramenten noemen. - Het zijn twee grote predikers, die het hele boek beheersen. Stefanus in de eerste, Paulus in de tweede helft. Stefanus is een man, "vol zijnde des Heiligen Geestes" (Hand. 7 : 55) en Paulus is het zeker niet minder. Beiden hebben Jezus in de hemel gezien. Door hen heeft het Evangelie voortgang; het krijgt in de bijbel een vervolg. Het staat open naar de mensheid en het spoedt zich in de openbaarheid. Ook in de Handelingen der Apostelen is nog heilsgeschiedenis en ook deze is niet 'in een hoek' geschied. Het grote sacrament, dat het Evangelie verzegelt en afsluit, doet aan het openbaar karakter daarvan niets af, maar zet het open 'alle den volke'.