Het gebed om recht
Lukas 18 : 1-8
Zoals er bewijzen uit het ongerijmde zijn, zo ook gelijkenissen uit het ongerijmde. In Lukas 16 staat er een: die van de onrechtvaardige rentmeester. Daarin wordt een malversateur ten voorbeeld gesteld aan Jezus' discipelen; een kind dezer wereld aan de kinderen des lichts. Hier in onze gelijkenis is het een onrechtvaardige rechter. Een man, die zich om God niet bekommerde en zich aan geen mens stoorde (Vert. NBG.). Er was een weduwe in zijn stad, die herhaaldelijk bij hem kwam met de eis haar recht te doen in een zaak, waarin zij gewikkeld was. Hij liet echter deze vrouw, die haar steun door de dood verloren had, aan haar lot over. Althans zo deed hij voor een lange tijd. - Maar de weduwe liet hem niet met rust; haar eis werd steeds frequenter en ongeduldiger, zodat hij tenslotte, niet om Gods wille en ook niet om de mensen, maar om er af te zijn, een uitspraak deed. Zij zou mij - zo bromde hij in zijn baard - tenslotte zowaar nog een oorvijg komen geven.
Hoort! zegt Jezus, als Hij deze gelijkenis gesproken heeft, hoort! wat de onrechtvaardige rechter zegt. Jezus haalt het evangelie des Koninkrijks niet alleen uit de mond der profeten en psalmisten, maar ook uit die der kinderen (Matth. 21 : 16); ja ook uit de mond der onrechtvaardigen. Ineens soms, midden onder de mensen, luistert Hij scherp naar wat een man of vrouw in alle eenvoudigheid zegt. Dan herkent Hij de stem des Vaders, die in de hemelen is, daarin. Zo bij een woord van een Romeinse hoofdman (Matth. 8 : 9 v.) of van een Kananese vrouw (Matth. 15 : 27 v.). - Dan is Jezus verwonderd, verbaasd, ontzet, aan zijn plaats genageld. Hij neemt zulk een woord aan als een godsspraak; neemt het op in zijn Evangelie en gehoorzaamt er aan. Hij doet wat die man of die vrouw van Hem vraagt, ook al had Hij het voor een lange tijd niet gewild. Zo luistert Jezus hier plotseling naar de woorden van de onrechtvaardige rechter in zijn eigen gelijkenis. Hoort! zegt de Heer. En dan komt de vergelijking uit het ongerijmde. Hoort wat de onrechtvaardige rechter zegt! Dat hij zich om God niet bekommerde en zich aan geen mens stoorde, wat doet dat er hier toe? Hoort slechts wat de man daar zegt: Ik zal haar recht doen. Welk een woord in deze onrechtvaardige wereld, gezegd door een onrechtvaardig man; nog wel een onrechtvaardige rechter! Ik zal haar recht doen. Maar nu doet het er toch toe en nu doet het er juist toe, dat hij zich om God niet bekommerde en zich aan geen mens stoorde. Want nu komt als vanzelf de vraag naar voren: Zou God, die de opperste Rechter is en die nog eens in het bijzonder de Rechter der weduwen heet (Ps. 68 : 6), geen recht doen aan zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen? Zou Hij degenen, die in de wereld verdrukking hebben, niet bijstaan? En zou Hij hen soms ook nog lang laten wachten? Deze ongerijmdheid is tevens haar antwoord. Maar Jezus geeft dat antwoord ten overvloede nog eens in een plechtige vorm: Ik zeg u, dat Hij hun haastiglijk recht zal doen.
Deze gelijkenis is meer dan een algemene aansporing om niet te vertragen in het gebed. Zij staat, blijkens de samenhang, in betrekking tot wat Jezus in het vorige hoofdstuk gezegd heeft over de openbaring van de Zoon des Mensen (17 : 24-30). Die zal plotseling, haastelijk, komen. Want zoals de bliksem, die van de ene kant des hemels flitst, tot de andere kant schijnt, zo zal ook die dag zijn.
Daardoor krijgt ook deze gelijkenis haar volle maat in het Evangelie. Zij moet gehoord worden in verband met de komst van het Koninkrijk der hemelen en met de verkiezing daartoe. Zij zou niet in het Spreukenboek kunnen staan. Men kan er over verschillen, of het uitstel van de rechter in de gelijkenis óók moet worden toegepast op de tijd, waarin de uitverkorenen dag en nacht tot God roepen. Zeker toch wel, ofschoon de meeste uitleggers anders doen, als zij Gods haast in tegenstelling brengen met het treuzelen van de rechter. Ik heb hun vertaling gevolgd, tegen de Statenvertaling in. Maar ik meen toch, dat Godet gelijk heeft, als hij die haast verstaat als het plotselinge, meer dan het spoedige komen van de oordeelsdag; wat gepaard kan gaan met het roepen der uitverkorenen, voordat die dag komt.24
Recht is nog nodiger dan brood. In het Onze Vader komt de rechtsvraag ook vóór de broodvraag. Zij ligt opgesloten in de bede: Uw Koninkrijk kome. Dezelfde bede, die de uitverkorenen in onze tekstwoorden dag en nacht opzenden. Wanneer dat Koninkrijk met zijn gerechtigheid zal gekomen zijn, dan worden voedsel en deksel daarbij toegeworpen (Matth. 6 : 33). Ook bij de vierde bede gaat het niet enkel om brood. Een dergenen, die eens met Jezus aan tafel zaten, en die Hem hoorde zeggen, dat men armen, verminkten, kreupelen, blinden daarbij moest uitnodigen, zeide: "Zalig is hij, die brood eet in het koninkrijk Gods." - En wanneer Jezus eens de hemelse Vader, als gever van goede gaven, vergelijkt met een aardse vader, die zijn zoon geen steen zal geven, als hij hem om brood vraagt, dan wordt daarbij niet brood tegen brood gesteld, maar de Heilige Geest. Bij onze gelijkenis is er echter ook gelijkheid. Daar staat recht tegen recht. Recht is meer dan brood.
Wanneer, zoals een hedendaags Engels staatsman het uitdrukte, waarheid, mededogen en rechtvaardigheid in sommige streken onzer aarde worden afgezworen, dan blijft de humaniteit, het mens-zijn, daarbij niet intact.25 Calvijn heeft hetzelfde gezegd van sommige vormen van ascese.26⌫ Maar daar betrof het nog maar de humaniteit, die met het brood samenhangt. Oneindig meer ingrijpend is de afzwering van het recht. De ascese kan brengen op de grens van het dierlijke. De afzwering van het recht echter kan de wereld voeren naar de grenzen van het duivelse. - De vraag dringt zich op of het niet mogelijk is, dat er een grens is aan het mens-zijn, die men zou kunnen overschrijden, zonder dat er mogelijkheid zou blijven om terug te keren. Zich om God niet bekommeren en zich aan geen mens storen. En dit 'voor een lange tijd' volhouden. Zou er dan een wezen kunnen ontstaan, dat het beeld van Jezus niet meer dragen kan?
Deze gedachte is vreselijk en zij staart ons aan als een Medusahoofd, dat het bloed in de aderen doet stollen en ons koud doet worden tot in het merg der beenderen. En deze gedachte heeft macht over ons. Maar zij is een bewijs, dat de duivel, die wij buiten ons menen te speuren, binnen in ons is, als wij haar denken. Jezus immers heeft zelfs de hemelse Vader vergeleken met zo'n wezen en Hij heeft gelijkenis ontdekt. En Hij heeft dat niet gedaan aan de randen alleen, bij wijze van analogie, maar in de kern, in het wezen. Niet meer bij het brood, maar nu bij het recht. Hij heeft uit de mond van zulk een wezen - zij het in een gelijkenis, dan des te duidelijker - een uitspraak gehoord: Ik zal haar recht doen. En alsof er nooit over recht gesproken was op de aarde dan door dat éne cynische wezen, heeft Hij het voor een evangelie aangenomen en het laten lichten van het ene einde van de hemel tot aan het andere, zoals de bliksem, en Hij heeft het laten donderen, dat het geluid voortrolde tot het laatste oordeel, tot de komst van de Zoon des mensen. Zo was de hemelse Vader, zoals die onrechtvaardige rechter op dat éne moment.
Doch de Zoon des mensen, als Hij komt, zal Hij ook geloof vinden op de aarde? Vreemde, aarzelende vraag aan het slot van onze gelijkenis! - Is het zo zeker, wie aan zijn rechter- en wie aan zijn linkerhand zullen staan? Zullen vele eersten niet de laatsten zijn en vele laatsten de eersten? God zal recht doen; dan volgt de gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar.